Maarten Spanjer: ‘Waarom begint iedereen toch altijd over Jeroen Krabbé?’

Maarten Spanjer (66) schreef een boek met tragikomische verhalen over zijn jeugd. Playboy ging een nacht op pad met deze meesterverteller. “Waarom begint iedereen toch altijd over Jeroen Krabbé met me?”

Deel van het interview in het septembernummer van Playboy. (2019) Het gehele interview leest u hier.

Q1. Geluk is een herinnering is een bundeling tragikomische verhalen over je jeugd. Om welk verhaal moet je zelf het hardst lachen?
Dat zijn er meerdere, maar een van mijn favorieten is ‘Een zure appel’, een verhaal over de jongste broer van Karel Appel. Joop Appel was jeugdscheidsrechter bij de Amsterdamse Voetbalbond. De jongens met wie ik speelde waren altijd een beetje bang voor hem. Paul, een elftalgenoot, had op een dag al zijn moed bij elkaar geraapt en vroeg hem of hij zelf ook schilderde. Meneer Appel antwoordde toen nors: ‘Alleen plinten.’

Q3. Om welke cabaretiers moet je lachen?
Hans Teeuwen en Theo Maassen vind ik de grootste cabaretiers van dit moment. Daniël Arends en Peter Pannekoek vind ik ook erg goed. Youp van ’t Hek en Freek de Jonge zijn daarentegen een beetje in hun eigen val getrapt. Youp schopte altijd aan tegen mensen met dikke auto’s en grote huizen maar woont nu zelf in een gigantisch huis aan het Vondelpark. Dan verlies je je geloofwaardigheid. Freek maakte vroeger grappen over Wim Kan en zijn vrouw Corry Vonk, hij stak er de draak mee dat ze altijd samen waren, maar is nu zelf nog veel kleffer met zijn vrouw Hella. Dat is een Yoko Ono in het kwadraat. Verschrikkelijk. Freek denkt volkomen ten onrechte dat hij zijn succes aan haar te danken heeft. Zij maakte bijvoorbeeld die rare clownspakken waar hij vroeger in rond sprong. Ik kan je een ding vertellen: in die pakken lag het succes van zijn voorstellingen niet. Ik vind het heel apart dat zo’n intelligente man een groot deel van zijn succes ophangt aan zijn vrouw. Dat is een rare vorm van bescheidenheid die ik niet begrijp.

Q5. Je bent een ras-Amsterdammer. Wat vind je van het beleid van burgemeester Femke Halsema?
Ik volg de politiek niet echt, maar ik heb weleens de indruk dat ze de geschiedenis in wil gaan als de burgemeester die aan allerlei dingen een einde heeft gemaakt. Ze wil bijvoorbeeld een einde maken aan de raamprostitutie op de Wallen. Ze stelde voor om die vrouwen dan maar achter gesloten gordijnen te zetten. Hoe kom je erop? Volgens mij maak je het met die verboden alleen maar erger. Je kunt veel beter strenger handhaven.

Q6. Je bent naast schrijver ook acteur. Heb je alles uit je acteercarrière gehaald wat erin zat?
Dat denk ik niet, al denk ik ook niet dat er veel meer in zat. Ik zag acteren als een makkelijke manier om een boterham te verdienen, maar ik ben heel slecht in het vertolken van andermans teksten. Ik krijg ze maar niet in m’n kop. Nee, ik ben geen groot acteur. Regisseurs zagen mij ook niet een groot acteur en dan kom je dus in foute series terecht – daar heb ik er redelijk wat van gedaan. Als ik het script las dan zonk me de moed alweer in de schoenen. Wat een slechte tekst, dacht ik dan, en dan moest ik die onzin nog uit mijn hoofd leren ook!

Q7. In Spetters speelde je samen met de onlangs overleden Rutger Hauer. Hoe was het om met hem te werken?
Hij was een man van weinig woorden, een nuchtere Fries. Ik mocht hem wel. Het eerste wat ik dacht toen hij was overleden: Cruijff is dood, de koning van het voetbal, en nu is de koning van de film ook dood. Ik vind hem van dezelfde grootheid.

Q8. Wie is nu de grootst nog levende acteur van het land? Je grote vriend Jeroen Krabbé?
Waarom begint iedereen toch altijd over Jeroen Krabbé met me? Nou, heel even dan: naar aanleiding van de dood van Rutger Hauer mocht Krabbé aan tafel aanschuiven bij Jinek. Als een bekend persoon overlijdt is hij er altijd als de kippen bij. Hij vertelde bij die gelegenheid over de wel heel bijzondere  band die hij had met Rutger Hauer. Hou toch op. Ik durf te wedden dat hij hem in geen jaren heeft gesproken. Ik had in de jaren negentig een talkshow met Rijk de Gooyer en ik belde Rutger Hauer of hij die week bij ons te gast wilde zijn. Zonder nadenken stemde hij in. Na afloop vroeg ik hem waarom hij nooit in talkshows verschijnt, maar wel meteen bij ons aanschoof. Hij antwoordde lachend: ‘Nou, ik vind jullie wel grappige mannetjes en ik weet dat jullie een bloedhekel aan Jeroen Krabbé hebben, maar de publiciteit die jullie daarmee genereren laat ik graag aan jullie over.’ Hij kon die man ook niet uitstaan.

Q20. Waar leef jij van?

Nou, ik heb een periode goed verdiend, zowel met de commercials die ik samen met Rijk de Gooyer deed voor KPN als met Taxi. Rijk belde me eens toen het geld van de commercials weer was overgemaakt: ‘Heb je dat bombardement op je bankrekening al gezien?’ Eigenlijk leef ik daar nog steeds van. Ik heb ook nooit echt gek gedaan: ik heb niks met dure auto’s of dure kleding. Ik rijd wel rond op dure fietsen die ook regelmatig gestolen worden, maar dat is eigenlijk mijn enige uitspatting. Ik kan me bedruipen. Kijk, ik moet geen honderd worden, ook geen negentig, maar tachtig red ik misschien net. En ach, als je tachtig bent dan zit je ook maar met een lepel in je bordje pap te slaan, dan heb je toch niet zoveel meer nodig.

Ronald Giphart: ‘Series hebben een grotere toekomst dan romans’

Ronald Giphart (53) komt eind september met een nieuwe roman: Alle tijd. Door welke schrijvers laat hij zich inspireren, welke muziek luistert hij al sinds zijn studententijd en welke series ziet hij het liefst?

Fragmenten. Het gehele interview is te lezen in het septembernummer van HP/De Tijd (2019) of hier via Blendle.

BOEKEN
“Philip Roth is mijn favoriete schrijver. Ik heb net American Pastoral herlezen, dat blijft een majestueus meesterwerk, maar zijn beste boek is denk ik Sabbaths Theater. Het gaat over een poppenspeler die een onstuimige verhouding krijgt met een vrouw en plotseling overlijdt die vrouw. Dat is een van de maffe dingen aan dit boek: opeens is die vrouw dood, zomaar, je leest er makkelijk overheen als je niet goed oplet. Daarna begint het boek pas echt. Sabbath had zo’n obsessieve seksuele relatie met haar dat hij naar haar graf gaat om zich af te trekken, maar als hij daar aankomt ziet hij een andere man staan die zich ook aan het aftrekken is. Hij begrijpt het niet. Had ze naast hem ook nog een andere minnaar? Dan komt hij erachter dat ze een heel leger aan minnaars had en raakt nog meer geobsedeerd door haar dan hij al was bij leven. Het is een fascinerend boek. Iets heel anders is Vallen is als vliegen van Manon Uphoff. Godverdomme, wat een boek is dat. Bert Natter zei tegen me: als we jong waren geweest en we zouden dit boek hebben gelezen dan zouden we meteen verkocht zijn voor de literatuur. Dit is een boek met dezelfde impact als Het verzonkene van Jeroen Brouwers of Nader tot U van Gerard Reve. Ik was er dagen kapot van. Vallen is als vliegen gaat over incest, al wordt dat woord niet echt gebruikt. De zus van de hoofdpersoon overlijdt en dat zet een soort maalstroom aan herinneringen in werking die lukraak door elkaar schieten. De stilistische brille van Manon is fenomenaal. Ik kan me niet voorstellen dat dit niet internationaal wordt opgepakt.”

BEELDENDE KUNST
“Ik mis het gen om me door kunst te laten raken. Ik ben ook dusdanig misantropisch dat ik me in een museum teveel aan andere bezoekers erger om van de kunst te genieten. Wim Kok zei eens dat hij Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue van Barnett Newman niet begreep totdat hij er een halfuur voor had gestaan en het schilderij bij hem binnenkwam. Ik zou mezelf niet eens kunnen dwingen om een halfuur voor een schilderij te gaan staan. Een bezoek aan een museum voelt voor mij altijd een beetje als een verplicht nummertje. In de tijd dat ik een theatershow deed met Bart Chabot bezochten we weleens een museum, maar ik ging dan vooral mee om hem een plezier te doen. Het Van Abbemuseum in Eindhoven, Boijmans van Beuningen in Rotterdam – ik heb het allemaal gezien, maar ik zou het potsierlijk vinden om mezelf een museumbezoeker te noemen. Ben ik dan nooit verpletterd door kunst? Jawel. David Hockney vind ik fascinerend. Ik zou niet snel naar een tentoonstelling van hem gaan, maar zijn schilderijen vind ik fantastisch. Dat hele hoge doek met die bomen vind ik van een tranentrekkende schoonheid. Kunst zie ik eigenlijk het liefst in fotoboeken. Ik heb zelf inmiddels een hele verzameling. Het allereerste fotoboek dat ik zelf kocht was van Robert Mapplethorpe – een van de inspiratiebronnen van Erwin Olaf. Ik woonde in mijn studententijd in een huis met een meisje die op haar kamer een hele grote foto van hem had hangen. Het was een portret van een grote zwarte man in een polyester suit die een enorme lul uit zijn broek had hangen. Ik was meteen gefascineerd. Ik vroeg haar eens waarom die foto daar hing. ‘Om de jongens die hier komen te intimideren’, antwoordde ze. Dat werkte inderdaad.”

FILM
“Ik besteed veel meer tijd aan het kijken van series dan aan het lezen van boeken. Ik denk ook dat series een grotere toekomst hebben dan romans. Is dat erg? Nee. Ik denk het niet. Lezen bevordert je empathische vermogens. Dat is waar. Het is bewezen dat gevangen die gestimuleerd worden om boeken te lezen empathischer worden en dat de kans op recidive afneemt. Lezen is cognitieve arbeid. Je moet beelden maken. Als je het woord ‘schrijver’ ziet dan heb je onbewust in beeld van een schrijver in gedachten. Bij een serie hoef je dat beeld niet zelf te maken. Daar is dus minder cognitieve arbeid voor nodig. Toch denk ik dat het volgen van een wereld in beeld je empathische vermogens ook versterkt – misschien iets minder intensief dan wanneer je leest, maar misschien ook iets laagdrempeliger. Ik was laatst op een middelbare school in een klas met leerlingen die voor hun leeslijst verplicht mijn boeken hadden gelezen. Ik ook van jou gaat een beetje over seksualiteit dus dan gaat het daar natuurlijk al snel over. Ik vroeg: wie kijkt er weleens naar Sex Education op Netflix? Drie meisjes staken hun vinger op. Je merkt dat daar toch meer aandacht voor is dan voor een boek. Sex Education vind ik trouwens een erg goede serie. Het gaat over een zestienjarige jongen wiens moeder een nogal excentrieke sekstherapeute is. Ze vraagt bijvoorbeeld voortdurend aan haar zoon: masturbeer je al? Van die vragen die je niet van je moeder wilt krijgen. Die jongen is een enorme nerd en nog maagd, maar omdat zijn moeder dat beroep heeft, komen al zijn klasgenoten bij hem met hun seksproblemen. En dan blijkt dat hij een soort gave heeft om die seksproblemen op te lossen. Easy vind ik ook erg goed. Het is een serie over normale mensen in een buitenwijk van Chicago. In de eerste aflevering volgen we een uitgeblust stel die hun seksleven proberen te verbeteren. Je denkt dat het verhaal in de tweede aflevering verdergaat, maar dan volgen we opeens totaal iemand anders. Later blijkt dat die persoon een heel klein personage was in de eerste aflevering. In de derde aflevering volgen we iemand die zowel in de eerste als in de tweede aflevering kort de revue passeerde. En ga zo maar door. Het acteerwerk is ook zo goed. Laatst las ik pas dat deze serie voor een groot deel is geïmproviseerd. De acteurs krijgen à la De vloer op een paar aanwijzingen en de rest moeten ze zelf maar bedenken. Dat pakt in dit geval erg goed uit. Ik ben er een paar keer echt ontroerd door geraakt. Iets grappiger maar wel uit dezelfde bron is Love. Het gaat over een getroebleerd meisje dat erg knap is maar vatbaar voor verslavingen en foute mannen. Een nerdachtige jongen wordt verliefd op haar maar zij niet op hem, totdat ze ziet dat hij toch wel erg leuk is ondanks dat hij zo’n ongelooflijke nerd is. De nerd die hem speelt is ook de nerd die deze serie geschreven heeft. Het is een feel good drama in optima forma. Het is in alles liefdevol, warm en menselijk. Peter Heerschop zou z’n vingers erbij aflikken.”

 

Jan Cremer: ‘Het feminisme is aan mij voorbijgegaan’

Jan Cremer (79) is schrijver en schilder. Playboy spreekt hem naar aanleiding van zijn nieuwe boek Canaille over de verfilmingspogingen van zijn bestseller Ik Jan Cremer, zijn weerzin tegen fatsoensrakkers en zijn literaire aspiraties: ‘Ik schrijf begrijpbare porno voor het volk.’

\Drie fragmenten uit een groot interview met Jan Cremer in het juninummer van Playboy, 2019. Het gehele interview is hier te lezen.

Onlangs verscheen je nieuwe boek Canaille. Zit het publiek nog wel te wachten op nieuw werk van Jan Cremer?
“Dat denk ik wel, ja. Ik ben de meest gelezen schrijver van Nederland, al vanaf 1964 bestsellerauteur, en ik heb een hele schare lezers, nationaal en internationaal, die honger hebben naar mijn werk. Ik kan er nog steeds op rekenen dat ik in Holland ongeveer 60.000 lezers heb die het nieuwe boek graag willen lezen. Dat is voor mijn doen weinig, vroeger had ik er 600.000, maar voor tegenwoordig is dat veel.”

Kun je kort uitleggen waar het boek over gaat?
“Het gaat over de opkomst en ondergang van een beroemde primaballerina en de onmogelijke taak om voor het eerst van je leven een gezin te vormen. Ik trouwde in de jaren zestig met mijn grote liefde, met wie ik een leven probeerde op te bouwen in New York. We kregen een dochter. Voor het eerst in mijn leven had ik een gezin. Tot die tijd had ik geen familie-ervaring. Ik was enig kind, mijn vader was al vroeg overleden, ik heb tot mijn veertiende altijd in tehuizen gezeten, ik was onopvoedbaar. In Amerika zag de toekomst er rooskleurig uit. Ik had alles wat ik wilde: een mooie vrouw, een lief kind, een prachtige ranch met paarden, honden, noem maar op. Dat ging natuurlijk mis. Onze relatie liep stuk. Op geld. Ik geef helemaal niets om geld, als ik geld heb dan geef ik het uit. Dat was voor haar een probleem. Ze beschouwde haar zeven jaar met mij uiteindelijk als een onenightstand en de dochter die daaruit voortkwam ziet mij als haar moeders spermadonor. Ik heb met allebei geen contact meer.”

Ik kan me voorstellen dat dat lastig is.
“Je krijgt oorlog met je vrouw, die zet haar dochter tegen je op. Je dochter wordt je vijand, en vijanden, zo is mij geleerd, moet je op afstand houden. Dus dat is voorbij. Ik ben wat dat betreft een vrij harde figuur, misschien nog wel harder dan vroeger. Als iemand om wat voor reden dan ook mijn vertrouwen heeft geschaad, komt het nooit meer goed.”

***

Krijg je genoeg erkenning voor je schrijverschap?
“In Amerika en Duitsland sta ik in allerlei encyclopedieën als zijnde een van de grote namen van de literatuur in Holland. Hier hebben de meeste collega-schrijvers nog nooit van mij gehoord. Het is misschien een beetje hetzelfde als met De Telegraaf: het is de grootste krant van het land, maar niemand heeft het ooit gelezen, begrijp je wel.”

Je hebt ook nooit een literaire prijs ontvangen.
“En dat moeten ze ook niet wagen. Dan berg je je maar, als je dat durft. Daar zijn ze nu te laat mee. Ik weet dat ik absoluut mijn best doe om goed te schrijven en mooi te schilderen. Ik sta nog steeds achter elk woord dat ik heb geschreven en elk schilderij dat ik heb geschilderd. Of nu één persoon mijn werk mooi vindt of een miljoen personen en of ze me daar nu een prijs voor geven – het interesseert me in feite ook niet. Ik ben koninklijk onderscheiden, Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Dat vind ik waardevol genoeg.”

Volg je de nieuwe lichting schrijvers?
“Nee. In Holland wordt de bestsellerlijst momenteel aangevoerd door literaire kwakzalvers. Daar ga ik mijn tijd niet aan besteden. Ik heb niets aan iemand die mooi kan schrijven, dat kan ik zelf ook wel, en dan nog beter ook. De schrijvers van tegenwoordig schrijven allemaal prachtige zinnen, maar ze hebben geen seconde in hun leven honger geleden, ze weten niet wat armoede is. Dan kun je ook niet goed schrijven. Ik moest altijd mijn eigen brood verdienen. Ik heb in de haven moeten werken, ik heb moeten varen, ik heb in een slachterij gewerkt. Dat is het doornige pad van de kunst. Ik schrijf alles op met hart en ziel, over wat ik heb meegemaakt en gevoeld. Zo simpel is dat.”

***

Je bent een vrouwenkenner. Waar moet een goede vrouw volgens jou aan voldoen?
Meestal zijn de vrouwen op wie ik val blond en hebben blauwe ogen. Ze moeten tegen een stootje kunnen, goed in de keuken zijn en een goede kameraad zijn. Het belangrijkste is om een goede kameraad te hebben in je leven. Mijn Babette is mijn muze, mijn grote liefde. Ik ontkom er natuurlijk niet aan dat ik in mijn verleden andere grote liefdes ben tegengekomen, daar schrijf ik natuurlijk ook over, maar dat vindt ze niet erg. Je kunt je verleden niet uit de weg gaan.”

Zijn de vrouwen veranderd in vergelijking met vroeger?
“Nee.”

Niet? Ook niet door de feministische golven?
Spottend: ‘Die zijn aan mij voorbijgegaan. In mijn kring komen geen feministen voor. Een leuke vrouw is voor mij nog steeds gewoon een lekker wijf met wie je een borrel kan drinken en met wie je goed kan lachen en de liefde mee kan bedrijven’ Lachend: ‘Waar zijn ze anders voor, zou ik haast zeggen.’

Is dat niet heel seksistisch? Je schrijft in een van je boeken bijvoorbeeld ook: ‘Een goede vrouw is onderworpen aan haar man, haar Heer en Meester’.
“Dat schrijf ik ook een beetje om te stangen, natuurlijk. Ik schreef ook dat een goede vrouw ’s ochtends als eerste opstaat en zingend in de keuken een lekker ontbijt klaarmaakt dat ze manlief op bed komt brengen met de krant opengevouwen op de sportpagina en ’s avonds in een korte rok en op hoge hakken de dampende piepers serveert. Dat vind ik nog steeds een mooi beeld. Dat is humor.”

Onlangs was er een nieuwe toneelbewerking van Turks fruit van Jan Wolkers. De makers vonden het boek achterhaald en hebben er een vrouwvriendelijker versie van gemaakt. Hoe kijk jij daarnaar?
“Dat kan toch helemaal niet? Ik doe niet mee aan die hysterie. Ik schrijf wat ik schrijven wil. Ik vind dat ik in de maat blijf, maar ik schrijf wel waar het op staat. Een lekker wijf is een lekker wijf. Ik schrijf gewoon wat het is en dat blijf ik doen. Turks fruit vond ik bij verschijning trouwens al achterhaald. Alles wat erin staat, staat al in Ik Jan Cremer.”

 

 

 

 

Lykele Muus: ‘Er wordt neergekeken op schrijvende acteurs’

Lykele Muus (32) is schrijver en acteur. Deze week verscheen zijn tweede roman: We doen wat we kunnen.

 

Kun je kort vertellen waar het boek over gaat?
We doen wat we kunnen gaat over twee bevriende gezinnen met elk een dochter die een vakantiehuis delen aan zee. Tijdens aan van de vakanties krijgen de meisjes een quad-ongeluk. Het ene meisje belandt in een coma waar ze waarschijnlijk nooit meer uitkomt, het andere meisje heeft ogenschijnlijk niks. Later veranderen de verhoudingen en worden de ouders voor een onmogelijke keuze gesteld.”

Hoe kwam je op het idee voor dit onderwerp?
“Het boek gaat over ouderschap, maar ook over duurzaamheid van relaties en het jezelf opofferen omwille van de kinderen en omwille van het samenblijven met je partner. Na de geboorte van mijn dochter merkte ik dat ik heel erg was veranderd, maar ook de relatie met de moeder van mijn dochter was heel erg veranderd. Op een gegeven moment werkte het gewoon niet meer tussen ons. Het ideaal is dat mensen die een kind hebben bij elkaar blijven. Ik vind dat helemaal niet het ideaal. Een kind heeft meer aan een goede scheiding dan aan een slecht huwelijk. Mijn ex en ik dragen het co-ouderschap over onze dochter en dat werkt uitstekend. Ik denk dat het, als je allebei carrière wilt maken en een zware baan hebt met onregelmatige uren, bijna onmogelijk is om samen een kind op te voeden. Je wilt een goede partner zijn en een goede ouder zijn, maar je wilt ook dichtbij jezelf blijven en carrière maken. Daarnaast wil je je sociale leven onderhouden en af en toe ook een moment van rust inlassen voor jezelf. Dat is bijna ondoenlijk als je met z’n drieën onder een dak woont. In de situatie waarin wij nu zitten – dus met twee ouders die allebei een drukke baan hebben – is het co-ouderschap de beste oplossing. Toen mijn ex en ik aan familie en vrienden vertelden dat wij uit elkaar gingen, zei iedereen: ‘O, wat erg voor jullie, wat jammer dat het is mislukt.’ Iets is niet mislukt als het stopt. In het boek schrijf ik ook dat je altijd opnieuw kunt beginnen. En dat is ook waar. Zelfs als je kind wegvalt, hoe verschrikkelijk dat ook is, betekent dat niet het einde van de wereld.”

In het boek schrijf je: ‘Omringd door andere ouders is het not done om te laten merken hoe zwaar het ouderschap eigenlijk is.’ Wat vind je zelf het zwaarst aan het ouderschap?
“Het houdt niet op. Als je wakker wordt ben je een ouder, als je gaat slapen ben je een ouder – je bent altijd verantwoordelijk voor het leven van je kind en dat van jezelf. Je kind mag niet dood maar je mag zelf ook niet dood. Dat bepaalt wel heel erg hoe je in het leven staat. Voordat ik een kind kreeg was ik veel impulsiever. Ik was veel onverschilliger en veel sneller met oordelen, ik had toch niets te verliezen. Nu denk ik over alles drie keer na.”

“Een kind heeft meer aan een goede scheiding dan aan een slecht huwelijk”

Je debuteerde in 2016 met Eland. Van welke fouten uit dat eerste boek heb je geleerd?
“Bij je debuut heb je het idee dat je moet bewijzen dat je een boek kan schrijven, bij je tweede heb je het idee dat je moet bewijzen dat je een goedboek kan schrijven. Eland bevatte teveel passages die niets met het verhaal te maken hadden. Ik dacht: die grappige passage laat ik erin, want dan kunnen ze zien dat ik ook met humor kan schrijven. Nu heeft elke passage een functie. Het gaat niet meer om mij als schrijver, maar alles staat in dienst van het verhaal. Eland heb ik heel impulsief geschreven, zonder duidelijk plan. We doen wat we kunnen is meer doordacht. Dat komt ook omdat dit boek als filmscenario begon, waarvoor ik me onder andere heb laten inspireren door het toneelstuk Carnage van Yasmina Reza. Dat scenario was al klaar toen het werd afgewezen door het Filmfonds, waarna ik het heb omgewerkt tot een roman.”

Je bent naast schrijver ook acteur. Zit dat acteurschap het auteurschap niet in de weg, in die zin dat je wordt weggezet als die acteur die ook zo nodig moet schrijven?
“Jawel, heel erg. Soms lijkt het wel of je in Nederland maar op een manier bekend mag zijn. Waarom zou je alleen maar schrijver of acteur kunnen zijn en niet allebei? Herman Koch is toch ook ooit begonnen als acteur? In andere landen zijn de kunsten veel minder gescheiden. Hier is het: schoenmaker blijf bij je leest. Ik merkte dat voor het eerst bij het verschijnen van mijn debuut. Niemand wilde erover schrijven. En als er al iets over werd geschreven, dan werd het boek genoemd in een lijst met boeken die geschreven zijn door een acteur, waarbij er met geen woord over de inhoud werd gerept. Collega-schrijvers denken vaak dat het door je bekendheid makkelijker is om aandacht te krijgen voor je boek. Het tegendeel is waar. Het is juist veel moeilijker. Er wordt door mensen uit het boekenvak heel erg neergekeken op schrijvende acteurs. Precies wat jij zegt: daar heb je weer zo’n acteur die ook denkt dat hij kan schrijven. Ergens snap ik dat ook wel. Ik vind het als acteur ook heel erg kut wanneer ik auditie doe voor een rol en ik later te horen krijg dat die rol is vergeven aan presentator Jan Versteegh. Aan de andere kant vind ik ook dat je je talenten mag laten zien. Waarom mag een presentator die goed kan acteren niet in een film spelen? Dat geldt voor een acteur die goed kan schrijven ook.”

We doen wat we kunnen gaat over onmogelijke dilemma’s. Als we het daar dan toch over hebben: nooit meer acteren of nooit meer schrijven?
“Nooit meer acteren. Ik verdien mijn geld met acteren, want met het schrijven van een boek verdien je niet zoveel, maar als acteur werk je toch altijd in opdracht van een ander. Ik zou alleen over deze vraag twijfelen als ik zelf mijn films en toneelstukken mocht schrijven, maar dat is niet aan de orde. Toneel is trouwens ook een uitstervende kunstvorm, dus dat idee moet ik misschien sowieso loslaten. Een boek schrijven, ook al kost het drie jaar van je leven en levert het weinig op, is voor mij het summum. Je kunt je eigen verhaal vertellen. Niemand kijkt over je schouders mee en zegt wat je moet doen. Het geeft ontzettend veel voldoening om te schrijven. Een boek is ook tijdlozer dan een film of een serie.”

“Ik wil bombarderen met waterballonnen, of desnoods een bom van stront”

Wat vind je zelf de mooiste zin uit het boek?
“De laatste zin, maar die zal ik hier niet citeren, want dan verklap ik teveel. Wat ik ook een mooie zin vind: ‘Het grootbrengen van kinderen gaat meer over het voorkomen van verdriet dan over het creëren van geluk.’”

Op welke Nederlandstalige schrijver ben je jaloers?
“Ik ben op niemand jaloers, maar ik bewonder wel bepaalde talenten van sommige schrijvers. De toewijding van Peter Buwalda, de beeldspraak van Tom Lanoye. Ik moet altijd huilen om de personages van Jaap Robben en ik bewonder Maartje Wortel omdat ze zware filosofieën heel lichtvoetig kan opschrijven.”

Tot slot: op het huis van welke schrijver zou je een precisiebombardement uit willen laten voeren?
“Ha. Laat ik vooropstellen dat ik niemand dood wil hebben en dat ik ook geen huizen kapot wil maken. Ik wil bombarderen met waterballonnen, of desnoods een bom van stront. Er zijn een paar mensen die ik hartstikke irritant vind als schrijver, maar die als mens vast hartstikke aardig zijn. Mano Bouzamour bijvoorbeeld. Ik vind het onbegrijpelijk dat zo’n ijdeltuit zo onevenredig veel aandacht krijgt voor zijn boeken en ik vind het heel irritant dat hij zich dat ook zo laat aanleunen. Ik ben begonnen in Bestsellerboy, maar ik las de eerste pagina’s en had geen idee wat er stond. Wat een draak van een boek is dat.”

Schrijver Jan Cremer: ‘Het Boekenbal stelt niets meer voor’

Jan Cremer (78) is schrijver en kunstenaar. Vorige week verscheen Canaille – het derde deel uit zijn autobiografische Odyssee-cyclus.

Verschenen op de website van HP/De Tijd. 22 maart 2019.

Zeg, waar gaat het boek eigenlijk over?

“Het gaat over de opkomst en ondergang van een beroemde primaballerina en de onmogelijke taak om voor het eerst van je leven een gezin te vormen. Het vormen van een gezin is mislukt: de moeder beschouwde haar zeven jaar met mij als een one-night-stand en de dochter die daaruit voortkwam ziet mij als haar spermadonor. Ik heb met beiden geen contact meer.”

Canaille maakt onderdeel uit van uw Odyssee-reeks. Hoeveel boeken zitten er op dit moment nog in uw hoofd?

“Ik ben dagelijks actief: schilderen in de zomer en schrijven in de winter. Op dit moment schrijf ik dus vooral. In mijn huis in Italië. Tien jaar geleden ben ik begonnen aan Sauvage, dat wordt het vierde deel uit de reeks. Sauvagegaat over mijn tijd in Frankrijk. Ik heb ook nog twee andere boeken in mijn hoofd zitten, maar daar wil ik nog niet teveel over vertellen. Ik hou er niet van om de huid te verkopen voor de beer is geschoten. Ik wil in ieder geval nog een boek schrijven over mijn visie op de kunstwereld en dan met name over het stalinisme in de kunst. Je leest t.z.t. wel wat ik daarmee bedoel. Ik wil ook een boek schrijven over mijn tijd als grensbewoner, over de zeven jaar dat ik in een Saksische boerderij op de Duitse grens schreef aan mijn epos De Hunnen.”

Waar schrijft u mee?

“Met potlood en pen maak ik notities, maar mijn minnaressen zijn mijn typemachines, mijn Triumph Gabrieles. Daar wordt alles op geschreven. Waar ter wereld ik ook was, of het nu Parijs, de Tropen of de Noordpool was, ik had er altijd een bij me.”

Wat verdient u met dit boek?

“Net genoeg om het hoofd boven water te houden. Kijk, als je rekent dat ik een vol jaar aan een boek werk, minimaal acht uur per dag, dan houd ik niets over. Ik krijg geen beurzen of stipendia. Wat ik met een boek verdien gaat meteen op aan achterstallige schulden. Toen ik op de kunstacademie zat in Arnhem woonde ik in een souterrain. Ik schreef op de muur: ‘Kunst is hongeren’. Dat is het nog steeds.”

U gaat vanavond voor het eerst sinds lange tijd weer naar het Boekenbal. Waarom bent u al die jaren niet gegaan?

“Het Boekenbal was vroeger een hot item in Amsterdam. Er gebeurde weinig in de stad dus het was het hoogtepunt van het jaar. Het Boekenbal had allure. De koningin kwam, de ministers kwamen, vrouwen kwamen in avondkledij en mannen in smoking. Nu sta je tussen mensen in bloemetjesjurken en zelfgebreide truien. Soms zie je een praalhans in een duur pak, maar meestal is het net of de gasten zijn gekleed door het rampenfonds. Het Boekenbal stelt niets meer voor. Heel anders is dat in Amerika. Ik ben ook al tientallen jaren lid van de American Authors League, de Amerikaanse schrijversvakbondEen keer per jaar geven ze aan gala. Iedereen is daar in avondjurk of smoking. Er lopen honderden kelners rond met champagne en kreeft. Er zijn lezingen van wereldberoemde mensen, er treden fantastische sterren op. Hier sta je met een hand vol knopen in de rij voor een lauw biertje. En als je een knoop tekort hebt dan moet je terug. Dat is Holland.”

Wie hoopt u tegen te komen?

“Ik hoop vanavond tegen te komen mijn gewaardeerde collega’s, waarvoor ik veel bewondering heb en die ook veel bewondering voor mij hebben, en waar ik graag een gesprek op niveau mee wil voeren.”

En wie niet?

“De mensen die ik niet tegen hoop te komen zijn allemaal al dood.”

Wie is uw favoriete Nederlandstalige schrijver?

“Daar vraag je me wat.” Er valt een lange stilte. “David van Reybrouck. Dat is mijn favoriete schrijver van dit moment. Congo is echt een meesterwerk. Wereldliteratuur. Ik bewonder zijn directheid, zijn scherpheid, de prachtige zinnen die hij schrijft. Belgen zijn beter met taal dan Hollanders. Hij neemt je mee in een wereld waar je niet in mee getrokken wilt worden, maar je bent veilig bij hem en je zit de rit wel helemaal uit.”

Zijn er schrijvers die u tot uw vrienden rekent?

“Dat is altijd een heikel punt, want als je iemand vergeet, heb je daar weer ruzie mee de komende tien jaar, begrijp je?”

Laat ik het anders stellen: kunt u drie schrijvers noemen die u tot uw vrienden rekent?

“Gerard Reve, Willem Frederik Hermans en de enige andere oorspronkelijke en overgebleven De Bezige Bij-auteur Remco Campert.”

Op het huis van welke schrijver zou u een precisiebombardement uit willen voeren?

“Laat ik daar nog even over nadenken, voordat ik in de voetsporen treed van Bomber Harris.”

 

De nooddruftige schrijver

Atte Jongstra (62) schreef met zijn essaybundel De ontgroende mens een van de betere natuurboeken van het jaar, maar staat niet op de longlist van de Jan Wolkers Prijs. De schrijver zelf zit daar niet mee: geldzorgen zijn een groter probleem. HP/De Tijd belde met de schrijver, die net terug was van zijn tweede huis in Frankrijk.

(Verschenen in het septembernummer van HP/De Tijd – 2018.)

Wacht eens even, u klaagt dat u nauwelijks kunt rondkomen van uw schrijverij, maar u heeft een tweede huis in Frankrijk?
“Een tweede huis is een groot woord. Het is een vervallen optrekje. Heel luxe is het niet, om er maar eens een understatement op los te laten. Ik noem het zelf altijd een ruïne. Je kunt erin slapen en in eten, maar verder stelt het niet zoveel voor. Ik schrijf er ’s zomers en werk dan wat in de tuin, maar ’s winters is het er te koud.”

Hoe arm bent u?
“Ik leef op dit moment van een werkbeurs van het Letterenfonds, maar daar kun je nauwelijks van rondkomen, want de belasting gaat er ook nog eens een keer van af. Dus als je een werkbeurs krijgt van laten we zeggen dertig mille, dan houd je daar twintig mille van over waar je dan een jaar van moet schrijven. Het is schrapen. Ik klaag er niet over, want ik kan het geld goed gebruiken, maar ik heb het idee dat mensen soms denken dat schrijvers breed leven van subsidiegelden. Dat is absoluut niet het geval. Als ik een keer een lezing of iets dergelijks heb, waar ik ook nog een klein beetje mee verdien, dan heb ik nog moeite om die maand rond te komen. Ik kan het steeds allemaal net redden, maar veel slechter moet het niet worden.”

U verkocht van een roman vroeger gemiddeld zo’n tweeduizend exemplaren, maar dat is de laatste jaren gehalveerd. Politici als Eric Wiebes zeggen dan: kunst moet zichzelf kunnen bedruipen, als er geen markt is voor die schrijver, dan hoeft hij ook geen subsidie te krijgen.
“Maar als er wel een markt is voor een schrijver, hoeft hij ook geen subsidie. Geen geld voor de kunst dus. Het is een oude discussie. Multatuli heeft zich al tegen die visie verzet. Thorbecke zei: ‘Kunst is geen regeringszaak.’ Multatuli zei op zijn beurt: ‘Kunst is wel degelijk een regeringszaak. Want kunst is goed voor het volk, en het volk is wel degelijk een regeringszaak.’ Daar ben ik het mee eens. Je moet een gezond cultureel klimaat hebben en daar moet je als regering ook in investeren. Als ik ophoud met schrijven, dan is dat niet zo erg voor de letteren, maar als alle schrijvers die afhankelijk zijn van een werkbeurs ophouden met schrijven, dan wordt het aanbod wel heel erg schraal.”

Hoe nu verder? Moeten we een actie opzetten om u de winter door te helpen?
“Ha, nee, ik ben niet de enige. Als je dat gaat doen, dan kun je wel bezig blijven.” Ironisch: “Als ik mijn rekeningen niet meer kan betalen, moet ik iets anders gaan verzinnen. Misschien maar tramconducteur worden. Ik spreek weleens iemand die dat is en die is daar aardig tevreden over. Hij heeft wel onregelmatige diensten, maar die draait een schrijver altijd al.”

Op 21 oktober vindt de uitreiking van de Jan Wolkers Prijs plaats. De ontgroende mens ligt in de boekhandels.

De leeshonger van Griet Op de Beeck

Dit jaar schrijft Griet Op de Beeck (44) het Boekenweekgeschenk. Wat leest, kijkt en luistert zij als ze niet zelf aan het schrijven is?

Interview uit het maartnummer van HP/De Tijd (2018)

BOEKEN
“Op dit moment lees ik bijna uitsluitend het werk van Frans Kellendonk, want ik ben zowaar gevraagd om dit jaar de Frans Kellendonk-lezing te houden. Ik had weleens wat van hem gelezen, maar niet heel veel, ook omdat hij in België een veel minder bekend figuur is dan in Nederland. Ik ben begonnen met zijn verzamelde brieven. Ook al ben je in brieven onvermijdelijk toch altijd een beetje de sociaal wenselijke versie van jezelf – hoewel hij soms behoorlijk tekeergaat tegen andere mensen –, toch schetst het een mooi beeld van wie hij was, hoe hij dacht en geëvolueerd is. Het andere boek dat ik nu lees is Of heb ik het verzonnen? van Herman Koch en Wanda Reisel. Het nam me meteen mee, ik vond het nog fascinerender dan ik had gedacht. Herman en Wanda kennen elkaar al vanaf hun jeugd. Heerlijk dat twee schrijvers zo’n lange geschiedenis delen, dat ze aftasten hoe betrouwbaar herinneringen zijn, en hoe anders percepties van dezelfde gebeurtenissen. Ze schrijven over hun levens, de boeken die ze hebben gelezen en aan het schrijven zijn en het biedt een boeiende, intieme inkijk in hun hoofden. Herman is een goede vriend van mij en ik heb hem door dit boek nog wat beter leren kennen, dat is toch een mooie bonus.
“Van Philippe Claudel had ik alles gelezen, behalve Het kleine meisje van meneer Linh. Er is een theaterbewerking van gemaakt door Toneelhuis Antwerpen en ik dacht: voordat ik naar het theaterstuk ga, moet ik eigenlijk wel eerst het boek hebben gelezen. En het heeft me echt tot tranen toe geroerd. Dat gebeurt me bijna nooit. Meneer Linhs familie is in zijn thuisland vermoord, en hij is met zijn kleindochter, een baby nog, naar Europa gevlucht. Hij gaat kapot van eenzaamheid in een asielzoekerscentrum, tot hij ergens buiten op een bankje een man ontmoet. Ook al spreken ze elkaars taal niet, toch vinden die twee elkaar. Ik ga niet verklappen wat de link precies is, maar het is een prachtig portret van mensen die tegen alle verwachtingen in het verschil weten te maken in het leven van de ander. In een wereld waar zoveel mensen lijnrecht tegenover elkaar staan, gaat dit verhaal recht naar het hart.
“Een ander boek waar ik onlangs erg van onder de indruk was – nu lijk ik behept te zijn met de vluchtelingenproblematiek, maar daar wordt natuurlijk veel over geschreven nu – is Waarvan wij droomden van Julie Otsuka. Het is zo’n boek waarvan je denkt: het uitgangspunt is leuk, maar niet doenbaar. Het verhaal heeft namelijk geen hoofdpersoon. Het is helemaal geschreven in de wij-vorm. Het gaat over een groep Japanse vrouwen die in 1920 naar San Francisco werden verscheept om daar hun Amerikaanse man te ontmoeten, die hen op basis van een foto had uitgekozen – met alle gevolgen en teleurstellingen van dien. Prachtig geschreven, indrukwekkend relaas van wat mensen overkomt die op een bepaald moment door de plaatselijke bevolking niet meer getolereerd worden. Schrijnend portret dat verplichte lectuur zou moeten zijn voor alle jonge mensen, vind ik.”

Het gehele interview met Griet Op de Beeck – onder meer over Francis Bacon, Alain Plattel en de Coen Brothers – leest u in de papieren HP/De Tijd of op Blendle.

Jan Cremer: ‘Er is een overvloed aan schrijvers en kunstenaars’

Op 17 november verschijnt het nieuwste boek van schrijver/schilder Jan Cremer: Sirenen. Reden voor HP/De Tijd om deze vroegere kunstnozem te spreken over het culturele klimaat in Nederland. Hij is onverbiddelijk: “Iedereen denkt tegenwoordig dat hij een boek kan schrijven en een schilderij kan maken.”

Cremer heeft niet veel op met collega-schrijvers: “Literatuur vind ik tijdverspilling. Ik denk vaak al op de eerste pagina: dat had ik veel beter kunnen schrijven. Ik heb ook niets met die krampachtige mooischrijverij die je vaak ziet. Jonge schrijvers leiden vaak een verwend leven. Daardoor blijven ze aan de oppervlakte. Je moet onheil en ellende, oorlogen en armoe hebben doorleefd om daarover te kunnen schrijven.”

“De schrijvers van nu komen vaak niet verder dan het beschrijven van de dop, terwijl je de noot moet kraken om een goed verhaal te vertellen,” vervolgt hij. “Ik zou heel makkelijk een prachtig boek kunnen schrijven waarvan de mensen al bij de eerste zin tranen in hun ogen krijgen. Dat is helemaal niet moeilijk. Maar dat wil ik niet. Ik schrijf kordaat en scherp. Zonder opsmuk. Dat is mijn stijl. Ik kan niet anders.”

‘Iedereen is tegenwoordig kunstenaar’

Ook gispt hij de hedendaagse kunstwereld: “Ik moet niet interessant gaan doen en zeggen dat ik graag musea bezoek, want dat is niet zo”, zegt hij verderop in het interview. “Ik ga meestal meteen op zoek naar de bar. Ik kom er wel, meestal met mijn vrouw, want die houdt er wel van, maar dan heb ik het na vijf minuten wel gezien.” (…) “Vroeger, als je het Stedelijk binnenliep, hing daar de geur van olieverf. Dat is niet meer.”

“Je komt in musea nauwelijks nog een olieverfschilderij tegen. ‘Schilderen is oorlog,’ heb ik weleens gezegd. Olieverfschilderen is een doek aanvallen. Dat is durf. Dat is de materie beheersen. Nu wordt er vaak voor de makkelijke oplossing gekozen. Als je naar een expositie gaat kijken van pas afgestudeerde studenten van de Rijksacademie, dan zitten er tussen die honderd studenten misschien twee van wie je zegt: dat zou weleens iets kunnen worden. Bij de rest ontbreekt de spanning.”

Cremer stelt dat de schilderswereld aan het inslapen is. “Er is ook een overvloed aan kunstenaars. Iedereen is kunstenaar tegenwoordig. Toen ik in 1958 in Den Haag begon met schilderen, woonden er dertig kunstenaars in de stad. We kenden elkaar allemaal. In Amsterdam waren dat er zestig. Die troffen elkaar elke avond in Café Eijlders. Nu wonen er niet zestig maar zesduizend kunstenaars in de stad en die staan allemaal aan de ruif. Hetzelfde geldt voor schrijvers. Toen Ik Jan Cremer in 1964 verscheen bij De Bezige Bij, waren dat allen serieuze schrijvers. Nu zijn er duizenden mensen die een boek denken te kunnen schrijven. Het is een andere wereld geworden.”

‘De Derde Wereldoorlog is begonnen’

Tot slot waarschuwt hij voor de gevaren van de vooruitgang: “Volgens mij onderschatten wij de gevaren van de nieuwe techniek. De Derde Wereldoorlog is twintig jaar geleden begonnen met de komst van internet. Hackaanvallen zijn aanslagen van nu. We zijn compleet afhankelijk geworden van techniek en daarmee geven we de vijand onze wapens in handen. Eén druk op de knop en geen vliegtuig vliegt meer, geen boot vaart meer, geen deur of raam gaat meer open.”

Cremer is niet blij met de komst van zelfrijdende auto’s en vliegtuigen zonder piloot. “Onze vrijheid wordt van ons afgepakt en we hebben het niet door. Wat is er aan te doen? Je zou elke werkloze een hamer en een bijl in handen kunnen geven om de computers in elkaar te slaan. Dat is meteen een oplossing voor het werkloosheidsprobleem.”

Het onverbiddelijke interview met Jan Cremer leest u in zijn geheel in het nieuwe nummer van HP/De Tijdof online op Blendle.

Dimitri Verhulst: ‘Alcohol is het vocht van de democratie’

Aan de vooravond van zijn theatertournee Godverdomse dagen op een godverdomse bol en vlak na verschijning van zijn dichtbundel Stoppen met roken in 87 gedichten een vrijmoedig gesprek met schrijver Dimitri Verhulst (44). Over het jammerlijke verdwijnen van de kroegcultuur, het onbegrijpelijke succes van Karl Ove Knausgård, geloofsfanatici en het vaderschap. ‘Ik ben een uitermate slechte en afwezige vader.’

Lees het gehele interview (acht pagina’s) in het oktobernummer van HP/De Tijd (2017) of op Blendle.

Drie zomers woont hij hier nu, op de tweede verdieping van een monumentaal pand in het centrum van Gent, en nergens voelt hij zich zo senang als op deze plek. Dimitri Verhulst is eindelijk thuis. Zijn appartement is opvallend ordentelijk ingericht. Hij woont, denk ik terwijl ik om mij heen kijk, zoals hij praat en schrijft: er staan weinig spullen, maar dat wat er staat, is mooi en staat er met een reden.

Wat doe jij in Gent? Je bent toch helemaal geen stadsmens?
“Ik heb bijna mijn hele leven buiten de stad gewoond, inderdaad. Ik heb ook vijftien jaar lang niet in mijn moedertaal gewoond. Ik heb me plots gerealiseerd hoe hard ik mijn taal heb gemist. Het Nederlands werd een abstract ding, terwijl het mijn werkmateriaal is, mijn grote liefde. En bovendien stelde ik vast dat ik, telkens wanneer ik naar deze stad afreisde, het moeilijk vond om weer weg te gaan.
Als ik een lezing had gedaan, wilde ik altijd nog even de kroeg in om mijn vertrek uit te stellen. Ik heb ooit weleens geschreven dat ik iemand ben die zwalkt tussen bindingsangst en verlatingsangst. Waarschijnlijk is dat wel het geval. Ik ben hier thuis. Het klinkt verschrikkelijk. Ik heb me er altijd tegen verzet om ergens thuis te zijn, maar hier ben ik het.”

Komt dat misschien ook doordat Gent bekendstaat om zijn fijne kroegen?
“Ik ga graag naar de kroeg, ja. Met mensen praten. Muziek maken. Samenleven. Wanneer wij wat vaker in de kroeg gaan zitten – wat ik iedereen aanbeveel, want ik vind dat onze kroegcultuur stervende is – geloof ik dat we de wereld kunnen verbeteren. In de kroeg praten mensen nog met elkaar. Dat heeft niks te maken met bezopen zijn. Ideeën hebben daar seks met elkaar. Daar vermenigvuldigen die ideeën zich ook. Als we nu allemaal wat vaker in de kroeg gaan zitten en wat minder op Facebook en Twitter, dan worden de goede ideeën groter en verspreiden ze zich.” Hij denkt hardop na: “Er zijn ook best wat culturen die alcohol verbieden. Het is wel opvallend dat culturen waar alcohol verboden wordt, ook de culturen zijn waar discussie niet geapprecieerd wordt. Alcohol is het vocht van de democratie. Samen eten is ook heel belangrijk. Alle godsdiensten hebben dieetvoorschriften. De joden vinden dat je dit moet eten en dat niet, van de moslims mag je dat wel eten maar dit niet. Ook de christenen, lees het Oude Testament, hebben iets te zeggen over wat wel en niet op ons bord mag liggen. Maar wat betekent dit in concreto: dat de drie godsdiensten niet samen aan tafel kunnen. De een moet wijn drinken om de Heer te gedenken, de ander mag geen alcohol. Hoe komen we dan tot een samenlevingsmodel? We mógen niet samenleven. De dictatuur van de godsdienst verbiedt het ons. De wereld wordt gered met eten en drinken. I am sorry. Ik heb niets tegen godsdiensten. Ik kan niet in iemand zijn kop gaan kruipen en zeggen: jij mag niet geloven. Ik heb ook geen enkel bewijs dat God niet bestaat. Maar de exponenten van dat geloof vind ik verschrikkelijk. En het fanatisme wordt ook erger met de dag. We dachten dat we er klaar mee waren.”

Arthur Japin over Marguerite Yourcenar, Tsjaikovski en The Sound of Music

Met een nieuwe roman (Kolja) en een zelfgemaakte toneelbewerking van zijn boek De man van je leven heeft Arthur Japin de afgelopen maanden bepaald niet stilgezeten. Wat leest, luistert en ziet hij als hij niet aan het schrijven is?

(Interview in het septembernummer van HP/De Tijd, 2017.)

BOEKEN
“Een boek dat van grote invloed is geweest op mijn leven en werk, is Hadrianus’ gedenkschriften van Marguerite Yourcenar. Toen ik begin jaren tachtig samen met Rosita Steenbeek naar Rome ging, in de hoop dat we bij Fellini in een film zouden komen, zei iemand tegen ons: jullie moeten Hadrianius’ gedenkschriften lezen en in Tivoli zijn villa bezoeken. We zouden in de stad allemaal dingen vinden die in het boek voorkomen. Dus ik nam dat boek mee en las het daar. Het was de periode in mijn leven dat ik eigenlijk wel wist dat ik geen acteur wilde worden, maar niet wist wat ik wel moest gaan doen. Uiteindelijk ging ik schrijven, wat tien jaar later resulteerde in De zwarte met het witte hart. Een Franse recensent schreef dat het deed denken aan de boeken van Yourcenar, terwijl ik die link zelf helemaal niet had gelegd. Achteraf bezien doe ik inderdaad wat zij doet in Hadrianus’ gedenkschriften en in haar andere boeken – Het hermetisch zwart bijvoorbeeld, dat misschien nog wel mooier is. Je neemt een persoon uit de geschiedenis en maakt die menselijk. En door die menselijke ogen bezie je een heel tijdsgewricht.”

MUZIEK
“Ik heb voor Kolja veel en goed naar Tsjaikovski geluisterd. Zijn Zesde symfonie (Pathétique), een stuk dat veel afscheid in zich herbergt, speelt in het boek een rol, omdat het een week voor de mysterieuze dood van de componist in première ging.Daar gaat het boek ook over: hoe is hij werkelijk aan zijn eind gekomen? Doordat ik me zo in hem ben gaan verdiepen, ben ik ook anders naar zijn muziek gaan luisteren. Je hoort de wanhoop van niet mogen zijn wie je bent, het altijd op zoek zijn naar verboden passie en de frustratie die zijn homoseksualiteit met zich meebracht. Bij geen enkele componist hoor je die lust en wanhoop zo sterk als bij hem.”

FILM
“Een film die echt invloed op mij had… echt invloed op mijn leven… dat zijn er meerdere. Als ik als kind bijvoorbeeld Cabaret met Liza Minelli niet had gezien of The Sound of Music met Julie Andrews of Funny Girl met Barbra Streisand, dan had ik het niet gered. Dat waren essentiele films om te overleven. In ieder zit een moment waarop de hoofdfiguur totaal aan de grond en in de put zit. Dan begint ergens een viool te spelen en begint hij of zij te zingen: maar dit laat ik niet gebeuren, ik vecht terug om te worden wie ik zijn moet en dat moet de wereld maar accepteren. Zo komen ze uit hun diepe dal naar buiten, dansend, en op straat dansen alle mensen met hen mee. Aan die totaal onwerkelijke gedachte van hoop houden tegen beter weten in – want dat is het – heb ik uiteindelijk meer geloof gehecht dan aan mijn werkelijkheid. Dat is mijn redding geweest.”

Het gehele interview leest u in de papieren HP/De Tijd of op Blendle.