Recensie in Meander Magazine

Recensie van Joop Leibbrand (1943 – 2015) op de website van Meander Magazine, een site ‘met en over literatuur, tegenwoordig geheel gewijd aan poëzie.’

Quote: “Ik moet zeggen dat de bloemlezing waarover ik toen zij werd aangekondigd nogal sceptisch was, mij zeer meeviel. Er wordt weinig gehuild en er is weinig ijdel vertoon. (-) Gedichten die mannen aan het huilen maken is een bloemlezing om veel plezier aan te beleven. In ieder geval is het niveau opmerkelijk hoog.”

Lees de gehele recensie hier.

Zelfportret Bennie Jolink: ‘Bekende Nederlanders, dat zijn publiciteitsgeile narcisten’

Exact veertig jaar geleden, op Hemelvaartsdag 1975, gaf hij zijn allereerste optreden ooit. Bennie Jolink, voorman van de Achterhoekse band Normaal, legde die dag de basis voor wat later de dialectpop zou worden genoemd. Nu, veertig jaar en talloze hits later, vindt hij het welletjes geweest. Zijn gezondheid laat het niet langer toe om nog veel op het podium te staan. Met onder meer een jubileumconcert, de 4CD-box 40 Joar Høken, een documentaire en een laatste ‘veldtocht’ nemen hij en zijn band afscheid van hun ‘anhangers’.

Voor HP/De Tijd reden om Bennie Jolink (1946) te onderwerpen aan een zelfportret: een klassieke serie vragen, gebaseerd op de vermaarde questionnaire van Marcel Proust.

Meer lezen over Zelfportret Bennie Jolink: ‘Bekende Nederlanders, dat zijn publiciteitsgeile narcisten’

‘Gedichten die mannen aan het huilen maken’ vanaf nu overal te koop

Hoera! De bundel Gedichten die mannen aan het huilen maken is vanaf nu overal te koop.

Tip: wil je een boek via internet kopen, dan zou je dat kunnen doen via de webshop van je lokale boekhandel. Dan betaal je evenveel als wanneer je het boek via bol.com bestelt, maar dan verdient die lieve boekhandelaar uit je dorp of stad er ook nog iets aan.

Ook boekhandel Raadgeep & Berrevoets, al bijna honderdtachtig jaar gevestigd in het hart van mijn woonplaats Doetinchem, heeft een webshop waar je bijvoorbeeld onderstaand boek kunt bestellen.

11218537_10200468946883614_7055775662895332807_n (1)

Humo: voorpublicatie ‘Gedichten die mannen aan het huilen maken’

In de nieuwe editie van Humo (dinsdag 12 mei 2015) staat een voorpublicatie (vier pagina’s) van de bundel Gedichten die mannen aan het huilen maken, die op woensdag 13 mei 2015 in Nederland en Vlaanderen zal verschijnen.

In het blad, dat al jaren als een van de populairste tijdschriften van België geldt, staan onder meer de bijdragen van Herman Brusselmans, Herman Koch en Matthijs van Nieuwkerk voorgepubliceerd. Het volledige artikel lezen kan via Blendle.

De bundel Gedichten die mannen aan het huilen maken is hier te bestellen.

Lees ook:
Meer nieuws over dit boek.

H10 C1 C2

1357139
Foto: humo.be

Remco Campert schrijft nawoord voor Gedichten die mannen aan het huilen maken

Remco Campert (Den Haag, 1929) heeft het nawoord geschreven voor de bundel Gedichten die mannen aan het huilen maken. Campert, die later dit jaar de prestigieuze Prijs der Nederlandse Letteren ontvangt, is een van de grootste naoorlogse dichters van ons land. We zijn dan ook ontzettend vereerd dat juist hij de afsluitende bijdrage aan het boek heeft geleverd.

In de bundel geven ruim zestig vooraanstaande Nederlandse en Vlaamse mannen prijs welk gedicht hen ontroert. Onder meer Dries van Agt, André Kuipers en Matthijs van Nieuwkerk vertellen welk gedicht hen tranen in de ogen bezorgt. Vorig jaar schreef Remco Campert in zijn column in de Volkskrant al over de bundel.

De bundel Gedichten die mannen aan het huilen maken verschijnt op vrijdag 15 mei 2015. Het boek alvast reserveren kan hier. Je kunt me ook een mail sturen, dan hou ik een exemplaar voor je apart. 

Lees ook:
Nieuws over dit boek

Zelfportret

Eens in de zoveel tijd onderwerpen we op de website van HP/De Tijd een interessant persoon aan een ‘zelfportret’ – een vaste serie vragen, gebaseerd op de beroemde questionnaire van Marcel Proust.

>2018
28 juni 2018: Jan Sierhuis

>2017
14 december 2017: Eddy Posthuma de Boer
09 mei 2017: Mies Bouwman

>2016
28 januari 2016: Stefan Hertmans
07 januari 2016: Eefje de Visser

> 2015
18 december 2015: Domien Verschuuren
7 september 2015: Pieter Steinz
1 september 2015: Frank Lammers
25 juni 2015: Dick Matena
14 mei 2015: Bennie Jolink
09 maart 2015: Maarten Heijmans

> 2014
10 november 2014: Gustaaf Peek
22 september 2014: herman de vries
25 augustus 2014: Thomas Azier
14 mei 2014: Jett Rebel
21 maart 2014: Armando
27 februari 2014: Daan Heerma van Voss
19 januari 2014: Klaas Gubbels

De culturele agenda van… Adri Duivesteijn

Een voorproefje uit het interview met politicus Adri Duivesteijn in de nieuwe HP/De Tijd (nummer 5, 2015), die vanaf vandaag in de schappen ligt.

Literatuur
“(-) Kijken in de ziel: artsen en Kijken in de ziel: ondernemers van Coen Verbraak heb ik bijvoorbeeld met ontzettend veel genoegen gelezen. Het leuke van deze serie is dat je wordt meegenomen in de wereld en de denkpatronen van de ondervraagde beroepsgroep. Je ziet ook eens hoe zij de werkelijkheid zien. Schoonheid achter de schermen van Peter de Waard, over verzetsstrijdster Tiny Strobos, vond ik ook fascinerend omdat het de kracht van de eenling laat zien die in verzet komt. Een boek dat ik graag nog wil lezen is De Cirkel van Dave Eggers. Wat mij daar zo in aantrekt is dat het in de traditie van 1984 van George Orwell is geschreven. Eggers verklaart hoe je als het ware verstrikt raakt in het web van sociale media. Op een gegeven moment weten ze alles van je. Ik merk dat zelf ook. Om een heel cynisch voorbeeld te geven: sinds ik weet dat ik ongeneeslijk ziek ben zie ik op mijn webpagina’s advertenties voor uitvaartverzekeringen staan.”

Het land is moe van Tony Judt is een geweldige verhandeling over de ontevreden samenleving. Onze samenleving. Judt, die aan een spierziekte leed en dit boek vlak voor zijn dood heeft voltooid, geeft een verklaring voor het feit dat we alles hebben maar toch ontevreden zijn. Ook analyseert hij de positie van de sociaaldemocratie en brengt hij precies onder woorden wat ik voel. Hij schrijft hoe de sociaaldemocratie steeds verder verglijdt naar het neoliberalisme. Dat geldt ook voor de Partij van de Arbeid. De PvdA neemt haar partijbeginselen niet meer serieus. Judt zegt daarover: “Zonder idealisme wordt de politiek teruggebracht tot een soort boekhouden, resteert slechts het dagelijkse besturen van mensen en dingen. Een conservatief zal dat zo nodig overleven, maar voor links is het een catastrofe.” De PvdA, en in feite de hele progressieve beweging, raakt in toenemende mate zijn oorspronkelijke positie kwijt. Ik vind ook dat de voorhoede van de PvdA een geluid vertolkt dat te weinig het authentieke geluid van de PvdA is.”

Muziek
“Muziek is een belangrijk onderdeel van mijn leven. The Beatles vind ik fascinerend. (-) Als ik moet kiezen tussen Paul McCartney en John Lennon dan kies ik voor John Lennon. Paul McCartney is ook wel goed hoor, 7 juni ga ik samen met mijn dochters naar het concert dat hij geeft in het Ziggo Dome, maar John Lennon staat wat mij betreft meer in verbinding met mijn idealen. In zijn nummer GOD zingt hij bijvoorbeeld: ‘I don’t believe in Elvis / I don’t believe in Zimmerman / I don’t believe in Beatles / I just believe in me… and that reality.’ Kortom: ik geloof niet in een “concept by which we matter our pain” , zelfs niet in het door mij opgerichte instituut The Beatles, “the dream is over… but now I’m John. And so dear friends, You just have to carry on”.”

“Ik sla per definitie aan op muziek omdat iemand mij daarover tipt. De muziek van jazzpianist Keith Jarrett hoorde ik voor het eerst op een woonboot in Delft. Heel poëtische muziek vind ik het. Zoek The Köln Concert maar eens op: dat is hele romantische, dromerige improvisatie. Heerlijk om naar te luisteren. Het concert Live in Wien van tanguero Ástor Piazzolla werd mij ook getipt. De jazz van Brad Mehldau, dat is wel een bijzonder verhaal, werd mij getipt door collega-Kamerlid Willem Witteveen. In een gesprek over muziek vertelde hij mij dat de muziek van Brad Mehldau voor hem de allerbeste muziek was die er bestond. Een maand voordat hij overleed (Willem Witteveen zat in het neergestorte vliegtoestel MH17, red.) zijn we samen nog naar een concert van hem geweest in het Concertgebouw. Hoe Mehldau achter zijn piano de hele wereld laat zweven is ongelooflijk. Die muziek was zo mooi dat iedereen in een staat van geluk de zaal verliet.”

Duivesteijn in het kort
Adri Duivesteijn (Den Haag, 1950) is namens de Partij van de Arbeid lid van de Eerste Kamer. Duivesteijn begon zijn carrière als actievoerder in de Schilderswijk in Den Haag. Later was hij onder meer wethouder van ruimte ordening en stadsvernieuwing in Den Haag (1980 – 1989), directeur van het Architectuurinstituut (1989 – 1994) en lid van de Tweede Kamer (1994 – 2006). Na zeven jaar wethouder van volkshuisvesting en ruimtelijke ordening te zijn geweest in Almere, ging hij in 2013 aan de slag als senator in de Eerste Kamer. In 2014 werd bekend dat Duivesteijn ongeneeslijk ziek is. De prostaatkanker waarvoor hij sinds 2006 werd behandeld bleek niet meer te opereren. Na de Eerste Kamer-verkiezingen, op 18 mei aanstaande, beëindigd Duivesteijn zijn politieke carrière om meer tijd voor zichzelf en zijn gezin vrij te maken.

Stephen Hawking

10364002_4192991080464_1596507084322499054_n
Stephen Hawking en Nick Muller. Utrecht, 23 mei 2014.

Op 23 mei 2014 was Stephen Hawking – volgens velen een van de briljantste natuurkundigen aller tijden –  in Utrecht om op de Natuurkunde Olympiade PLANCKS een lezing te geven. Ik was een van de vijfhonderd mazzelaars die bij de lezing aanwezig mochten zijn en kreeg aan het eind van de bijeenkomst zelfs de gelegenheid om deze bijzondere man te ontmoeten. Een vraag stellen lukte niet – Hawking praat via een spraakcomputer en een spontane vraag beantwoorden kost teveel inspanning. Toen ik als een ware groupie vroeg of ik met hem op de foto mocht, knipperde hij met zijn ogen. ‘Stephen says it is okay’, zei zijn verpleger. Ik was zo blij met de foto dat ik er pas thuis achterkwam dat ik mijn gulp open heb staan en mijn overhemd heel raar in mijn broek zit gepropt.

Bericht op nos.nl:

Stephen Hawking spreekt in Utrecht

De wereldberoemde wetenschapper Stephen Hawking houdt vandaag een lezing in Utrecht. Publieke optredens zijn door zijn ziekte schaars geworden. Hawking lijdt aan ALS.

Hawking ging in op een uitnodiging van Nederlandse studenten. Hij houdt de lezing in het kader van de Natuurkunde Olympiade PLANCKS, waaraan 34 teams uit 14 landen meedoen. Het symposium start vanmiddag in het Beatrix Theater in Utrecht. De 500 kaarten waren binnen één minuut uitverkocht.

Zwarte gaten

Hawking verwierf wetenschappelijke wereldroem in de jaren 60 en 70, door zijn nieuwe visie op zwarte gaten en de ontstaanswijze van het heelal. “Hij was de eerste die de twee pijlers van de moderne natuurkunde, relativiteit en kwantumtheorie, op een gedurfde manier combineerde”, zegt Sander Bais, emeritus hoogleraar Natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam.

“Veel mensen zullen wel eens gehoord hebben van zwarte gaten. Die ontstaan als een zware ster instort door zijn eigen zwaartekracht. Er vormt zich dan een horizon rond een punt waar alle massa zich samentrekt. De theorie zei dat er niets maar dan ook niets uit een zwart gat kon komen, geen deeltjes, geen licht, geen informatie, niets.” En hier zorgde Hawking voor een radicaal keerpunt, aldus Bais. “Hij liet zien dat zwarte gaten helemaal niet zwart zijn, maar straling uitzenden. Daardoor verliezen ze steeds meer energie tot dat ze volledig verdampen. Die inzichten zorgen wereldwijd voor diepzinnige wetenschappelijk discussie.”

Verlamd
Hawkings lezingen klinken wat monotoon omdat hij spreekt via een spraakcomputer. “Die spraakcomputer stuurt hij aan met zijn pupillen”, verduidelijkt Bais. Op zijn 17de stelden artsen bij Hawking de diagnose Amyotrofische Laterale Sclerose (ALS). Een ziekte die de signaaloverdracht van zenuwcellen aantast, met spierverlamming als gevolg. De overlevingsprognose is gemiddeld drie tot vijf jaar.

Maar met de ziektevorm die Hawking trof, heeft hij inmiddels de leeftijd van 72 jaar bereikt. En nog steeds deelt hij zijn wetenschappelijke kennis graag met publiek, wanneer zijn gezondheidstoestand dat toelaat.

“Fysiek is Hawking totaal beperkt, zegt Bais. “Hij zit in een rolstoel en kan alleen zijn oog nog bewegen.” Het precieze thema van de lezing is zelfs voor de organisatie nog een verrassing, maar de overweldigende belangstelling verbaast Bais niets. “Hawking is de verpersoonlijking van denkkracht. Hij legt zo veel rust en efficiëntie in zijn taal en hij vertelt zo veel met zo weinig woorden. Ik bewonder hem om dat vermogen, om die kracht.”

Recensie: Jan Cremer is een schrijvende schilder, en niet andersom

Dit artikel is eerder verschenen op de website van HP/De Tijd.

“Jan Cremer is zonder twijfel een van de belangrijkste naoorlogse kunstschilders van Nederland”, zei directeur Ralph Keuning van Museum de Fundatie in Zwolle in de openingsrede voor de tentoonstelling Cremer in verf 1954 – 2014, “alleen heeft hij die plaats in onze kunstgeschiedenis nog niet verworven. Ik ben benieuwd of deze tentoonstelling daar verandering in brengt.”

Dat Jan Cremer (1940) als schilder miskend wordt, heeft hij grotendeels aan zichzelf te wijten. Zijn ‘onverbiddelijke bestseller’ Ik Jan Cremer (1964) maakte hem in een klap een van de beroemdste schrijvers van ons land. Maar de schilderende schrijver is van nature een schrijvende schilder, zoals ook de titel van zijn in 2000 verschenen monografie verklapt: I paint, I write, I paint. Het retrospectief Cremer in verf 1954 – 2014 toont de hoogtepunten uit zijn rijke schildersoeuvre. Van zijn allereerste schilderij Oerwoud tot zijn monumentale vijfluik La guerre Japonaise en zijn soms nog natte zeegezichten – voor het eerst sinds dertig jaar zijn zijn schilderijen weer bij elkaar gebracht.

Wie de tentoonstelling bezoekt, maakt een reis door het schildersleven van Jan Cremer. Die reis begint letterlijk en figuurlijk bij het schilderij Oerwoud, dat hij als veertienjarige branieschopper met wat van huis meegenomen kwasten, tubes verf en een bij het afval gevonden paneel in Parijs heeft geschilderd. Dat schilderij is duidelijk geïnspireerd op het werk van de CoBrA-groep. Het doet denken aan de vroege werken van Theo Wolvecamp en Karel Appel. Het schilderij is zijn eerste schrede in het kunstenaarschap, en meteen al niet de minste. Het rood, dat in zestig jaar tijd niet aan felheid heeft ingeboet, zuigt je werkelijk naar het doek toe. Opmerkelijk is dat de kleuren rood en zwart – die in het oeuvre van Jan Cremer een zeer belangrijke rol spelen – al in dit eerste werk dominant zijn.

La guerre Japonaise
Elke zaal – het retrospectief is opgedeeld in zes clusters – beslaat een periode uit het werk van Cremer: van zijn ‘Peinture Barbarisme’, de expressieve tulpenvelden die hij schilderde in New York en zijn latere zeegezichten – het hangt er. Het is ondoenlijk om elk cluster kort uit te lichten, daar is de tentoonstelling met ruim tachtig schilderijen te omvangrijk voor. Maar een werk dat in ieder geval niet onbesproken mag blijven, is het monumentale vijfluik La guerre Japonaise. Museumdirecteur Keuning noemt het ‘de Nachtwacht van de twintigste eeuw’. Nu is dat wel een heel joviaal compliment aan de schilder en het doek, maar dat dit het pièce de résistence is uit zijn oeuvre is, staat vast. Het is een schilderij dat je bij de kladden grijpt. In de eerste plaats al door de grootte: het doek is bijna zes meter breed en ruim anderhalve meter hoog.

La-Guerre-Japonaise-vijfluik-gemengde-technieken-op-doek-160-x-560-cm-1960

Dat is ook meteen het grote probleem van La guerre Japonaise: want waar laat je zo’n werk? Toen Jan Cremer begin jaren zestig naar New York vertrok, kon hij het schilderij uiteraard niet meenemen. Hij had het al eens proberen te verkopen voor het astronomische bedrag van een miljoen gulden, maar niemand – behalve het nieuwsgierige journaille – hapte toe. Of ja, toch wel. Er meldde zich één belangstellende: een excentrieke miljonair uit Canada. Hij was bereid de vraagprijs voor het vijfluik te betalen, mits de schilder hem zou beloven de komende tien jaar geen kwast meer aan te raken. Cremer: “Ik was in die tijd straatarm en toch sloeg ik de deal af. Die viezerik wilde mijn leven kopen.” Toen besloot hij het werk aan toenmalig vorstin Juliana te schenken. Als tegenprestatie zou zij alleen de huur van het depot moeten betalen. Met dit aanbod haalde hij de wereldpers, maar de koningin liet niets van zich horen.

In La guerre Japonaise, een sleutelwerk in zijn oeuvre, zit het kunstenaarschap van Jan Cremer vervat. La guerre Japonaise is oorlog – net als Cremer zelf. Letterlijk omdat het doek een weerslag is van de vele verhalen die hij tijdens zijn verblijf in een tehuis voor Indische spijtoptanten in Scheveningen heeft gehoord. Over de kampongs, de jappenkampen, en alle ontberingen die men daar heeft moeten doorstaan. Figuurlijk omdat de schilder altijd in gevecht is met het doek; met branders, teer en verf ging hij het te lijf. In een interview met NRC Handelsblad zei Cremer vorige week over het vijfluik: “Dit schilderij heeft letterlijk in brand gestaan. Net als de wereld. (-) Schilderen is oorlogvoeren.”
Die gestolde woede, dat statische geweld, voel je nog steeds als je er naar kijkt. De dikke klodders teer en verf zijn een fysieke uiting van de innerlijke woede en onrust van de schilder – zoals al zijn werk een fysieke uiting is van woede. Ook in zijn meer recente werken – de onstuimige zeegezichten waarmee hij, de eeuwige kunstnozem, op zijn oude dag aanhaakt bij de grote meesters uit de Gouden Eeuw – zie je die innerlijke onrust terug.

De overzichtstentoonstelling Cremer in verf 1954 – 2014 bewijst dat Jan Cremer met recht een van de grootste naoorlogse kunstenaars van ons land is. De manier waarop hij zich de afgelopen zestig jaar ontwikkeld heeft als kunstenaar, altijd op het allerhoogste niveau heeft gewerkt, is fenomenaal.

Jan Cremer gaat de geschiedenisboeken in als een schrijvende schilder, en niet andersom.

Het retrospectief Cremer in verf 1954 – 2014 is nog tot en met 23 augustus 2015 te zien in Museum de Fundatie in Zwolle.

???????????????????????????????

Het meisje en de moordenaar: Laura Cnossen fotografeert Richard Klinkhamer

HP/De Tijd Expo geeft jonge kunstenaars een podium om hun werk te tonen. Waarom? Omdat er veel moois wordt gemaakt én om uw ogen te verwennen. Deze week: Laura Cnossen uit Utrecht.

Laura Cnossen (Oosterwolde, 1993) is derdejaars student Fotografie aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Op dit moment werkt ze, naast andere (school)opdrachten, aan het project over schrijver-moordenaar Richard Klinkhamer.

Over haar werk
“De eerste vraag die mensen aan mij stellen als ik zeg dat ik regelmatig bij Richard Klinkhamer op bezoek ga, is: ‘Ben je dan niet bang?’ Nee, ik ben niet bang. Ik ben ervan overtuigd dat de moord op zijn vrouw Hannie (Richard Klinkhamer vermoordde zijn vrouw Hannie in 1991, begroef haar in de tuin en schreef er het boek Woensdag gehaktdag over – NM) een incident is geweest. Er was ruzie, de emoties liepen hoog op en toen gebeurde het. Meer niet. Ik heb niets van hem te vrezen. Hij vindt het altijd een feestje als ik bij hem op bezoek ga. Laatst zei hij wel dat als ik een man was geweest hij me allang had weggestuurd. Nu heeft hij, zo zei hij het tenminste, ook nog iets leuks om naar te kijken. Dat is de reden dat hij me tolereert in zijn leven denk ik. Hij krijgt niet vaak bezoek, dus altijd als ik kom is het feest.”

“Ik ken Richard Klinkhamer via fotografe Ilvy Nijokiktjien. Ik heb meegewerkt aan haar fotoboek Slagroomtaart en slingers, waarin ze honderd verjaardagen portretteert. Ik ging uit nieuwsgierigheid mee. In eerste instantie was ik nogal overweldigd door zijn huis: overal hangen foto’s, het is als het ware een grote collage. Hij was wel ontzettend aardig tegen ons, hij was blij met ons bezoek. Dat is hij nog steeds, iedere keer dat ik hem bezoek. Sinds afgelopen zomer hebben we bijna iedere week contact. Soms ga ik bij hem langs om foto’s te maken, soms spontaan een paar uurtjes om wat met hem te praten. Richard Klinkhamer schrijft nog steeds. Het eerste wat hij doet als ik bij hem kon is zijn laatst geschreven korte verhaal aan mij voorlezen. Na eentje vraagt hij altijd: “Je hebt wel even tijd toch?”, en dan komt de volgende. Laatst zaten we in de trein naar Rotterdam – we gingen kijken naar de tentoonstelling van Ilvy’s verjaardagen – en heeft hij mij een verhaal voorgelezen over zijn jeugd. Hij had het over kokosmatten, zwijntjesjagers. Hij zag aan me dat ik bepaalde woorden niet begreep – ik wist bijvoorbeeld niet dat een zwijntjesjager een fietsendief is. Daar heeft hij later ook nog weer een verhaal over geschreven: hoe hij aan mij kon zien dat ik bepaalde woorden niet begreep, omdat ik dan mijn wenkbrauw optrok.”

“In eerste instantie ben ik hem fotograferen omdat ik hem interessant vind. Hij leeft als een soort kluizenaar, gaat geen banden meer aan met mensen zodat hij na zijn overlijden ook niemand achterlaat. Ik wilde weten hoe hij leeft, hoe hij boodschappen doet, hoe hij de was doet… Ik wilde hem kortom beter leren kennen. Ik heb hem ook geportretteerd met een grootformaatcamera uit de jaren dertig. Ik hoop dat deze portretten, in combinatie met de foto’s van Richard Klinkhamer in het vreemdelingenlegioen en de foto’s van zijn interieur, de kijker aanzetten om zelf in te vullen wie de man is naar wie je kijkt. Ik vind dat hij dat verdient. Het is natuurlijk verschrikkelijk wat er is gebeurd, maar niet alle mensen zijn alleen maar goed of alleen maar slecht. Samen met Job van Rijn en Tom Jager heb ik een (nog niet gepubliceerd) boek gemaakt over hem gemaakt: De straat weet het wel, verwijzend naar een briefje dat hij kreeg toen hij in zijn huidige huis in de Jordaan kwam wonen. Daarop staat: ‘Wij zijn niet bang de straat weet het wel en zijn op onze hoede moet je nog een schep hebben voor het volgende slachtoffer we weten wie er woont en zijn er niet blij mee.’ Het boek is af, maar ik ben nog niet klaar. In principe ga ik door tot hij overlijdt; het lijkt me prachtig om zijn gezicht door de jaren heen te zien veranderen. Het zou mooi zijn als er aan het einde een verloop te zien is van zijn oude dagen. Tot die tijd blijf ik wekelijks contact met hem houden. En bang hoef ik niet te zijn, want: ‘De straat weet het wel.’”

Meer werk van Laura Cnossen vindt u hier.

HP1HP2HP3HP4HP5HP6HP8HP9HP10HP7