Lykele Muus: ‘Er wordt neergekeken op schrijvende acteurs’

Lykele Muus (32) is schrijver en acteur. Deze week verscheen zijn tweede roman: We doen wat we kunnen.

 

Kun je kort vertellen waar het boek over gaat?
We doen wat we kunnen gaat over twee bevriende gezinnen met elk een dochter die een vakantiehuis delen aan zee. Tijdens aan van de vakanties krijgen de meisjes een quad-ongeluk. Het ene meisje belandt in een coma waar ze waarschijnlijk nooit meer uitkomt, het andere meisje heeft ogenschijnlijk niks. Later veranderen de verhoudingen en worden de ouders voor een onmogelijke keuze gesteld.”

Hoe kwam je op het idee voor dit onderwerp?
“Het boek gaat over ouderschap, maar ook over duurzaamheid van relaties en het jezelf opofferen omwille van de kinderen en omwille van het samenblijven met je partner. Na de geboorte van mijn dochter merkte ik dat ik heel erg was veranderd, maar ook de relatie met de moeder van mijn dochter was heel erg veranderd. Op een gegeven moment werkte het gewoon niet meer tussen ons. Het ideaal is dat mensen die een kind hebben bij elkaar blijven. Ik vind dat helemaal niet het ideaal. Een kind heeft meer aan een goede scheiding dan aan een slecht huwelijk. Mijn ex en ik dragen het co-ouderschap over onze dochter en dat werkt uitstekend. Ik denk dat het, als je allebei carrière wilt maken en een zware baan hebt met onregelmatige uren, bijna onmogelijk is om samen een kind op te voeden. Je wilt een goede partner zijn en een goede ouder zijn, maar je wilt ook dichtbij jezelf blijven en carrière maken. Daarnaast wil je je sociale leven onderhouden en af en toe ook een moment van rust inlassen voor jezelf. Dat is bijna ondoenlijk als je met z’n drieën onder een dak woont. In de situatie waarin wij nu zitten – dus met twee ouders die allebei een drukke baan hebben – is het co-ouderschap de beste oplossing. Toen mijn ex en ik aan familie en vrienden vertelden dat wij uit elkaar gingen, zei iedereen: ‘O, wat erg voor jullie, wat jammer dat het is mislukt.’ Iets is niet mislukt als het stopt. In het boek schrijf ik ook dat je altijd opnieuw kunt beginnen. En dat is ook waar. Zelfs als je kind wegvalt, hoe verschrikkelijk dat ook is, betekent dat niet het einde van de wereld.”

In het boek schrijf je: ‘Omringd door andere ouders is het not done om te laten merken hoe zwaar het ouderschap eigenlijk is.’ Wat vind je zelf het zwaarst aan het ouderschap?
“Het houdt niet op. Als je wakker wordt ben je een ouder, als je gaat slapen ben je een ouder – je bent altijd verantwoordelijk voor het leven van je kind en dat van jezelf. Je kind mag niet dood maar je mag zelf ook niet dood. Dat bepaalt wel heel erg hoe je in het leven staat. Voordat ik een kind kreeg was ik veel impulsiever. Ik was veel onverschilliger en veel sneller met oordelen, ik had toch niets te verliezen. Nu denk ik over alles drie keer na.”

“Een kind heeft meer aan een goede scheiding dan aan een slecht huwelijk”

Je debuteerde in 2016 met Eland. Van welke fouten uit dat eerste boek heb je geleerd?
“Bij je debuut heb je het idee dat je moet bewijzen dat je een boek kan schrijven, bij je tweede heb je het idee dat je moet bewijzen dat je een goedboek kan schrijven. Eland bevatte teveel passages die niets met het verhaal te maken hadden. Ik dacht: die grappige passage laat ik erin, want dan kunnen ze zien dat ik ook met humor kan schrijven. Nu heeft elke passage een functie. Het gaat niet meer om mij als schrijver, maar alles staat in dienst van het verhaal. Eland heb ik heel impulsief geschreven, zonder duidelijk plan. We doen wat we kunnen is meer doordacht. Dat komt ook omdat dit boek als filmscenario begon, waarvoor ik me onder andere heb laten inspireren door het toneelstuk Carnage van Yasmina Reza. Dat scenario was al klaar toen het werd afgewezen door het Filmfonds, waarna ik het heb omgewerkt tot een roman.”

Je bent naast schrijver ook acteur. Zit dat acteurschap het auteurschap niet in de weg, in die zin dat je wordt weggezet als die acteur die ook zo nodig moet schrijven?
“Jawel, heel erg. Soms lijkt het wel of je in Nederland maar op een manier bekend mag zijn. Waarom zou je alleen maar schrijver of acteur kunnen zijn en niet allebei? Herman Koch is toch ook ooit begonnen als acteur? In andere landen zijn de kunsten veel minder gescheiden. Hier is het: schoenmaker blijf bij je leest. Ik merkte dat voor het eerst bij het verschijnen van mijn debuut. Niemand wilde erover schrijven. En als er al iets over werd geschreven, dan werd het boek genoemd in een lijst met boeken die geschreven zijn door een acteur, waarbij er met geen woord over de inhoud werd gerept. Collega-schrijvers denken vaak dat het door je bekendheid makkelijker is om aandacht te krijgen voor je boek. Het tegendeel is waar. Het is juist veel moeilijker. Er wordt door mensen uit het boekenvak heel erg neergekeken op schrijvende acteurs. Precies wat jij zegt: daar heb je weer zo’n acteur die ook denkt dat hij kan schrijven. Ergens snap ik dat ook wel. Ik vind het als acteur ook heel erg kut wanneer ik auditie doe voor een rol en ik later te horen krijg dat die rol is vergeven aan presentator Jan Versteegh. Aan de andere kant vind ik ook dat je je talenten mag laten zien. Waarom mag een presentator die goed kan acteren niet in een film spelen? Dat geldt voor een acteur die goed kan schrijven ook.”

We doen wat we kunnen gaat over onmogelijke dilemma’s. Als we het daar dan toch over hebben: nooit meer acteren of nooit meer schrijven?
“Nooit meer acteren. Ik verdien mijn geld met acteren, want met het schrijven van een boek verdien je niet zoveel, maar als acteur werk je toch altijd in opdracht van een ander. Ik zou alleen over deze vraag twijfelen als ik zelf mijn films en toneelstukken mocht schrijven, maar dat is niet aan de orde. Toneel is trouwens ook een uitstervende kunstvorm, dus dat idee moet ik misschien sowieso loslaten. Een boek schrijven, ook al kost het drie jaar van je leven en levert het weinig op, is voor mij het summum. Je kunt je eigen verhaal vertellen. Niemand kijkt over je schouders mee en zegt wat je moet doen. Het geeft ontzettend veel voldoening om te schrijven. Een boek is ook tijdlozer dan een film of een serie.”

“Ik wil bombarderen met waterballonnen, of desnoods een bom van stront”

Wat vind je zelf de mooiste zin uit het boek?
“De laatste zin, maar die zal ik hier niet citeren, want dan verklap ik teveel. Wat ik ook een mooie zin vind: ‘Het grootbrengen van kinderen gaat meer over het voorkomen van verdriet dan over het creëren van geluk.’”

Op welke Nederlandstalige schrijver ben je jaloers?
“Ik ben op niemand jaloers, maar ik bewonder wel bepaalde talenten van sommige schrijvers. De toewijding van Peter Buwalda, de beeldspraak van Tom Lanoye. Ik moet altijd huilen om de personages van Jaap Robben en ik bewonder Maartje Wortel omdat ze zware filosofieën heel lichtvoetig kan opschrijven.”

Tot slot: op het huis van welke schrijver zou je een precisiebombardement uit willen laten voeren?
“Ha. Laat ik vooropstellen dat ik niemand dood wil hebben en dat ik ook geen huizen kapot wil maken. Ik wil bombarderen met waterballonnen, of desnoods een bom van stront. Er zijn een paar mensen die ik hartstikke irritant vind als schrijver, maar die als mens vast hartstikke aardig zijn. Mano Bouzamour bijvoorbeeld. Ik vind het onbegrijpelijk dat zo’n ijdeltuit zo onevenredig veel aandacht krijgt voor zijn boeken en ik vind het heel irritant dat hij zich dat ook zo laat aanleunen. Ik ben begonnen in Bestsellerboy, maar ik las de eerste pagina’s en had geen idee wat er stond. Wat een draak van een boek is dat.”

Schrijver Jan Cremer: ‘Het Boekenbal stelt niets meer voor’

Jan Cremer (78) is schrijver en kunstenaar. Vorige week verscheen Canaille – het derde deel uit zijn autobiografische Odyssee-cyclus.

Verschenen op de website van HP/De Tijd. 22 maart 2019.

Zeg, waar gaat het boek eigenlijk over?

“Het gaat over de opkomst en ondergang van een beroemde primaballerina en de onmogelijke taak om voor het eerst van je leven een gezin te vormen. Het vormen van een gezin is mislukt: de moeder beschouwde haar zeven jaar met mij als een one-night-stand en de dochter die daaruit voortkwam ziet mij als haar spermadonor. Ik heb met beiden geen contact meer.”

Canaille maakt onderdeel uit van uw Odyssee-reeks. Hoeveel boeken zitten er op dit moment nog in uw hoofd?

“Ik ben dagelijks actief: schilderen in de zomer en schrijven in de winter. Op dit moment schrijf ik dus vooral. In mijn huis in Italië. Tien jaar geleden ben ik begonnen aan Sauvage, dat wordt het vierde deel uit de reeks. Sauvagegaat over mijn tijd in Frankrijk. Ik heb ook nog twee andere boeken in mijn hoofd zitten, maar daar wil ik nog niet teveel over vertellen. Ik hou er niet van om de huid te verkopen voor de beer is geschoten. Ik wil in ieder geval nog een boek schrijven over mijn visie op de kunstwereld en dan met name over het stalinisme in de kunst. Je leest t.z.t. wel wat ik daarmee bedoel. Ik wil ook een boek schrijven over mijn tijd als grensbewoner, over de zeven jaar dat ik in een Saksische boerderij op de Duitse grens schreef aan mijn epos De Hunnen.”

Waar schrijft u mee?

“Met potlood en pen maak ik notities, maar mijn minnaressen zijn mijn typemachines, mijn Triumph Gabrieles. Daar wordt alles op geschreven. Waar ter wereld ik ook was, of het nu Parijs, de Tropen of de Noordpool was, ik had er altijd een bij me.”

Wat verdient u met dit boek?

“Net genoeg om het hoofd boven water te houden. Kijk, als je rekent dat ik een vol jaar aan een boek werk, minimaal acht uur per dag, dan houd ik niets over. Ik krijg geen beurzen of stipendia. Wat ik met een boek verdien gaat meteen op aan achterstallige schulden. Toen ik op de kunstacademie zat in Arnhem woonde ik in een souterrain. Ik schreef op de muur: ‘Kunst is hongeren’. Dat is het nog steeds.”

U gaat vanavond voor het eerst sinds lange tijd weer naar het Boekenbal. Waarom bent u al die jaren niet gegaan?

“Het Boekenbal was vroeger een hot item in Amsterdam. Er gebeurde weinig in de stad dus het was het hoogtepunt van het jaar. Het Boekenbal had allure. De koningin kwam, de ministers kwamen, vrouwen kwamen in avondkledij en mannen in smoking. Nu sta je tussen mensen in bloemetjesjurken en zelfgebreide truien. Soms zie je een praalhans in een duur pak, maar meestal is het net of de gasten zijn gekleed door het rampenfonds. Het Boekenbal stelt niets meer voor. Heel anders is dat in Amerika. Ik ben ook al tientallen jaren lid van de American Authors League, de Amerikaanse schrijversvakbondEen keer per jaar geven ze aan gala. Iedereen is daar in avondjurk of smoking. Er lopen honderden kelners rond met champagne en kreeft. Er zijn lezingen van wereldberoemde mensen, er treden fantastische sterren op. Hier sta je met een hand vol knopen in de rij voor een lauw biertje. En als je een knoop tekort hebt dan moet je terug. Dat is Holland.”

Wie hoopt u tegen te komen?

“Ik hoop vanavond tegen te komen mijn gewaardeerde collega’s, waarvoor ik veel bewondering heb en die ook veel bewondering voor mij hebben, en waar ik graag een gesprek op niveau mee wil voeren.”

En wie niet?

“De mensen die ik niet tegen hoop te komen zijn allemaal al dood.”

Wie is uw favoriete Nederlandstalige schrijver?

“Daar vraag je me wat.” Er valt een lange stilte. “David van Reybrouck. Dat is mijn favoriete schrijver van dit moment. Congo is echt een meesterwerk. Wereldliteratuur. Ik bewonder zijn directheid, zijn scherpheid, de prachtige zinnen die hij schrijft. Belgen zijn beter met taal dan Hollanders. Hij neemt je mee in een wereld waar je niet in mee getrokken wilt worden, maar je bent veilig bij hem en je zit de rit wel helemaal uit.”

Zijn er schrijvers die u tot uw vrienden rekent?

“Dat is altijd een heikel punt, want als je iemand vergeet, heb je daar weer ruzie mee de komende tien jaar, begrijp je?”

Laat ik het anders stellen: kunt u drie schrijvers noemen die u tot uw vrienden rekent?

“Gerard Reve, Willem Frederik Hermans en de enige andere oorspronkelijke en overgebleven De Bezige Bij-auteur Remco Campert.”

Op het huis van welke schrijver zou u een precisiebombardement uit willen voeren?

“Laat ik daar nog even over nadenken, voordat ik in de voetsporen treed van Bomber Harris.”

 

De nooddruftige schrijver

Atte Jongstra (62) schreef met zijn essaybundel De ontgroende mens een van de betere natuurboeken van het jaar, maar staat niet op de longlist van de Jan Wolkers Prijs. De schrijver zelf zit daar niet mee: geldzorgen zijn een groter probleem. HP/De Tijd belde met de schrijver, die net terug was van zijn tweede huis in Frankrijk.

(Verschenen in het septembernummer van HP/De Tijd – 2018.)

Wacht eens even, u klaagt dat u nauwelijks kunt rondkomen van uw schrijverij, maar u heeft een tweede huis in Frankrijk?
“Een tweede huis is een groot woord. Het is een vervallen optrekje. Heel luxe is het niet, om er maar eens een understatement op los te laten. Ik noem het zelf altijd een ruïne. Je kunt erin slapen en in eten, maar verder stelt het niet zoveel voor. Ik schrijf er ’s zomers en werk dan wat in de tuin, maar ’s winters is het er te koud.”

Hoe arm bent u?
“Ik leef op dit moment van een werkbeurs van het Letterenfonds, maar daar kun je nauwelijks van rondkomen, want de belasting gaat er ook nog eens een keer van af. Dus als je een werkbeurs krijgt van laten we zeggen dertig mille, dan houd je daar twintig mille van over waar je dan een jaar van moet schrijven. Het is schrapen. Ik klaag er niet over, want ik kan het geld goed gebruiken, maar ik heb het idee dat mensen soms denken dat schrijvers breed leven van subsidiegelden. Dat is absoluut niet het geval. Als ik een keer een lezing of iets dergelijks heb, waar ik ook nog een klein beetje mee verdien, dan heb ik nog moeite om die maand rond te komen. Ik kan het steeds allemaal net redden, maar veel slechter moet het niet worden.”

U verkocht van een roman vroeger gemiddeld zo’n tweeduizend exemplaren, maar dat is de laatste jaren gehalveerd. Politici als Eric Wiebes zeggen dan: kunst moet zichzelf kunnen bedruipen, als er geen markt is voor die schrijver, dan hoeft hij ook geen subsidie te krijgen.
“Maar als er wel een markt is voor een schrijver, hoeft hij ook geen subsidie. Geen geld voor de kunst dus. Het is een oude discussie. Multatuli heeft zich al tegen die visie verzet. Thorbecke zei: ‘Kunst is geen regeringszaak.’ Multatuli zei op zijn beurt: ‘Kunst is wel degelijk een regeringszaak. Want kunst is goed voor het volk, en het volk is wel degelijk een regeringszaak.’ Daar ben ik het mee eens. Je moet een gezond cultureel klimaat hebben en daar moet je als regering ook in investeren. Als ik ophoud met schrijven, dan is dat niet zo erg voor de letteren, maar als alle schrijvers die afhankelijk zijn van een werkbeurs ophouden met schrijven, dan wordt het aanbod wel heel erg schraal.”

Hoe nu verder? Moeten we een actie opzetten om u de winter door te helpen?
“Ha, nee, ik ben niet de enige. Als je dat gaat doen, dan kun je wel bezig blijven.” Ironisch: “Als ik mijn rekeningen niet meer kan betalen, moet ik iets anders gaan verzinnen. Misschien maar tramconducteur worden. Ik spreek weleens iemand die dat is en die is daar aardig tevreden over. Hij heeft wel onregelmatige diensten, maar die draait een schrijver altijd al.”

Op 21 oktober vindt de uitreiking van de Jan Wolkers Prijs plaats. De ontgroende mens ligt in de boekhandels.

De leeshonger van Griet Op de Beeck

Dit jaar schrijft Griet Op de Beeck (44) het Boekenweekgeschenk. Wat leest, kijkt en luistert zij als ze niet zelf aan het schrijven is?

Interview uit het maartnummer van HP/De Tijd (2018)

BOEKEN
“Op dit moment lees ik bijna uitsluitend het werk van Frans Kellendonk, want ik ben zowaar gevraagd om dit jaar de Frans Kellendonk-lezing te houden. Ik had weleens wat van hem gelezen, maar niet heel veel, ook omdat hij in België een veel minder bekend figuur is dan in Nederland. Ik ben begonnen met zijn verzamelde brieven. Ook al ben je in brieven onvermijdelijk toch altijd een beetje de sociaal wenselijke versie van jezelf – hoewel hij soms behoorlijk tekeergaat tegen andere mensen –, toch schetst het een mooi beeld van wie hij was, hoe hij dacht en geëvolueerd is. Het andere boek dat ik nu lees is Of heb ik het verzonnen? van Herman Koch en Wanda Reisel. Het nam me meteen mee, ik vond het nog fascinerender dan ik had gedacht. Herman en Wanda kennen elkaar al vanaf hun jeugd. Heerlijk dat twee schrijvers zo’n lange geschiedenis delen, dat ze aftasten hoe betrouwbaar herinneringen zijn, en hoe anders percepties van dezelfde gebeurtenissen. Ze schrijven over hun levens, de boeken die ze hebben gelezen en aan het schrijven zijn en het biedt een boeiende, intieme inkijk in hun hoofden. Herman is een goede vriend van mij en ik heb hem door dit boek nog wat beter leren kennen, dat is toch een mooie bonus.
“Van Philippe Claudel had ik alles gelezen, behalve Het kleine meisje van meneer Linh. Er is een theaterbewerking van gemaakt door Toneelhuis Antwerpen en ik dacht: voordat ik naar het theaterstuk ga, moet ik eigenlijk wel eerst het boek hebben gelezen. En het heeft me echt tot tranen toe geroerd. Dat gebeurt me bijna nooit. Meneer Linhs familie is in zijn thuisland vermoord, en hij is met zijn kleindochter, een baby nog, naar Europa gevlucht. Hij gaat kapot van eenzaamheid in een asielzoekerscentrum, tot hij ergens buiten op een bankje een man ontmoet. Ook al spreken ze elkaars taal niet, toch vinden die twee elkaar. Ik ga niet verklappen wat de link precies is, maar het is een prachtig portret van mensen die tegen alle verwachtingen in het verschil weten te maken in het leven van de ander. In een wereld waar zoveel mensen lijnrecht tegenover elkaar staan, gaat dit verhaal recht naar het hart.
“Een ander boek waar ik onlangs erg van onder de indruk was – nu lijk ik behept te zijn met de vluchtelingenproblematiek, maar daar wordt natuurlijk veel over geschreven nu – is Waarvan wij droomden van Julie Otsuka. Het is zo’n boek waarvan je denkt: het uitgangspunt is leuk, maar niet doenbaar. Het verhaal heeft namelijk geen hoofdpersoon. Het is helemaal geschreven in de wij-vorm. Het gaat over een groep Japanse vrouwen die in 1920 naar San Francisco werden verscheept om daar hun Amerikaanse man te ontmoeten, die hen op basis van een foto had uitgekozen – met alle gevolgen en teleurstellingen van dien. Prachtig geschreven, indrukwekkend relaas van wat mensen overkomt die op een bepaald moment door de plaatselijke bevolking niet meer getolereerd worden. Schrijnend portret dat verplichte lectuur zou moeten zijn voor alle jonge mensen, vind ik.”

Het gehele interview met Griet Op de Beeck – onder meer over Francis Bacon, Alain Plattel en de Coen Brothers – leest u in de papieren HP/De Tijd of op Blendle.

Jan Cremer: ‘Er is een overvloed aan schrijvers en kunstenaars’

Op 17 november verschijnt het nieuwste boek van schrijver/schilder Jan Cremer: Sirenen. Reden voor HP/De Tijd om deze vroegere kunstnozem te spreken over het culturele klimaat in Nederland. Hij is onverbiddelijk: “Iedereen denkt tegenwoordig dat hij een boek kan schrijven en een schilderij kan maken.”

Cremer heeft niet veel op met collega-schrijvers: “Literatuur vind ik tijdverspilling. Ik denk vaak al op de eerste pagina: dat had ik veel beter kunnen schrijven. Ik heb ook niets met die krampachtige mooischrijverij die je vaak ziet. Jonge schrijvers leiden vaak een verwend leven. Daardoor blijven ze aan de oppervlakte. Je moet onheil en ellende, oorlogen en armoe hebben doorleefd om daarover te kunnen schrijven.”

“De schrijvers van nu komen vaak niet verder dan het beschrijven van de dop, terwijl je de noot moet kraken om een goed verhaal te vertellen,” vervolgt hij. “Ik zou heel makkelijk een prachtig boek kunnen schrijven waarvan de mensen al bij de eerste zin tranen in hun ogen krijgen. Dat is helemaal niet moeilijk. Maar dat wil ik niet. Ik schrijf kordaat en scherp. Zonder opsmuk. Dat is mijn stijl. Ik kan niet anders.”

‘Iedereen is tegenwoordig kunstenaar’

Ook gispt hij de hedendaagse kunstwereld: “Ik moet niet interessant gaan doen en zeggen dat ik graag musea bezoek, want dat is niet zo”, zegt hij verderop in het interview. “Ik ga meestal meteen op zoek naar de bar. Ik kom er wel, meestal met mijn vrouw, want die houdt er wel van, maar dan heb ik het na vijf minuten wel gezien.” (…) “Vroeger, als je het Stedelijk binnenliep, hing daar de geur van olieverf. Dat is niet meer.”

“Je komt in musea nauwelijks nog een olieverfschilderij tegen. ‘Schilderen is oorlog,’ heb ik weleens gezegd. Olieverfschilderen is een doek aanvallen. Dat is durf. Dat is de materie beheersen. Nu wordt er vaak voor de makkelijke oplossing gekozen. Als je naar een expositie gaat kijken van pas afgestudeerde studenten van de Rijksacademie, dan zitten er tussen die honderd studenten misschien twee van wie je zegt: dat zou weleens iets kunnen worden. Bij de rest ontbreekt de spanning.”

Cremer stelt dat de schilderswereld aan het inslapen is. “Er is ook een overvloed aan kunstenaars. Iedereen is kunstenaar tegenwoordig. Toen ik in 1958 in Den Haag begon met schilderen, woonden er dertig kunstenaars in de stad. We kenden elkaar allemaal. In Amsterdam waren dat er zestig. Die troffen elkaar elke avond in Café Eijlders. Nu wonen er niet zestig maar zesduizend kunstenaars in de stad en die staan allemaal aan de ruif. Hetzelfde geldt voor schrijvers. Toen Ik Jan Cremer in 1964 verscheen bij De Bezige Bij, waren dat allen serieuze schrijvers. Nu zijn er duizenden mensen die een boek denken te kunnen schrijven. Het is een andere wereld geworden.”

‘De Derde Wereldoorlog is begonnen’

Tot slot waarschuwt hij voor de gevaren van de vooruitgang: “Volgens mij onderschatten wij de gevaren van de nieuwe techniek. De Derde Wereldoorlog is twintig jaar geleden begonnen met de komst van internet. Hackaanvallen zijn aanslagen van nu. We zijn compleet afhankelijk geworden van techniek en daarmee geven we de vijand onze wapens in handen. Eén druk op de knop en geen vliegtuig vliegt meer, geen boot vaart meer, geen deur of raam gaat meer open.”

Cremer is niet blij met de komst van zelfrijdende auto’s en vliegtuigen zonder piloot. “Onze vrijheid wordt van ons afgepakt en we hebben het niet door. Wat is er aan te doen? Je zou elke werkloze een hamer en een bijl in handen kunnen geven om de computers in elkaar te slaan. Dat is meteen een oplossing voor het werkloosheidsprobleem.”

Het onverbiddelijke interview met Jan Cremer leest u in zijn geheel in het nieuwe nummer van HP/De Tijdof online op Blendle.

Dimitri Verhulst: ‘Alcohol is het vocht van de democratie’

Aan de vooravond van zijn theatertournee Godverdomse dagen op een godverdomse bol en vlak na verschijning van zijn dichtbundel Stoppen met roken in 87 gedichten een vrijmoedig gesprek met schrijver Dimitri Verhulst (44). Over het jammerlijke verdwijnen van de kroegcultuur, het onbegrijpelijke succes van Karl Ove Knausgård, geloofsfanatici en het vaderschap. ‘Ik ben een uitermate slechte en afwezige vader.’

Lees het gehele interview (acht pagina’s) in het oktobernummer van HP/De Tijd (2017) of op Blendle.

Drie zomers woont hij hier nu, op de tweede verdieping van een monumentaal pand in het centrum van Gent, en nergens voelt hij zich zo senang als op deze plek. Dimitri Verhulst is eindelijk thuis. Zijn appartement is opvallend ordentelijk ingericht. Hij woont, denk ik terwijl ik om mij heen kijk, zoals hij praat en schrijft: er staan weinig spullen, maar dat wat er staat, is mooi en staat er met een reden.

Wat doe jij in Gent? Je bent toch helemaal geen stadsmens?
“Ik heb bijna mijn hele leven buiten de stad gewoond, inderdaad. Ik heb ook vijftien jaar lang niet in mijn moedertaal gewoond. Ik heb me plots gerealiseerd hoe hard ik mijn taal heb gemist. Het Nederlands werd een abstract ding, terwijl het mijn werkmateriaal is, mijn grote liefde. En bovendien stelde ik vast dat ik, telkens wanneer ik naar deze stad afreisde, het moeilijk vond om weer weg te gaan.
Als ik een lezing had gedaan, wilde ik altijd nog even de kroeg in om mijn vertrek uit te stellen. Ik heb ooit weleens geschreven dat ik iemand ben die zwalkt tussen bindingsangst en verlatingsangst. Waarschijnlijk is dat wel het geval. Ik ben hier thuis. Het klinkt verschrikkelijk. Ik heb me er altijd tegen verzet om ergens thuis te zijn, maar hier ben ik het.”

Komt dat misschien ook doordat Gent bekendstaat om zijn fijne kroegen?
“Ik ga graag naar de kroeg, ja. Met mensen praten. Muziek maken. Samenleven. Wanneer wij wat vaker in de kroeg gaan zitten – wat ik iedereen aanbeveel, want ik vind dat onze kroegcultuur stervende is – geloof ik dat we de wereld kunnen verbeteren. In de kroeg praten mensen nog met elkaar. Dat heeft niks te maken met bezopen zijn. Ideeën hebben daar seks met elkaar. Daar vermenigvuldigen die ideeën zich ook. Als we nu allemaal wat vaker in de kroeg gaan zitten en wat minder op Facebook en Twitter, dan worden de goede ideeën groter en verspreiden ze zich.” Hij denkt hardop na: “Er zijn ook best wat culturen die alcohol verbieden. Het is wel opvallend dat culturen waar alcohol verboden wordt, ook de culturen zijn waar discussie niet geapprecieerd wordt. Alcohol is het vocht van de democratie. Samen eten is ook heel belangrijk. Alle godsdiensten hebben dieetvoorschriften. De joden vinden dat je dit moet eten en dat niet, van de moslims mag je dat wel eten maar dit niet. Ook de christenen, lees het Oude Testament, hebben iets te zeggen over wat wel en niet op ons bord mag liggen. Maar wat betekent dit in concreto: dat de drie godsdiensten niet samen aan tafel kunnen. De een moet wijn drinken om de Heer te gedenken, de ander mag geen alcohol. Hoe komen we dan tot een samenlevingsmodel? We mógen niet samenleven. De dictatuur van de godsdienst verbiedt het ons. De wereld wordt gered met eten en drinken. I am sorry. Ik heb niets tegen godsdiensten. Ik kan niet in iemand zijn kop gaan kruipen en zeggen: jij mag niet geloven. Ik heb ook geen enkel bewijs dat God niet bestaat. Maar de exponenten van dat geloof vind ik verschrikkelijk. En het fanatisme wordt ook erger met de dag. We dachten dat we er klaar mee waren.”

Arthur Japin over Marguerite Yourcenar, Tsjaikovski en The Sound of Music

Met een nieuwe roman (Kolja) en een zelfgemaakte toneelbewerking van zijn boek De man van je leven heeft Arthur Japin de afgelopen maanden bepaald niet stilgezeten. Wat leest, luistert en ziet hij als hij niet aan het schrijven is?

(Interview in het septembernummer van HP/De Tijd, 2017.)

BOEKEN
“Een boek dat van grote invloed is geweest op mijn leven en werk, is Hadrianus’ gedenkschriften van Marguerite Yourcenar. Toen ik begin jaren tachtig samen met Rosita Steenbeek naar Rome ging, in de hoop dat we bij Fellini in een film zouden komen, zei iemand tegen ons: jullie moeten Hadrianius’ gedenkschriften lezen en in Tivoli zijn villa bezoeken. We zouden in de stad allemaal dingen vinden die in het boek voorkomen. Dus ik nam dat boek mee en las het daar. Het was de periode in mijn leven dat ik eigenlijk wel wist dat ik geen acteur wilde worden, maar niet wist wat ik wel moest gaan doen. Uiteindelijk ging ik schrijven, wat tien jaar later resulteerde in De zwarte met het witte hart. Een Franse recensent schreef dat het deed denken aan de boeken van Yourcenar, terwijl ik die link zelf helemaal niet had gelegd. Achteraf bezien doe ik inderdaad wat zij doet in Hadrianus’ gedenkschriften en in haar andere boeken – Het hermetisch zwart bijvoorbeeld, dat misschien nog wel mooier is. Je neemt een persoon uit de geschiedenis en maakt die menselijk. En door die menselijke ogen bezie je een heel tijdsgewricht.”

MUZIEK
“Ik heb voor Kolja veel en goed naar Tsjaikovski geluisterd. Zijn Zesde symfonie (Pathétique), een stuk dat veel afscheid in zich herbergt, speelt in het boek een rol, omdat het een week voor de mysterieuze dood van de componist in première ging.Daar gaat het boek ook over: hoe is hij werkelijk aan zijn eind gekomen? Doordat ik me zo in hem ben gaan verdiepen, ben ik ook anders naar zijn muziek gaan luisteren. Je hoort de wanhoop van niet mogen zijn wie je bent, het altijd op zoek zijn naar verboden passie en de frustratie die zijn homoseksualiteit met zich meebracht. Bij geen enkele componist hoor je die lust en wanhoop zo sterk als bij hem.”

FILM
“Een film die echt invloed op mij had… echt invloed op mijn leven… dat zijn er meerdere. Als ik als kind bijvoorbeeld Cabaret met Liza Minelli niet had gezien of The Sound of Music met Julie Andrews of Funny Girl met Barbra Streisand, dan had ik het niet gered. Dat waren essentiele films om te overleven. In ieder zit een moment waarop de hoofdfiguur totaal aan de grond en in de put zit. Dan begint ergens een viool te spelen en begint hij of zij te zingen: maar dit laat ik niet gebeuren, ik vecht terug om te worden wie ik zijn moet en dat moet de wereld maar accepteren. Zo komen ze uit hun diepe dal naar buiten, dansend, en op straat dansen alle mensen met hen mee. Aan die totaal onwerkelijke gedachte van hoop houden tegen beter weten in – want dat is het – heb ik uiteindelijk meer geloof gehecht dan aan mijn werkelijkheid. Dat is mijn redding geweest.”

Het gehele interview leest u in de papieren HP/De Tijd of op Blendle.

Herman Brusselmans: ‘Ilja Leonard Pfeijffer is een pretentieuze eikel’

Acht columns per week, twee boeken per jaar: Herman Brusselmans (1957) is een veelschrijver. Op 17 mei verschijnt zijn zeventigste boek: Zeik en het lijk op de dijk. Heeft hij tussen het schrijven door nog wel tijd om te lezen, muziek te luisteren en films te kijken?  Lees verder Herman Brusselmans: ‘Ilja Leonard Pfeijffer is een pretentieuze eikel’

Stefan Hertmans: ‘Godsdienstoorlogen zijn de grootste stommiteit van de mensheid’

Toen hij van het CPNB de vraag kreeg om het Poëziegeschenk 2016 te schrijven, voelde hij zich tot de orde geroepen om eindelijk weer eens te gaan dichten.

Want Stefan Hertmans (Gent, 1951) was de laatste jaren vooral schrijver. Natuurlijk – hij had al een omvangrijk oeuvre literaire en essayistische teksten op zijn naam staan en werd daarvoor door velen geroemd, maar het verschijnen van zijn roman Oorlog en terpentijn(2013) veranderde veel. Het boek werd een regelrechte bestseller en werd overladen met literaire prijzen, waaronder de AKO Literatuurprijs en de Libris Literatuurprijs.

Dat boek maakte ook dat hij aan poëzie niet meer toekwam. Meer dan dertig jaar was poëzie ‘een constante ondertoon in mijn leven’, maar de succesroman verstoorde dat. “Ik merkte dat de stroom opdrogde, dacht dat de poëzie mij had verlaten omdat ik het te druk had”, zei hij daarover in een interview met Cultureel Persbureau. Vijf jaar na zijn laatste dichtbundel verschijnt deze week zijn nieuwe bundel, het Poëziegeschenk: Neem en lees.

Reden voor HP/De Tijd om hem te onderwerpen aan een ‘zelfportret’ – een maandelijkse serie vragen, gebaseerd op de beroemde questionnaire van Marcel Proust. 

Wat is uw huidige gemoedstoestand?
Ik ben heel rustig en tevreden met wat ik doe.

Wie zijn uw helden?
Ik houd niet van het begrip helden. Iemand een held noemen is hem buiten de gemeenschap plaatsen, hem op een voetstuk zetten. Iemand die een kind uit een brandend huis redt is geen held maar een mens die op dat moment zijn verantwoordelijkheid herkent. Als je die persoon een held noemt lijkt het of hij over bijzondere kwaliteiten beschikt die u en ik niet hebben, maar dat is niet waar. Ook wij kunnen een zometeen naar buiten lopen en iemand uit de ijskoude gracht redden.

Aan wie ergert u zich?
Ik erger me aan een boel mensen. Aan arrogantie, aan mensen die op sociale media voortdurend verzuurd hun cynische kritiek spuien en aan het gebrek aan verantwoordelijkheid. Bijvoorbeeld in het verkeer. Daar zie je de mens op zijn slechtst.

Lijkt u op uw vader?
Fysiek zie ik zelf weinig gelijkenissen, maar buitenstaanders zeggen weleens dat ik veel weg heb van mijn vader. Ik denk dat we dezelfde lichaamshouding hebben. En we proberen allebei onder alle omstandigheden onszelf te blijven. Een heel belangrijke eigenschap vind ik dit. Ik ben van de generatie – begin jaren zeventig gaan studeren – die een zogenaamde vadermoord wilde plegen. En dat heb ik ook gedaan, maar mijn vader heeft dat altijd aanvaard en heeft daar altijd met begrip op gereageerd. Nu ik ouder ben en zelf een zoon heb, heb ik dat meer leren bewonderen.

Lijkt u op uw moeder?
Ik leek tot mijn dertigste, vijfendertigste levensjaar fysiek heel erg op mijn moeder.

Wat zijn uw dagdromen?
Mijn dagdromen gaan bijna altijd over mijn huis in een klein dorpje in het zuiden van Frankrijk, waar ik veel meer tijd door zou willen brengen dan nu het geval is.

Wat is uw grootste angst?
Verdrinken. Het is voor mij een gruwelijk idee om te bedenken hoe groot de ruimte water is waarin je kunt verdrinken. Een keer ben ik bijna verdronken, toen ik met een jetski op Lake Powell in Arizona voer en in een hagelstorm terechtkwam.

Bidt u weleens?
Nee, niet meer. En dat is heel lastig als je gelovig bent opgevoed. Ik geloof dat het de Franse filosoof Georges Bataille was die zei: ‘Waar God zat zit nu een gat.’ En dat is waar: wanneer je gelovig bent opgevoed maar op een gegeven moment van je geloof valt, blijf je ergens een gemis voelen. En soms, als je heel bang of bezorgd bent, heb je de neiging om te bidden. Maar dat heeft geen zin. Je moet gewoon proberen rustig te blijven, want er is niemand die voor je kan zorgen. Bidden is voor veel mensen een soort EHBO-kistje. Zelden zullen mensen het bidden gebruiken om te danken voor wat goed is gegaan. Nee, ze vragen: help mij dat het goed zal gaan. Dat soort misbruik van het gebed, door het alleen te doen wanneer je iets nodig hebt, is voor mij de reden geweest om dat bidden heel snel af te leren.

Bent u aantrekkelijk?
Dat moet u aan de mensen vragen die mij kennen. Ik probeer mijzelf wel altijd bijzonder goed te verzorgen. Ik houd niet van onfrisse mensen. Een goede verzorging is de eerste voorwaarde voor aantrekkelijkheid. Iemand die je heel aantrekkelijk vindt maar plots uit zijn bek stinkt is niet meer aantrekkelijk. En daarbij: hij of zij toont geen zelfrespect. Ook dat is niet bepaald aantrekkelijk.

Wat is uw definitie van geluk?
In evenwicht zijn, zowel mentaal als lichamelijk. Geluk is voor mij nu ik ouder word niet meer het extatische, maar het rustig worden. Volledig in harmonie zijn met jezelf. Veel mensen denken dat geluk is wat je doet, maar geluk is juist hoe je iets doet.

Waar schaamt u zich voor?
Ik heb heel ongerichte onzekerheden over kleine details die anderen niet zien, maar waardoor ik mezelf soms afschuwelijk vind. Ik noem dat zelf: my own narcistic hell. Ik heb het bijvoorbeeld moeilijk op vernissages waar veel mensen zijn. Je moet dan met veel mensen een praatje maken, je hopt van het ene gesprek naar het andere, en hebt niet genoeg tijd en concentratie om een goed gesprek te voeren. Ik heb dan het gevoel dat ik tekortschiet tegenover mijn gesprekspartners. Het is belachelijk, het is kinderachtig, maar daar schaam ik me voor. Schaamte is egoïsme. Het is de achterkant van narcisme.

Bent u monogaam?
Ik ben van nature denk ik niet echt monogaam, maar ik ben heerlijk getrouwd met een bijzondere vrouw en ik ben haar trouw.

Wanneer heeft u voor het laatst gehuild?
Eergisteren bij het zien van de film La Vie d’Adèle, over een meisje van achttien dat verliefd wordt op een rijpere vrouw en haar ook weer verliest. Ik huilde geen tranen met tuiten, maar ik voelde wel dat ik helemaal volschoot en toch even in mijn ogen moest vegen.

Hoe moedig bent u?
Moed is iets dat getest moet worden. Maar ik denk wel dat ik altijd probeer op te komen voor dat wat ik mezelf als doel heb gesteld. En dat is een eerste vereiste van moed. Ik ben heel lang leraar geweest, heb studenten gehad die om een uur ’s nachts bij mij thuis op de wc een spuit in hun arm zetten en die dan drie uur lang wakker gehouden moesten worden omdat ze niet mochten wegzinken. In zo’n heftige situatie moet je op de weg proberen te blijven. Recht voor je uit kijken en denken: dit moet ik nu doen. Je verantwoordelijkheid nemen. Pas achteraf kunnen mensen dan zeggen: dat was moedig van hem. Maar daar sta je op dat moment niet bij stil.

Van wie heeft u het meest geleerd?
Van een leraar literatuur, die een wonder was wat betreft lesgeven. Iedereen werd betoverd door de manier waarop hij kon spreken. Hij ging van Monteverdi naar Baudelaire naar Bertolucci en gaf voor de vuist weg twee uur lang de meest fantastische colleges. Toen ik een jonge leraar was dacht ik: dit wil ik ook ooit zo kunnen. Ik wil zoveel rijkdom opdoen dat ik die met dezelfde bevlogenheid door kan geven aan mijn studenten. Van die man heb ik een vorm van generositeit geleerd.

Welke eigenschap waardeert u in een vrouw?
Intelligentie. En dat zij iets mannelijks heeft waardoor zij haar vrouwelijkheid kan relativeren.

Welke eigenschap waardeert u in een man?
Hetzelfde, maar dan andersom.

Als u iets aan uzelf kon veranderen, wat zou dat dan zijn?
Niets. Het is niet dat ik zo bijzonder tevreden ben met mezelf, maar ik vind dat je jezelf moet accepteren zoals je bent. Het enige dat ik misschien zou willen is opnieuw twintig jaar jonger zijn. Dat zou ik wel fijn vinden.

Hoe ontspant u zich?
Door te lezen, door muziek te luisteren of door te koken.

Van wie houdt u het meest?
De manier waarop ik van mijn vrouw houd is de manier waarop ik van haar het meeste houd, de manier waarop ik van mijn twee kinderen houd is de manier waarop ik van hen het meeste houd en de manier waarop ik van mijn vader houd is de manier waarop ik van hem het meeste houd.

Gelooft u in God?
Niet meer. Het is voor mij inmiddels onmogelijk om, met wat we inmiddels uit de wetenschap weten, me voor te stellen dat iemand aan het begin daarvan zou hebben gestaan. Dat is voor mij een interpretatie die tegen de feiten ingaat. Niemand kan ook bewijzen of er een opperwezen is of niet. Mensen maken elkaar al duizenden jaren dood om iets wat ze nooit kunnen bewijzen. Dat is de grootste stommiteit van de mensheid. Wel geloof ik dat de mens kan opgaan in iets groters – in een gemeenschapsgevoel, in ontroering, in schoonheid – maar daar heb ik geen God voor nodig.

Waaraan bent u het meest gehecht?
Ik ben heel erg gehecht aan kleine voorwerpen die ik al heel lang heb en altijd bij me steek: een zakmes dat ik dertig jaar geleden heb gekocht, een opschrijfboekje, een pen. Het geeft me een soort rust. Waar ter wereld ik ook ben heb ik het gevoel dat ik alles bij me heb.

Welk leed heeft u anderen berokkend?
Liefdesverdriet. Er kunnen momenten zijn dat je plots iemand in je herinnering weer voor je ziet en dat je denkt: God, wat ben ik hard geweest voor die persoon. Pas wanneer je zelf in zo’n situatie zit weet je wat je die persoon hebt aangedaan.

Wat beschouwt u als uw grootste mislukking?
Dat ik geen muzikant ben geworden. Ik heb wel muziek gemaakt maar ik had niet voldoende talent om door te gaan in de muziek, terwijl ik een broer heb die een fantastisch muzikant is.

Wanneer was u het gelukkigst?
Op het moment dat de meeste mensen hun midlifecrisis beleven, zo tussen hun negenendertigste en vijfenveertigste, was ik misschien wel het gelukkigst. Maar ik ben in principe nog steeds gelukkig. Je wordt alleen wat melancholischer als je ouder wordt: de jaren op je bankrekening smelten weg. Je hebt meer achter je dan voor je liggen. De eindigheid van dingen komt opeens ook heel dichtbij. Het euforische geluk dat je in het midden van je leven hebt, wanneer je het idee hebt dat er nog een eindeloos leven voor je ligt, is weg. Ik ben ook veel angstiger dan vroeger. Ik vind het niet meer vanzelfsprekend dat de dingen goed gaan. Ik ben als de dood dat er iets gebeurt met mijn zoon, mijn dochter, mijn kleindochter, mijn vader. Om helemaal onbezorgd gelukkig te zijn moet je naïef zijn, en dat ben ik niet meer.

Wat is de beste plek om te wonen?
Ik woon op een ontzettend fijne plek, een beetje buitenaf, net onder Brussel.

Wie hoopt u nooit meer terug te zien?
Ik heb onlangs de trieste moed moeten hebben om iemand die ik bijzonder graag zag als vriend uit mijn leven te schrappen. Keer op keer werd ik door hem verraden en gekwetst. Toen ik besloot dat de maat vol was heb ik hem opgebeld, hem vijf minuten verrot gescholden en zonder zijn antwoord af te wachten de hoorn op de haak gegooid. Ik zit daar vreselijk mee, maar het is zuiver op de graat. Het was de enige manier om hem kenbaar te maken dat hij mij pijn deed.

Hoe is ongeluk te vermijden?
Ongeluk kun je niet vermijden, hoe goed je ook uit je doppen kijkt. Het zal je altijd van achteren aanvallen.

Wat is uw devies?
Heb niet teveel deviezen, pas je aan de situatie aan.

Het Poëziegeschenk ‘Neem en lees’ van Stefan Hertmans wordt tijdens de Poëzieweek (28 januari tot en met 3 februari 2016) door boekwinkels aan klanten cadeau gedaan bij aankoop van € 12,50 of meer aan poëziebundels.

Hertmans-De-Liefde-©Marc-Brester-1

De culturele agenda van… Bart Van Loo

Bart Van Loo (1973) is een Vlaamse schrijver en conferencier, bekend als connaisseur van Franse chansons en literatuur in De Wereld Draait Door. Wat consumeert hij verder op cultureel gebied?

Lees verder De culturele agenda van… Bart Van Loo