Dimitri Verhulst: ‘Alcohol is het vocht van de democratie’

Aan de vooravond van zijn theatertournee Godverdomse dagen op een godverdomse bol en vlak na verschijning van zijn dichtbundel Stoppen met roken in 87 gedichten een vrijmoedig gesprek met schrijver Dimitri Verhulst (44). Over het jammerlijke verdwijnen van de kroegcultuur, het onbegrijpelijke succes van Karl Ove Knausgård, geloofsfanatici en het vaderschap. ‘Ik ben een uitermate slechte en afwezige vader.’

Lees het gehele interview (acht pagina’s) in het oktobernummer van HP/De Tijd (2017) of op Blendle.

Drie zomers woont hij hier nu, op de tweede verdieping van een monumentaal pand in het centrum van Gent, en nergens voelt hij zich zo senang als op deze plek. Dimitri Verhulst is eindelijk thuis. Zijn appartement is opvallend ordentelijk ingericht. Hij woont, denk ik terwijl ik om mij heen kijk, zoals hij praat en schrijft: er staan weinig spullen, maar dat wat er staat, is mooi en staat er met een reden.

Wat doe jij in Gent? Je bent toch helemaal geen stadsmens?
“Ik heb bijna mijn hele leven buiten de stad gewoond, inderdaad. Ik heb ook vijftien jaar lang niet in mijn moedertaal gewoond. Ik heb me plots gerealiseerd hoe hard ik mijn taal heb gemist. Het Nederlands werd een abstract ding, terwijl het mijn werkmateriaal is, mijn grote liefde. En bovendien stelde ik vast dat ik, telkens wanneer ik naar deze stad afreisde, het moeilijk vond om weer weg te gaan.
Als ik een lezing had gedaan, wilde ik altijd nog even de kroeg in om mijn vertrek uit te stellen. Ik heb ooit weleens geschreven dat ik iemand ben die zwalkt tussen bindingsangst en verlatingsangst. Waarschijnlijk is dat wel het geval. Ik ben hier thuis. Het klinkt verschrikkelijk. Ik heb me er altijd tegen verzet om ergens thuis te zijn, maar hier ben ik het.”

Komt dat misschien ook doordat Gent bekendstaat om zijn fijne kroegen?
“Ik ga graag naar de kroeg, ja. Met mensen praten. Muziek maken. Samenleven. Wanneer wij wat vaker in de kroeg gaan zitten – wat ik iedereen aanbeveel, want ik vind dat onze kroegcultuur stervende is – geloof ik dat we de wereld kunnen verbeteren. In de kroeg praten mensen nog met elkaar. Dat heeft niks te maken met bezopen zijn. Ideeën hebben daar seks met elkaar. Daar vermenigvuldigen die ideeën zich ook. Als we nu allemaal wat vaker in de kroeg gaan zitten en wat minder op Facebook en Twitter, dan worden de goede ideeën groter en verspreiden ze zich.” Hij denkt hardop na: “Er zijn ook best wat culturen die alcohol verbieden. Het is wel opvallend dat culturen waar alcohol verboden wordt, ook de culturen zijn waar discussie niet geapprecieerd wordt. Alcohol is het vocht van de democratie. Samen eten is ook heel belangrijk. Alle godsdiensten hebben dieetvoorschriften. De joden vinden dat je dit moet eten en dat niet, van de moslims mag je dat wel eten maar dit niet. Ook de christenen, lees het Oude Testament, hebben iets te zeggen over wat wel en niet op ons bord mag liggen. Maar wat betekent dit in concreto: dat de drie godsdiensten niet samen aan tafel kunnen. De een moet wijn drinken om de Heer te gedenken, de ander mag geen alcohol. Hoe komen we dan tot een samenlevingsmodel? We mógen niet samenleven. De dictatuur van de godsdienst verbiedt het ons. De wereld wordt gered met eten en drinken. I am sorry. Ik heb niets tegen godsdiensten. Ik kan niet in iemand zijn kop gaan kruipen en zeggen: jij mag niet geloven. Ik heb ook geen enkel bewijs dat God niet bestaat. Maar de exponenten van dat geloof vind ik verschrikkelijk. En het fanatisme wordt ook erger met de dag. We dachten dat we er klaar mee waren.”

Arthur Japin over Marguerite Yourcenar, Tsjaikovski en The Sound of Music

Met een nieuwe roman (Kolja) en een zelfgemaakte toneelbewerking van zijn boek De man van je leven heeft Arthur Japin de afgelopen maanden bepaald niet stilgezeten. Wat leest, luistert en ziet hij als hij niet aan het schrijven is?

(Interview in het septembernummer van HP/De Tijd, 2017.)

BOEKEN
“Een boek dat van grote invloed is geweest op mijn leven en werk, is Hadrianus’ gedenkschriften van Marguerite Yourcenar. Toen ik begin jaren tachtig samen met Rosita Steenbeek naar Rome ging, in de hoop dat we bij Fellini in een film zouden komen, zei iemand tegen ons: jullie moeten Hadrianius’ gedenkschriften lezen en in Tivoli zijn villa bezoeken. We zouden in de stad allemaal dingen vinden die in het boek voorkomen. Dus ik nam dat boek mee en las het daar. Het was de periode in mijn leven dat ik eigenlijk wel wist dat ik geen acteur wilde worden, maar niet wist wat ik wel moest gaan doen. Uiteindelijk ging ik schrijven, wat tien jaar later resulteerde in De zwarte met het witte hart. Een Franse recensent schreef dat het deed denken aan de boeken van Yourcenar, terwijl ik die link zelf helemaal niet had gelegd. Achteraf bezien doe ik inderdaad wat zij doet in Hadrianus’ gedenkschriften en in haar andere boeken – Het hermetisch zwart bijvoorbeeld, dat misschien nog wel mooier is. Je neemt een persoon uit de geschiedenis en maakt die menselijk. En door die menselijke ogen bezie je een heel tijdsgewricht.”

MUZIEK
“Ik heb voor Kolja veel en goed naar Tsjaikovski geluisterd. Zijn Zesde symfonie (Pathétique), een stuk dat veel afscheid in zich herbergt, speelt in het boek een rol, omdat het een week voor de mysterieuze dood van de componist in première ging.Daar gaat het boek ook over: hoe is hij werkelijk aan zijn eind gekomen? Doordat ik me zo in hem ben gaan verdiepen, ben ik ook anders naar zijn muziek gaan luisteren. Je hoort de wanhoop van niet mogen zijn wie je bent, het altijd op zoek zijn naar verboden passie en de frustratie die zijn homoseksualiteit met zich meebracht. Bij geen enkele componist hoor je die lust en wanhoop zo sterk als bij hem.”

FILM
“Een film die echt invloed op mij had… echt invloed op mijn leven… dat zijn er meerdere. Als ik als kind bijvoorbeeld Cabaret met Liza Minelli niet had gezien of The Sound of Music met Julie Andrews of Funny Girl met Barbra Streisand, dan had ik het niet gered. Dat waren essentiele films om te overleven. In ieder zit een moment waarop de hoofdfiguur totaal aan de grond en in de put zit. Dan begint ergens een viool te spelen en begint hij of zij te zingen: maar dit laat ik niet gebeuren, ik vecht terug om te worden wie ik zijn moet en dat moet de wereld maar accepteren. Zo komen ze uit hun diepe dal naar buiten, dansend, en op straat dansen alle mensen met hen mee. Aan die totaal onwerkelijke gedachte van hoop houden tegen beter weten in – want dat is het – heb ik uiteindelijk meer geloof gehecht dan aan mijn werkelijkheid. Dat is mijn redding geweest.”

Het gehele interview leest u in de papieren HP/De Tijd of op Blendle.

Fotoserie: op bezoek in het atelier van Dick Bruna

In de zomer van 2008 bracht ik met mijn beste vriend en trawant Brian van der Vegt een bezoek aan het atelier van Dick Bruna in de Jeruzalemstraat in Utrecht.

Voor een serie interviews die ik voor een fictieve schoolkrant maakte (als je geen schoolkrant hebt moet je er als nieuwsgierige jongeling maar een verzinnen) stelde ik hem wat vragen. Het interview is tezamen met andere interviews die ik die zomer hield tot mijn grote spijt verloren gegaan. Een gecrashte harde schijf wiste zomaar mijn eerste schreden op het interviewerspad.
Van het bezoek herinner ik mij slechts flarden. Ik weet nog dat zijn atelier veel kleiner was dan ik me had voorgesteld. De ruimte rook naar mijn basisschool. (Dat zal de plakkaatverf zijn geweest. Of beeldde ik het me in en riepen de afbeeldingen van nijntje die geurherinnering op?) Overal stonden kwasten en potloden. In verschillende lades bewaarde hij tekeningen. Naast een boekenkast met daarin vele honderden nijntjeboeken – soms in talen waarvan ik nog nooit had gehoord – stond een kast waarin hij de fanmail die hij vanuit de hele wereld ontving trots had uitgestald. Zijn ogen glunderden toen hij vertelde dat hij dagelijks tientallen brieven en kaartjes van kinderen ontving.
Van het interview zelf herinner ik mij ook nog slechts een peer antwoorden. Hij vertelde onder meer dat hij, hoewel hij toen al tachtig jaar oud was, zeven dagen per week op zijn atelier was, vaak minimaal acht uur per dag. Zijn grootste angst was dat hij niet meer kon tekenen. De lijnen begonnen al iets meer te bibberen dan voorheen. Soms hield hij een kwast met twee handen vast om toch een strakke lijn te trekken. Het moeilijkst om te tekenen vond hij de ogen van nijn – dat kwam allemaal heel precies. Hij vertelde dat hij hoopte dat hij nog lang geestelijk en lichamelijk in goede gezondheid zou verkeren en nog minimaal tien jaar dagelijks naar zijn atelier kon fietsen. Als ik een keer tijd heb zal ik proberen om wat van mijn oude aantekeningen uit te werken en een langer verhaal te schrijven.

Ter gelegenheid van de negentigste geboortedag van Dick Bruna (1927 – 2017) zet ik een selectie van de fotoserie online. Het atelier aan de Jeruzalemstraat is inmiddels ontmanteld en een op een gereconstrueerd in het nijntje museum in Utrecht. Zijn fiets staat er voorgoed op slot.

Foto’s: © Nick Muller, 2008.

 

De 21 beste boeken die u nooit heeft gelezen

Wat is het beste boek uit het Nederlands taalgebied dat niemand heeft gelezen? HP/De Tijd vraagt, net als vorig jaar, ruim twintig lieden uit het boekenvak naar het boek waarvan zij vinden dat het onterecht weinig is gelezen of in de vergetelheid is geraakt.

(Voor de website van HP/De Tijd, juni 2017.)

Maanheuvel (1993)
Kees Quirijns (1935)

Jan Cremer: Zelden heb ik over de grond liggen rollen van het lachen door een Nederlands literair werk. Maanheuvel van Kees Quirijns is een fantastisch boek, vergelijkbaar met W. F. Hermans’ Landingspoging op Newfoundland. Het is een scherp en soms vilein geschreven meesterwerk, een absolute afrekening met de schimmige wereld van snelle makelaartjes en rücksichtlose huisjesmelkers. Het boek is actueler dan ooit nu die de onroerendgoedwereld compleet beheersen. Ik heb indertijd twaalf exemplaren gekocht voor vrienden, daarna was het niet meer aan te slepen. Ik vind dat het absoluut herdrukt moet worden.

De vaders van de gedachte (1998)
Nanne Tepper (1962 – 2012) 

Marijn Sikken: Deze lijst gaf me een goed excuus om mijn exemplaar van de prachtige novelle De vaders van de gedachte van Nanne Tepper er weer bij te pakken. Tijdens het lezen stuitte ik op vouwtjes en hoekjes, wat niet alleen een herlezing betekent van het betreffende boek, maar ook van mijzelf: wat vond ik de vorige keer dat ik dit las (en vijftien was of zestien) zo goed? Wie was ik toen en waar vind ik dat op deze pagina’s terug?
Terug naar Tepper. De vaders van de gedachte gaat over de liefde van een vader voor zijn zieke dochter (en andersom) en over wat kunst vermag. Het is een liefdevol en lyrisch geschreven verhaal in een haast ademloze stijl waarin desalniettemin ruimte is voor observaties over moeders en tantes die ‘klitten om hun verdriet’, de dubbele hartslag van de treinen, een dochter die opmerkt hoe triest hotelkamers met televisie eigenlijk zijn.
De tragische machteloosheid van de vader wordt afgewisseld met een uitstekend vervelend puberperspectief, hier en daar een (flauw) grapje houdt het luchtig. Dat is goed, want het is wel degelijk een droevig verhaal. Je kunt De vaders van de gedachte een road novel te polder noemen, lekker Hollands, maar het is zoveel meer. Een aanrader voor iedereen die wel van een literair achtbaanritje houdt – o god, zei ik dat echt?

De beroepsherinneraar en andere verhalen (1996)
Anil Ramdas (1958 – 2012)

Vamba Sherif: Anil Ramdas is de James Baldwin van Nederland. Voordat thema’s als culturele toe-eigening, de multiculturele samenleving en de discussies over Zwarte Piet onderwerpen van gesprek werden, had hij deze thema’s al uitvoerig geanalyseerd en verwoord. Het maakt zijn werk nog steeds urgent en relevant, een weerspiegeling van wat we waren, van waar we zijn en kunnen zijn. Nergens is dat duidelijk dan in De beroepsherinneraar en andere verhalen, waarin de essays, verhalen en journalistieke stukken over deze thema’s nog steeds ontroeren, verbazen en verwonderen. Het is een boek van onze tijd.

Een huwelijk in het jaar 2020 (1923)
Maurits Wagenvoort (1859 – 1944)

A.H.J. Dautzenberg: Een kleine eeuw geleden verscheen bij Meulenhoff de toekomstroman Een huwelijk in het jaar 2020 van Maurits Wagenvoort, een schrijver uit de vriendenkring van Louis Couperus. Het boek was niet dystopisch van karakter, zoals de meeste romans die een verre toekomst proberen te schetsen, maar opvallend optimistisch getoonzet. Uit de asresten van het verderfelijke kapitalisme is een nieuwe samenleving geboren waarin de mensen vreedzaam met elkaar kunnen leven. Er is geen rassentegenstelling meer, de Joden hebben zich verzoend ‘met den Islam’, en ook mannen en vrouwen zijn gelijkwaardig. Kinderen worden opgevoed in een Kindertuin, op afstand van de ouders, opdat ze gelijke kansen krijgen. Het celibaat is afgeschaft, net als het koningshuis, en schrijvers worden niet langer ‘in hun fantasie gekortwiekt door materieele levenszorgen’ – vooral dat laatste is behoorlijk utopisch.
Communicatie verloopt via de fotofoon, een soort internet avant la lettre. ‘In de fotofoonlokalen zag men de bezoekers in afgesloten ruimten, ieder van een toestel voorzien, dat zij aan een oor hielden, terwijl hun oogen gericht waren op een projectie op witte wand, waardoor zij de vooraf aangekondigde gebeurtenissen konden bijwonen overal ter wereld, ieder naar eigen belangstelling.’
De Thermen nemen een centrale rol in binnen de door Wagenvoort geschetste toekomst. Elke dag komen de mensen hier samen om lichamelijk én geestelijk aan te sterken. De mensen lopen rond in witte gewaden en in de badruimten is nagenoeg iedereen ongekleed. ‘Ofschoon al deze mannen en vrouwen van allerlei volwassenheid volkomen naakt waren, werd het oog door geen wanstaltigheid of overmatige vetvorming beleedigd en, wijl van der jeugd in de Kindertuinen aan deze krachtspelen gewend, leek het bewustzijn der geslachtelijke verschillen niet in hun denken te leven.’ De roman weerspiegelt overduidelijk de opkomst van het socialisme aan het begin van de twintigste eeuw, het maakbare leven, het maakbare geluk.

Als jij kon kruipen in mijn huid (2006)
Stipo Jeleč (1976)

Jelte Nieuwenhuis: 2007. Ik wilde redacteur worden, bouwde aan een netwerk in de literaire wereld en kende precies één schrijver: Janneke Jonkman. Janneke kende een andere schrijver. Stipo Jeleč was een paar maanden eerder gedebuteerd met de roman Als jij kon kruipen in mijn huid, maar zijn uitgeverij Vassalucci was in diezelfde periode failliet gegaan, waardoor zijn debuut een beetje ‘verweesd’ was geraakt en amper was opgemerkt door de literaire pers.
Ik las het boek en viel van mijn stoel. Een zeer zintuiglijke, muzikale en intense Bildungsroman over ontluikende (homo)seksualiteit, beschreven tegen de achtergrond van de Balkanoorlog. Ik kon niet geloven dat de roman van deze in 1992 naar Nederland gevluchte Bosnische Kroaat nauwelijks was bejubeld. En hoewel ik inmiddels beter snap dat literair succes vaak van toevalligheden aan elkaar hangt, kan ik het eigenlijk nog steeds niet geloven.

Bougainville (1981)
F. Springer (1932 – 2011)

Joost de Vries: De romans van F. Springer zijn allemaal klein, elegant, weemoedig en onweerstaanbaar. Ze lijken in zoverre op elkaar dat ze bijna allemaal over oud-diplomaten gaan die terugkijken op een leven dat ze leefden ver weg op een buitenlandse post, waar ze een nieuwe vriendschap sloten en een exotische liefde vonden. Mijn favoriet is het melancholische Bougainville, net weer opnieuw in druk verschenen. Natuurlijk zijn die verliefdheden tragisch stand, natuurlijk worden de mooie vrouwen verslonden door de politieke ontwikkelingen in de landen waar de hoofdpersonen slechts passanten zijn. Ze keren naderhand terug naar hun grijze ambtelijke bestaan en denken: heb ik dat echt allemaal meegemaakt daar?

Leila (1993)
Huub Beurskens (1950)

Maarten Asscher: Eigentijdse schrijvers als Kees ’t Hart en Wessel te Gussinklo laten zien dat je in een roman ook met vertelplezier wezenlijke onderwerpen aan de orde kunt stellen. Lichtheid en ernst kunnen heel goed samengaan. Een helaas totaal vergeten roman getiteld Leila van de nog altijd zeer actieve schrijver Huub Beurskens valt ook in die categorie. Het boek verscheen oorspronkelijk in 1993. Leila is een van oorsprong Egyptische prostituee, die bij toeval de obsessie wordt van de jonge systeemanalist Boy Bouvé. Dat is het uitgangspunt voor een virtuoos en bij vlagen hilarisch verhaal, waarin Caïro en Amsterdam-Oost samenvloeien in een hallucinerende desoriëntatie. De roman maakt enerzijds maximaal gebruik van het thema multiculturaliteit en van de bedrieglijke wereld van het oriëntalisme, anderzijds barst het boek als een typisch hedendaagse Europese roman van de literaire en kunstzinnige spelletjes. Het resultaat is een met plezier en vaart geschreven verhaal, dat als nieuw romandebuut van een onbekende schrijver anno 2017 direct een enthousiast onthaal zou krijgen, compleet met nominaties en prijzen. Dat zal niet meer gebeuren, maar u kunt Leila antiquarisch gewoon zelf ontdekken. Doen!

Het veer (1959)
Simon Vestdijk (1898 – 1971)
Samen met vijf andere novellen eerder gepubliceerd in: De bruine vriend (1935)

Alfred Birney: Ik bezit de voorbeeldige novelle Het veer in een oude, beduimelde pocketuitgave. Het Literatuurmuseum bezit het handschrift. Op de lijntjes van het cahier ligt in de woorden een leger boogschutters verborgen, die woedend hun pijlen op de hemel richten. Over hun ruggen stapt een verschoppeling, zwervend in de middeleeuwen, getekend met schrikaanjagende uiterlijke kenmerken.
Zijn verschijning is groot en stoer, roept overal verzet op, hij gelooft in god noch gebod, maar durft nauwelijks te reppen over een voorval tijdens zijn geboorte, wellicht een terloopse verwijzing naar de afkomst van zijn schepper: kleinzoon van een in Haarlem gevonden vondeling, gevonden op de hoek van de Dijkstraat en de Oostvest en aldus vernoemd naar een halfslachtig huwelijk van deze straatnamen: Vest + Dijk. Simon Vestdijk schreef schijnbaar achteloos in enkele dagen zijn meesterlijke, op wereldniveau geschreven novelle Het veer, waarin de ongeliefde held in het najaar van 1348 voor de zwarte dood uit reist, of hem op de hielen volgt.
Op een kaart van een Dominicaner ziet hij zijn zwerftochten in bird’s eye view terug. Hij kiest steden die met ziekten zijn bedreigd, laakt het egoïsme, de roofzucht en de wreedheid van de mens en ziet tovenaars schatrijk en heksen verbrand worden. Al die zooi duivelbanners, kannibalen en ouders die hun kinderen verlaten zijn hem vijandig. Wanneer hij tussen vluchtelingen bij een rivier op de veerman wacht, ziet hij aan de overkant een rij dorpen liggen waar de pest nog niet is geweest. Hij stapt als eerste in de boot en zal die als laatste verlaten. Hij heeft zich dan volledig bekeert tot handlanger van de pest en de novelle echoot uiteindelijk de satirische toon van Erasmus, die in zijn Lof der zotheid vromen en kooplieden in al hun kleinheid te kijk zet. Als de pest een godsgericht is, dan vormt zijn handlanger een aanklacht op het liederlijke leven dat de mensheid leidt.
Simon Vestdijk schrijft deze novelle zoals Jeroen Bosch schilderde: hallucinerend, weerzinwekkend en technisch volmaakt. Het veer verscheen in 1935 en is misschien wel zijn laatste volledig handgeschreven werk, voordat hij zich bekeerde tot de typemachine. De doorhalingen in de tekst zitten vol gitzwarte inktvlekken, alsof de schrijver het papier met de pest wilde besmetten. Het wordt eens tijd voor een nieuwe, slijtvaste uitgave, gratis verspreid in de Boekenweek.

De keisnijder van Fichtenwald (1976)
Louis Ferron (1942 – 2005)

Marita Mathijsen: Twaalf jaar is Louis Ferron dood, en hij telt niet meer mee. Aan erkenning bij leven heeft het hem niet ontbroken, prijzen genoeg. Maar wie leest hem nu nog, wie citeert hem, wie heeft hem in zijn geheugen zitten? Ik was indertijd verpletterd door zijn combinatie van barok taalgebruik, zijn lichtvoetige verwijzingen naar wereldschrijvers en -denkers, en zijn tomeloze hyperbolen van de werkelijkheid. Het was de tijd waarin Revisor-proza overheerste, dat geciviliseerde bijgeschaafde kunstproza, ook mooi, maar niet zo krachtig als de stijl van Ferron. Ik kreeg er een keer ruzie om met Nicolaas Matsier, die vond dat ik niet én van Ferron kon houden én in de Revisor kon publiceren.
De keisnijder van Fichtenwald maakte het meeste indruk op me. Ik zie dat ik de eerste druk uit 1976 in mijn kast heb staan, kromgelezen, met wijn- en koffievlekken. Het zou Ferron en zijn gebochelde hoofdfiguur, Friedolin, plezier doen als ik ook nog op andersoortige vochtvlekken kon wijzen. Alles in dit boek zet de wereld op zijn kop. Wat begint als een prachtige natuurbeschrijving, blijkt de omgeving van een concentratiekamp te zijn. Liefde vergroeit tot ranzige seks.
De bochel van Friedolin is geen lichaamsgebrek maar een vracht aantekenboekjes die hij continu op zijn rug draagt. Wie Ferron leest, moet zorgen zelf stevig in het leven te staan, anders vergaat je de lust erin. Wat hem onvergetelijk maakt voor mij, zijn die gecompliceerde spinsels, die verder gaan dan je voor mogelijk houdt. En dan de zinnen waarin hij zijn morbide spinsels neerzet. Weinig schrijvers is het gegeven alle vermogens van het Nederlands zo uit te buiten als hij doet.

Wachten en andere heldendaden (2015) 
Freek Mariën (1988)

Philip Huff: Ik las Wachten en andere heldendaden van Freek Mariën afgelopen voorjaar in een kamer op een heuvel aan de rivier de Hudson in New York. Het was een van de weinige Nederlandstalige boeken in de bibliotheek van het huis waar ik verbleef. Wachten… is een toneeltekst met de regie-aanwijzingen geschreven in de verleden tijd: ‘Ze liepen rond’, ‘Ze bleven staan’ (ik parafraseer, het kan ook zijn geweest: ‘Ze hebben rondgelopen’, etc.), en aan het begin is op papier niet duidelijk wie deze ‘ze’ zijn, en wie van hen aan het woord is, maar in je hoofd wel.
Het stuk — over vijf, nee, vier grenswachten (dat is de hele spil van het verhaal: een van hen is ineens vertrokken) — komt in je hoofd tot leven. Langzaam krijgen de karakters reliëf, een gezicht, een verhaal. Het is een theaterstuk dat zichzelf in je hoofd opvoert terwijl je het leest – een verkenning van vertrouwen en wantrouwen en zin en onzin met prachtige zinnen als: ‘Dat is een feitelijkheid’ en: ‘Wij gaan uw nagels in onze mond steken… en er op kauwen’.

Stadsgerechten (1977)
A. Moonen (1937 – 2007)

Stella Bergsma: Spreek uit: A punt Moonen. (‘Waar de A voor staat? Voor de punt’). Een onterecht vergeten unieke stem in de Nederlandse literatuur. Onderschat, wat mij betreft, maar dat overkomt de meesten die over seks schrijven. En A punt schrijft over seks. Seks en andere lichamelijke ongemakken. En hoe. Reddeloos, radeloos, remmingloos. Geen decorum, bescherming, versiering. Alleen de rauwe realiteit die je in je bek swaffelt. Hij wordt vaak vergeleken met Reve vanwege zijn humor en archaïsche taalgebruik, maar heeft wat mij betreft een stijl die op zichzelf kan staan. Genreloos, gêneloos en argeloos. Hij schrijft niet zonder condoom, zoals ik dat graag noem, maar zonder huid. Egoliteratuur zonder ego. Dat wat men liever verborgen houdt, laat hij zien. Daar waar men zich schaamt, daar begint Moonen juist met schrijven. Waar het interessant wordt dus.
Als je een boek zou laten strippen, dan zou je Stadsgerechten overhouden. Het bestaat uit dagboekflarden, fragmenten vol verveling en ellende. Geen zingeving, escapisme, personages en plot. Een boek zonder verhaal. Ik houd er van. Een boek zonder broek. Moonen draait zich om en laat ons zijn kont zien. Zelden zag ik iemand zo meedogenloos eerlijk. Zo schrijft alleen een gek, een excentriekeling. Daar hebben we er maar weinig van in dit doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg brave tuttelandje. Die moet je koesteren.

De grote zaal (1953)
Jacoba van Velde (1903 – 1985)

Eppo van Nispen: Een fantastisch romandebuut over een oude dame die vanwege haar broze gezondheid ongewild haar laatste dagen moet slijten in een verzorgingshuis. Het is een adembenemend eigentijds verhaal, en dat terwijl de roman uit 1953 stamt.
De treurigheid van het overgeleverd zijn aan zorg gaat letterlijk door merg en been. Geen gezellig boek voor op het strand maar juist daarom moet je het daar lezen. Het raakt. Van Velde schreef acht jaar later nog een tweede roman: Een blad in de wind, die minder goed werd ontvangen. Ze begon aan een derde, De verliezers, maar heeft die nooit voltooid. Uiteindelijk stierf ze zelf in een verpleeghuis.

Pijpelijntjes (1904)
Jacob Israël de Haan (1881 – 1924)

Gerbrand Bakker: Jacob Israël de Haan hanteert in Pijpelijntjes een bedwelmend taalgebruik dat gemaakt lijkt te zijn voor dit boek (na vijf zulke boeken zul je er wellicht een beetje misselijk van worden) en hij deed zijn best het boek plotloos te laten zijn. Naturalisme op zijn best. Hij was 22 jaar oud toen hij het schreef en het boek kwam uit in 1904, 67 jaar voordat Maurice van de laffe E.M. Forster gepubliceerd werd. (Ter verdediging van Forster: in Groot-Brittannië werd homoseksualiteit pas in 1967 legaal, terwijl de strafbaarheid in Nederland al begin 19e eeuw opgeheven werd).
Veruit de grootste kracht van Pijpelijntjes is de verpletterende vanzelfsprekendheid van de liefde tussen Sam en Joop. Die wordt nergens geproblematiseerd, het is dus geen thema, zoals je ook van Der Tod in Venedig van Thomas Mann zou kunnen zeggen dat homoseksualiteit geen thema is. Dat is goed. Zo moet het. Het is. Ik zou het boek vooral mensen willen aanraden die normaal gesproken ergens in augustus ‘voor de lol’ de Canal Parade in Amsterdam gaan bekijken.

Er moet iets gebeuren (2015)
Maartje Wortel (1982)

Jan van Mersbergen: Een sterke passende vertelstem, dat heeft ieder verhaal nodig. Soms gebeurt het dat je een schrijver die dominant en heel sterk een verhaal vertelt hoort voorlezen en dat alles klopt. Dat overkwam me toen Maartje Wortel in een bar bij het Leidseplein haar verhaal Daar is de hond voorlas. Haar bijzondere stem en de manier waarop het droogtragische verhaal verteld werd vielen perfect samen. Een man en een vrouw begraven hun hond en missen het dier. De vrouw vraagt de man of hij de hond wil nadoen, dan is hij er voor eventjes weer. Hij sputtert tegen maar blaft dan toch en raakt enthousiast.
Ik luisterde naar Maartje en raakte ook enthousiast. Ik wilde meeblaffen. Toen het verhaal uit was vroeg ik haar of het al ergens gepubliceerd was en zo nee, dat ik het in het komende nummer van de Revisor op zou nemen. Dat lukte. Later is het verhaal ook opgenomen in Maartjes bundel Er moet iets gebeuren. Maar het was al gebeurd.

Weekendpelgrimage (1957)
Tip Marugg (1923 – 2006)

Maartje Wortel: Tip Marugg is misschien niet ontzettend vergeten, maar verdient toch meer aandacht. Het is een van de beste schrijvers die ik ooit las.
Ik vind het moeilijk om uit te leggen wat er zo bijzonder is aan zijn werk. Al zijn werk voelt heel verdrietig. Maar omdat hij zo nabij is in de taal, voelt het toch ook alsof je dat verdriet samen doormaakt, waardoor het zowel zwaar als licht is. In Weekendpelgrimage, het boek dat ik kies, schrijft hij heel tastbaar en heel gevoelig over het eiland en eenzaamheid en dronkenschap.

Jagers zijn wij, en ook prooi (1987)
René Stoute (1950 – 2000)

Erik Jan Harmens: René Stoute registreert de zelfkant, of zoals hij zelf noemt: de afgrondmens, op indrukwekkende wijze. Het stelen om aan geld te komen voor drugs, wordt op dostojevskiaanse wijze verwoord: ‘De positie van het niet hebben is nergens mee te vergelijken, behalve met het hebben.’ Hoe ruw de enscenering ook, Stoute formuleert zorgvuldig en beschouwend. Na een arrestatie achterin een politiebusje wil de verteller op dat moment nog niet denken aan de ‘vernedering en daarna de folteringen’ die hem schijnbaar even later te wachten zullen staan. Hij wil daar ‘nu geen woorden aan geven, om het proces niet te versnellen’. Waarna hij verzucht: ‘Ik heb geen schakelaar waarmee ik alles uit kan zetten. Ik heb mijn tijd niet goed benut.’
Dit boek, slechts 64 pagina’s dik, zit vol met details doorspekte streetwise levensverhalen, die allemaal gaan over het ‘have or have not’, opgetekend in slechts enkele halen tekst. Een anekdote laat me nooit meer los: een man komt thuis, vindt zijn vrouw hangend in het trapgat, haalt haar naar beneden en volgt, gebruikmakend van hetzelfde touw, haar voorbeeld. Dramatisch, ja, akkoord, maar het is ook teder, lieflijk, en zelfs romantisch.

Lang weekend (1969)
Walter van den Broeck (1941)

Herman Brusselmans:  Van den Broeck is een grote naam, vooral in de Vlaamse Letteren, maar wordt al jaren niet meer op waarde geschat, hoewel ook z’n recente romans bijzonder goed zijn. Lang Weekend is echter een roman uit 1969, z’n tweede, en het is een klassieker simpelweg omdat het een van de grappigste, meest absurdistische romans uit de Vlaamse literaire historiek is. Mij heeft het boek als schrijver ten zeerste beïnvloed.

Eva (1927)
Carry van Bruggen (1881 – 1932)

Paul Abels: In 1927 verscheen Eva, de eerste Nederlandse stream-of-consciousness-roman, een boek boordevol gedachtepuntjes, over het bewustwordingsproces van een uiterst sensitieve vrouw. Dit boek is als het ademen van een mens. Carry van Bruggen werkt in de roman op een verpletterende manier haar filosofisch standaardwerk Prometheus uit door Eva na te laten denken en voelen over wat liefde en lijfsverlangen is.
Aanvankelijk geeft zij Frederik van Eeden gelijk: de liefde maakt het lijfsverlangen goed. Later draait zij het om: neen, het lijfsverlangen maakt de liefde goed. Haar nerveuze nadenken over haar plaats in de wereld, haar heen en weer geslingerd worden tussen de drang om in de massa op te gaan en de drang om je als individu te onderscheiden, haar afkeer van ‘de kraal van het platte geluk, de omheining van de lage rust’, haar scherpe ideeën over de rol van het joodse geloof, de burgerlijke moraal en vooral ook de rol die haar opgelegd wordt als vrouw – dat alles maakt Eva tot een heel moderne roman. Die je nog steeds aan de botten komt.
Carry van Bruggen eindigt haar boek zo: ‘En het is wel niet heelemaal waar, zooals Montaigne het zegt, en eigenlijk…. is er heelemaal niets van waar…. maar het is aardig om in jezelf te zeggen, om tegen jezelf te zeggen in de stilte van den laten winteravond, met de maan tusschen de populiertjes, boven het dak, boven de slapende kinderen, en het licht dat uit het open huis in het tuintje vloeit…. en een deur slaat toe, en een grendel knerst…. en het einddoel van alle wijsheid is het rustig tegemoet zien van den dood.’
Vijf jaar na de publicatie maakte de schrijfster een eind aan haar leven.

Het leven en de wandelingen van Meester Maarten Vroeg (1821 / 1822)
Jacob Vosmaer (1753 – 1824)

Yvonne Keuls: Schetsen uit het leven van een dorpsbarbier/chirurgijn, die ’s morgens als barbier de kinnen van de boeren scheert en zich ’s avonds als chirurgijn moet bekommeren om de ongemakken van deze boeren. Op weg naar deze ‘lijders’ moet hij vele kilometers wandelen en hij gebruikt deze tijd met overpeinzingen betreffende deze mensen, ‘hetwelk mijn standvastige gewoonte was’, maar ook over ‘de geest des tijds’, terwijl hij tegelijkertijd op onderhoudende wijze de wanpraktijken en misvattingen op het gebied van de geneeskunde te lijf gaat.
Het taalgebruik van Jacob Vosmaer is kostelijk. Zelden heb ik me met een boekje (slechts 126 pagina’s) zo geamuseerd. Ik durf te zeggen dat het mijn lijfboek is geworden. Ik laat twee willekeurige zinnen volgen als voorproefje. De zin waarmee het verhaal begint: “Dat Ds P. bezweken is, neem ik niet op mijn rekening; ik wil ook niet zeggen, dat dokter B. het kan helpen; en ik zou voor het naast denken, dat het zo heeft moeten wezen.
Een andere zin: “Ik ben machtig ingenomen met mijn kennis van ’s mensen lichaam, en de hemel weet, hoeveel hoofdbrekens en nachtbrakens het mij gekost heeft, om het onderscheid te vatten tussen een ader en een slagader, een pees en een zenuw, om te onthouden, waar de longen en de lever zitten, en vooral, dat de mens, behalve zijn ziel en zijn lichaam, nog een levensbeginsel heeft, waardoor hij leven kan, zonder een ziel nodig te hebben.’
Kortom, Jacob Vosmaer verdient het om uit zijn literaire graf te herrijzen.

Veertien vrouwen (1974)
Bibeb (pseudoniem van Elisabeth Maria Lampe – Soutberg, 1924 – 1992)

Jente Posthuma: Een jaar of tien geleden lag ik ‘s nachts wakker en besloot ik de beste interviewer van Nederland te worden. Daarna viel ik in slaap. En dat was dat. Maar ik heb altijd een grote interesse in het geschreven interview gehouden.
Ik las de interviews van Ischa Meijer, de gebundelde Parool-interviews van Willem Wittkampf en de interviews van Bibeb uit Vrij Nederland. Ischa Meijer zei aan een gesprek van drie kwartier genoeg te hebben, Willem Wittkampf trok er vijf of zes uur voor uit en het is bekend dat Bibeb interviewsessies hield die dagenlang duurden.
Ze was dwingend, Ischa Meijer brutaal en Willem Wittkampf had een extreem goed geheugen. Hun interviews hadden niet de voorspelbaarheid en de kijk-mij-eens-diepgravend-interviewen-dit-wordt-vast-legendarisch-stijl van veel persoonlijke portretten in de krantenbijlagen tegenwoordig. Het was natuurlijk nog niet de tijd waarin iederéén interviewde. En misschien hielp het ook dat geïnterviewden destijds nog wat minder zelfbewust waren, nog niet zo gebrand op het tonen van hun kwetsbaarheid en de ongetwijfeld mooie reacties die ze daarop zouden krijgen.
Renate Rubinstein nam Bibeb eens kwalijk dat ze niet genoeg doorvroeg en confronteerde, waarop Bibeb zei dat dat een karakterkwestie is. Ze zei: ‘Ik ben er erg voor dat je moet zijn zoals je bent.’ Bibeb maakte ruzie met Germaine Greer, schreeuwde dat Greer niet zo moest schreeuwen en schreef dat op. Het is een van de interviews in de bundel Veertien vrouwen uit 1974: interviews met vrouwen die ieder op hun eigen manier onaangepast waren, sommigen uitgesproken feminist, anderen niet zo uitgesproken feminist en weer anderen – naar eigen zeggen – anti-feminist.
Wat ze gemeen hebben is dat ze zonder verontschuldiging uitkomen voor wie ze zijn (na een verhoor van een paar dagen kunnen ze misschien niet anders). Bibeb zelf ook. Ze vraagt Adèle Bloemendaal hoe wreed ze is, Andreas Burnier wat ze doet als iemand iets gemeens tegen haar zegt en Gloria Steinem of ze energie heeft voor meerdere minnaars tegelijk, omdat ze dat nu eenmaal wil weten.

De ontboezemingsbundel van Jopie Breemer (1913)
Jopie Breemer (1875 – 1957)

Christiaan Weijts: Wie bijna totaal vergeten is in onze letteren: Jopie Breemer, met zijn Ontboezemingsbundel uit 1913. Deze melkslijter annex bohémien zou helemáál vergeten zijn als Gerrit Komrij dat bundeltje niet eens in de jaren zeventig op een zolder in Laren per toeval vond. Meteen was hij getroffen en schreef, in Vrij Nederland, een ode aan Jopie. ‘Sublieme nonsens’ noemt Komrij Jopie’s gedichten: ‘Je ziet de eenvoud die alle anderen over het hoofd zien. Je maakt het ingewikkelde opnieuw eenvoudig. (…) Omdat je het zotte op ernstige toon bracht moest je het ernstige op een zotte toon brengen.’
Jopie was de gastheer van allerlei bohémiens, die bijeenkwamen in het ‘Jopie-hol’, een vroege voorloper van wat later sociëteit De Kring werd. Schilders, dichters, beeldhouwers, architecten en andere halve garen, klaplopers en uitvreters kwamen er samen. De gedichten van Jopie zijn hier en daar erg Komrij-esk, met het soort speelse pretentieloosheid waar het onze gewichtige literatuur nog wel eens aan wil ontbreken.
In 1998 schreef Komrij het voorwoord bij de eerste heruitgave, en alleen om dat voorwoord plus de  ‘ode aan jopie’ is die bundel al de moeite waard: ‘Je was een zonderling, zonder school, zonder na-apers, zonder sjacheraars in je kielzog.’

 

Peter van Straaten (1935 – 2016) over ‘Ik weet niet waar ik sterven zal’ van Multatuli

Tekenaar Peter van Straaten (1935 – 2016) over het gedicht ‘Ik weet niet waar ik sterven zal’ van Multatuli. Uit de bundel: Gedichten die mannen aan het huilen maken, 2015. Lees verder Peter van Straaten (1935 – 2016) over ‘Ik weet niet waar ik sterven zal’ van Multatuli

Bart Van Loo over Simenon, Charles Aznavour en Emile Claus


De culturele agenda van schrijver en conferencier Bart Van Loo. Gepubliceerd in HP/De Tijd, 4 november 2015.

BOEKEN

“Ik lees altijd en overal. Zelfs op het toilet. Dichtbundels zijn perfect om bij een doorsnee toiletbezoek door te bladeren. Zit ik wat langer, dan pak ik de brieven van Gustave Flaubert erbij. Meerdere bundelingen van zijn brieven zijn in het Nederlands verschenen, maar de mooiste blijft Haat is een deugd. Lees verder Bart Van Loo over Simenon, Charles Aznavour en Emile Claus

H.J.A. Hofland over het gedicht ‘Om één jaar jong te zijn’ van J.A. Dèr Mouw

Ik was een jaar of twintig toen ik de gedichten van Johan Andreas dèr Mouw voor het eerst las. Het was aan boord van het troepenschip de Kota Inten, ik was als soldaat op weg naar Indonesië. Lees verder H.J.A. Hofland over het gedicht ‘Om één jaar jong te zijn’ van J.A. Dèr Mouw

De 20 beste boeken die u nooit heeft gelezen

Wat is ’s lands beste boek dat niemand heeft gelezen? HP/De Tijd vraagt, geïnspireerd door de website GQ, twintig literatoren naar het boek waarvan zij vinden dat het onterecht in de vergetelheid is geraakt.  Lees verder De 20 beste boeken die u nooit heeft gelezen

Herman Brusselmans: ‘Ilja Leonard Pfeijffer is een pretentieuze eikel’

Acht columns per week, twee boeken per jaar: Herman Brusselmans (1957) is een veelschrijver. Op 17 mei verschijnt zijn zeventigste boek: Zeik en het lijk op de dijk. Heeft hij tussen het schrijven door nog wel tijd om te lezen, muziek te luisteren en films te kijken?  Lees verder Herman Brusselmans: ‘Ilja Leonard Pfeijffer is een pretentieuze eikel’

Stefan Hertmans: ‘Godsdienstoorlogen zijn de grootste stommiteit van de mensheid’

Toen hij van het CPNB de vraag kreeg om het Poëziegeschenk 2016 te schrijven, voelde hij zich tot de orde geroepen om eindelijk weer eens te gaan dichten.

Want Stefan Hertmans (Gent, 1951) was de laatste jaren vooral schrijver. Natuurlijk – hij had al een omvangrijk oeuvre literaire en essayistische teksten op zijn naam staan en werd daarvoor door velen geroemd, maar het verschijnen van zijn roman Oorlog en terpentijn(2013) veranderde veel. Het boek werd een regelrechte bestseller en werd overladen met literaire prijzen, waaronder de AKO Literatuurprijs en de Libris Literatuurprijs.

Dat boek maakte ook dat hij aan poëzie niet meer toekwam. Meer dan dertig jaar was poëzie ‘een constante ondertoon in mijn leven’, maar de succesroman verstoorde dat. “Ik merkte dat de stroom opdrogde, dacht dat de poëzie mij had verlaten omdat ik het te druk had”, zei hij daarover in een interview met Cultureel Persbureau. Vijf jaar na zijn laatste dichtbundel verschijnt deze week zijn nieuwe bundel, het Poëziegeschenk: Neem en lees.

Reden voor HP/De Tijd om hem te onderwerpen aan een ‘zelfportret’ – een maandelijkse serie vragen, gebaseerd op de beroemde questionnaire van Marcel Proust. 

Wat is uw huidige gemoedstoestand?
Ik ben heel rustig en tevreden met wat ik doe.

Wie zijn uw helden?
Ik houd niet van het begrip helden. Iemand een held noemen is hem buiten de gemeenschap plaatsen, hem op een voetstuk zetten. Iemand die een kind uit een brandend huis redt is geen held maar een mens die op dat moment zijn verantwoordelijkheid herkent. Als je die persoon een held noemt lijkt het of hij over bijzondere kwaliteiten beschikt die u en ik niet hebben, maar dat is niet waar. Ook wij kunnen een zometeen naar buiten lopen en iemand uit de ijskoude gracht redden.

Aan wie ergert u zich?
Ik erger me aan een boel mensen. Aan arrogantie, aan mensen die op sociale media voortdurend verzuurd hun cynische kritiek spuien en aan het gebrek aan verantwoordelijkheid. Bijvoorbeeld in het verkeer. Daar zie je de mens op zijn slechtst.

Lijkt u op uw vader?
Fysiek zie ik zelf weinig gelijkenissen, maar buitenstaanders zeggen weleens dat ik veel weg heb van mijn vader. Ik denk dat we dezelfde lichaamshouding hebben. En we proberen allebei onder alle omstandigheden onszelf te blijven. Een heel belangrijke eigenschap vind ik dit. Ik ben van de generatie – begin jaren zeventig gaan studeren – die een zogenaamde vadermoord wilde plegen. En dat heb ik ook gedaan, maar mijn vader heeft dat altijd aanvaard en heeft daar altijd met begrip op gereageerd. Nu ik ouder ben en zelf een zoon heb, heb ik dat meer leren bewonderen.

Lijkt u op uw moeder?
Ik leek tot mijn dertigste, vijfendertigste levensjaar fysiek heel erg op mijn moeder.

Wat zijn uw dagdromen?
Mijn dagdromen gaan bijna altijd over mijn huis in een klein dorpje in het zuiden van Frankrijk, waar ik veel meer tijd door zou willen brengen dan nu het geval is.

Wat is uw grootste angst?
Verdrinken. Het is voor mij een gruwelijk idee om te bedenken hoe groot de ruimte water is waarin je kunt verdrinken. Een keer ben ik bijna verdronken, toen ik met een jetski op Lake Powell in Arizona voer en in een hagelstorm terechtkwam.

Bidt u weleens?
Nee, niet meer. En dat is heel lastig als je gelovig bent opgevoed. Ik geloof dat het de Franse filosoof Georges Bataille was die zei: ‘Waar God zat zit nu een gat.’ En dat is waar: wanneer je gelovig bent opgevoed maar op een gegeven moment van je geloof valt, blijf je ergens een gemis voelen. En soms, als je heel bang of bezorgd bent, heb je de neiging om te bidden. Maar dat heeft geen zin. Je moet gewoon proberen rustig te blijven, want er is niemand die voor je kan zorgen. Bidden is voor veel mensen een soort EHBO-kistje. Zelden zullen mensen het bidden gebruiken om te danken voor wat goed is gegaan. Nee, ze vragen: help mij dat het goed zal gaan. Dat soort misbruik van het gebed, door het alleen te doen wanneer je iets nodig hebt, is voor mij de reden geweest om dat bidden heel snel af te leren.

Bent u aantrekkelijk?
Dat moet u aan de mensen vragen die mij kennen. Ik probeer mijzelf wel altijd bijzonder goed te verzorgen. Ik houd niet van onfrisse mensen. Een goede verzorging is de eerste voorwaarde voor aantrekkelijkheid. Iemand die je heel aantrekkelijk vindt maar plots uit zijn bek stinkt is niet meer aantrekkelijk. En daarbij: hij of zij toont geen zelfrespect. Ook dat is niet bepaald aantrekkelijk.

Wat is uw definitie van geluk?
In evenwicht zijn, zowel mentaal als lichamelijk. Geluk is voor mij nu ik ouder word niet meer het extatische, maar het rustig worden. Volledig in harmonie zijn met jezelf. Veel mensen denken dat geluk is wat je doet, maar geluk is juist hoe je iets doet.

Waar schaamt u zich voor?
Ik heb heel ongerichte onzekerheden over kleine details die anderen niet zien, maar waardoor ik mezelf soms afschuwelijk vind. Ik noem dat zelf: my own narcistic hell. Ik heb het bijvoorbeeld moeilijk op vernissages waar veel mensen zijn. Je moet dan met veel mensen een praatje maken, je hopt van het ene gesprek naar het andere, en hebt niet genoeg tijd en concentratie om een goed gesprek te voeren. Ik heb dan het gevoel dat ik tekortschiet tegenover mijn gesprekspartners. Het is belachelijk, het is kinderachtig, maar daar schaam ik me voor. Schaamte is egoïsme. Het is de achterkant van narcisme.

Bent u monogaam?
Ik ben van nature denk ik niet echt monogaam, maar ik ben heerlijk getrouwd met een bijzondere vrouw en ik ben haar trouw.

Wanneer heeft u voor het laatst gehuild?
Eergisteren bij het zien van de film La Vie d’Adèle, over een meisje van achttien dat verliefd wordt op een rijpere vrouw en haar ook weer verliest. Ik huilde geen tranen met tuiten, maar ik voelde wel dat ik helemaal volschoot en toch even in mijn ogen moest vegen.

Hoe moedig bent u?
Moed is iets dat getest moet worden. Maar ik denk wel dat ik altijd probeer op te komen voor dat wat ik mezelf als doel heb gesteld. En dat is een eerste vereiste van moed. Ik ben heel lang leraar geweest, heb studenten gehad die om een uur ’s nachts bij mij thuis op de wc een spuit in hun arm zetten en die dan drie uur lang wakker gehouden moesten worden omdat ze niet mochten wegzinken. In zo’n heftige situatie moet je op de weg proberen te blijven. Recht voor je uit kijken en denken: dit moet ik nu doen. Je verantwoordelijkheid nemen. Pas achteraf kunnen mensen dan zeggen: dat was moedig van hem. Maar daar sta je op dat moment niet bij stil.

Van wie heeft u het meest geleerd?
Van een leraar literatuur, die een wonder was wat betreft lesgeven. Iedereen werd betoverd door de manier waarop hij kon spreken. Hij ging van Monteverdi naar Baudelaire naar Bertolucci en gaf voor de vuist weg twee uur lang de meest fantastische colleges. Toen ik een jonge leraar was dacht ik: dit wil ik ook ooit zo kunnen. Ik wil zoveel rijkdom opdoen dat ik die met dezelfde bevlogenheid door kan geven aan mijn studenten. Van die man heb ik een vorm van generositeit geleerd.

Welke eigenschap waardeert u in een vrouw?
Intelligentie. En dat zij iets mannelijks heeft waardoor zij haar vrouwelijkheid kan relativeren.

Welke eigenschap waardeert u in een man?
Hetzelfde, maar dan andersom.

Als u iets aan uzelf kon veranderen, wat zou dat dan zijn?
Niets. Het is niet dat ik zo bijzonder tevreden ben met mezelf, maar ik vind dat je jezelf moet accepteren zoals je bent. Het enige dat ik misschien zou willen is opnieuw twintig jaar jonger zijn. Dat zou ik wel fijn vinden.

Hoe ontspant u zich?
Door te lezen, door muziek te luisteren of door te koken.

Van wie houdt u het meest?
De manier waarop ik van mijn vrouw houd is de manier waarop ik van haar het meeste houd, de manier waarop ik van mijn twee kinderen houd is de manier waarop ik van hen het meeste houd en de manier waarop ik van mijn vader houd is de manier waarop ik van hem het meeste houd.

Gelooft u in God?
Niet meer. Het is voor mij inmiddels onmogelijk om, met wat we inmiddels uit de wetenschap weten, me voor te stellen dat iemand aan het begin daarvan zou hebben gestaan. Dat is voor mij een interpretatie die tegen de feiten ingaat. Niemand kan ook bewijzen of er een opperwezen is of niet. Mensen maken elkaar al duizenden jaren dood om iets wat ze nooit kunnen bewijzen. Dat is de grootste stommiteit van de mensheid. Wel geloof ik dat de mens kan opgaan in iets groters – in een gemeenschapsgevoel, in ontroering, in schoonheid – maar daar heb ik geen God voor nodig.

Waaraan bent u het meest gehecht?
Ik ben heel erg gehecht aan kleine voorwerpen die ik al heel lang heb en altijd bij me steek: een zakmes dat ik dertig jaar geleden heb gekocht, een opschrijfboekje, een pen. Het geeft me een soort rust. Waar ter wereld ik ook ben heb ik het gevoel dat ik alles bij me heb.

Welk leed heeft u anderen berokkend?
Liefdesverdriet. Er kunnen momenten zijn dat je plots iemand in je herinnering weer voor je ziet en dat je denkt: God, wat ben ik hard geweest voor die persoon. Pas wanneer je zelf in zo’n situatie zit weet je wat je die persoon hebt aangedaan.

Wat beschouwt u als uw grootste mislukking?
Dat ik geen muzikant ben geworden. Ik heb wel muziek gemaakt maar ik had niet voldoende talent om door te gaan in de muziek, terwijl ik een broer heb die een fantastisch muzikant is.

Wanneer was u het gelukkigst?
Op het moment dat de meeste mensen hun midlifecrisis beleven, zo tussen hun negenendertigste en vijfenveertigste, was ik misschien wel het gelukkigst. Maar ik ben in principe nog steeds gelukkig. Je wordt alleen wat melancholischer als je ouder wordt: de jaren op je bankrekening smelten weg. Je hebt meer achter je dan voor je liggen. De eindigheid van dingen komt opeens ook heel dichtbij. Het euforische geluk dat je in het midden van je leven hebt, wanneer je het idee hebt dat er nog een eindeloos leven voor je ligt, is weg. Ik ben ook veel angstiger dan vroeger. Ik vind het niet meer vanzelfsprekend dat de dingen goed gaan. Ik ben als de dood dat er iets gebeurt met mijn zoon, mijn dochter, mijn kleindochter, mijn vader. Om helemaal onbezorgd gelukkig te zijn moet je naïef zijn, en dat ben ik niet meer.

Wat is de beste plek om te wonen?
Ik woon op een ontzettend fijne plek, een beetje buitenaf, net onder Brussel.

Wie hoopt u nooit meer terug te zien?
Ik heb onlangs de trieste moed moeten hebben om iemand die ik bijzonder graag zag als vriend uit mijn leven te schrappen. Keer op keer werd ik door hem verraden en gekwetst. Toen ik besloot dat de maat vol was heb ik hem opgebeld, hem vijf minuten verrot gescholden en zonder zijn antwoord af te wachten de hoorn op de haak gegooid. Ik zit daar vreselijk mee, maar het is zuiver op de graat. Het was de enige manier om hem kenbaar te maken dat hij mij pijn deed.

Hoe is ongeluk te vermijden?
Ongeluk kun je niet vermijden, hoe goed je ook uit je doppen kijkt. Het zal je altijd van achteren aanvallen.

Wat is uw devies?
Heb niet teveel deviezen, pas je aan de situatie aan.

Het Poëziegeschenk ‘Neem en lees’ van Stefan Hertmans wordt tijdens de Poëzieweek (28 januari tot en met 3 februari 2016) door boekwinkels aan klanten cadeau gedaan bij aankoop van € 12,50 of meer aan poëziebundels.

Hertmans-De-Liefde-©Marc-Brester-1