Javier Guzman: ‘Ik heb me lange tijd verantwoordelijk gevoeld voor de dood van mijn vader’

Interview voor Playboy. November 2017.

In zijn nieuwe voorstelling Ga-Bie-Jer maakt Javier Guzman (40) korte metten met zijn driftkikkerimago. Hij stelt zich voor als de verlegen en bescheiden man die hij eigenlijk meent te zijn. Maar vals bescheiden is hij niet: dat hij tot ’s lands beste cabaretiers behoort, durft hij best te erkennen.

1. Reken jij jezelf tot de tien beste cabaretiers van Nederland?

Het is dat anderen het zoveel gezegd hebben, zowel critici als publiek, dat ik wel durf te zeggen dat ik tot de top tien behoor. Een aantal jaren geleden was ik van management veranderd en stond ik opeens tegenover een van de beste theaterboekers van Nederland. Hij keek me aan en zei: ‘Je weet nu wel tot welke categorie je behoort?’ Ik antwoordde zonder valse bescheidenheid: ‘Ik denk dat ik wel tot de vijftig beste cabaretiers van Nederland behoor.’ Hij keek me beduusd aan. ‘Vijftig? Je staat op dit moment in de top vijf van beste cabaretiers van ons land!’ Toen pleurde de tonic uit m’n poten. Ik was alleen maar bezig met spelen. Ik had daar totaal geen zicht op.

2. Zou je iets aan jezelf willen veranderen?

Ik zou me minder schuldig willen voelen. Ik voel me altijd schuldig. Over alles. Ik hoop dat ik het niet alleen op het toneel maar ook privé fijn zal hebben. Ik heb het nu fijner dan ik lange tijd heb gehad. Ik heb een hele lieve vriendin en ben steeds beter in balans. Ik heb het gevoel dat ik op een kantelpunt in mijn leven sta: ik vind steeds meer innerlijke rust, ik weet mijn tijd steeds beter in te delen en wordt steeds gelukkiger.

3. Wat is op dit moment het grootste verdriet in je leven?

De zelfmoord van mijn vader. In het laatste gesprek dat we hadden kregen we ruzie. Ik onderhield hem financieel en zei dat ik daar even mee zou stoppen. Dat het voor hem tijd werd om op eigen benen te gaan staan. En toen zei hij: ‘Dat kun je wel doen, maar dan maak ik er een eind aan.’ Ik dacht dat het gewoon bluf was. Want dat deed hij wel vaker. Bluffen. Maar dit was een van de weinige keren dat hij dat niet deed. Ik heb me lange tijd verantwoordelijk gevoeld voor zijn dood. En nog steeds. Daar komt dat altijd aanwezige schuldgevoel ook vandaan, denk ik.

4. In je voorstelling Ga-Bie-Jer stel je jezelf ‘opnieuw voor aan het publiek’. Wat is de grootste misvatting die onder dat publiek er over jou bestaat?

Na lang aarzelen: “Dat ik op het toneel net zo ben als in het echt. Ik denk dat mensen verwachten dat ik in het dagelijks leven een nietsontziende rauwdouwer ben, maar eigenlijk ben ik een heel bescheiden en verlegen man. Ik ben wel een enfant terrible maar dat zit hem niet in fysieke agressie”

5. Hoe kan het dan dat je meermaals in het nieuws bent geweest met vechtpartijen?

Dat berust allemaal op een misvatting. Van het eerste incident waarmee ik het nieuws haalde, die vechtpartij op de Zeedijk, was ik niet de agressor. Mijn broer en ik werden tot pulp geslagen en wij sloegen terug. Ik kreeg wel van alle kanten de schuld in de schoenen geschoven. Als ik al vecht, dan vecht ik voor mijn vrijheid. Ik ben nog nooit een vechtpartij begonnen. En de keren dat ik agressief was en iets moest het ontgelden, dan waren dat tafels en stoelen. Geen mensen.

6. Toch kwam je in 2013 weer in het nieuws omdat je cabaretier Martijn Koning bij zijn huis met een stroomstootwapen zou hebben bedreigd. Is dat dan verzonnen?

Lees het antwoord op deze vraag op Blendle.

 

Jan Cremer: ‘Er is een overvloed aan schrijvers en kunstenaars’

Op 17 november verschijnt het nieuwste boek van schrijver/schilder Jan Cremer: Sirenen. Reden voor HP/De Tijd om deze vroegere kunstnozem te spreken over het culturele klimaat in Nederland. Hij is onverbiddelijk: “Iedereen denkt tegenwoordig dat hij een boek kan schrijven en een schilderij kan maken.”

Cremer heeft niet veel op met collega-schrijvers: “Literatuur vind ik tijdverspilling. Ik denk vaak al op de eerste pagina: dat had ik veel beter kunnen schrijven. Ik heb ook niets met die krampachtige mooischrijverij die je vaak ziet. Jonge schrijvers leiden vaak een verwend leven. Daardoor blijven ze aan de oppervlakte. Je moet onheil en ellende, oorlogen en armoe hebben doorleefd om daarover te kunnen schrijven.”

“De schrijvers van nu komen vaak niet verder dan het beschrijven van de dop, terwijl je de noot moet kraken om een goed verhaal te vertellen,” vervolgt hij. “Ik zou heel makkelijk een prachtig boek kunnen schrijven waarvan de mensen al bij de eerste zin tranen in hun ogen krijgen. Dat is helemaal niet moeilijk. Maar dat wil ik niet. Ik schrijf kordaat en scherp. Zonder opsmuk. Dat is mijn stijl. Ik kan niet anders.”

‘Iedereen is tegenwoordig kunstenaar’

Ook gispt hij de hedendaagse kunstwereld: “Ik moet niet interessant gaan doen en zeggen dat ik graag musea bezoek, want dat is niet zo”, zegt hij verderop in het interview. “Ik ga meestal meteen op zoek naar de bar. Ik kom er wel, meestal met mijn vrouw, want die houdt er wel van, maar dan heb ik het na vijf minuten wel gezien.” (…) “Vroeger, als je het Stedelijk binnenliep, hing daar de geur van olieverf. Dat is niet meer.”

“Je komt in musea nauwelijks nog een olieverfschilderij tegen. ‘Schilderen is oorlog,’ heb ik weleens gezegd. Olieverfschilderen is een doek aanvallen. Dat is durf. Dat is de materie beheersen. Nu wordt er vaak voor de makkelijke oplossing gekozen. Als je naar een expositie gaat kijken van pas afgestudeerde studenten van de Rijksacademie, dan zitten er tussen die honderd studenten misschien twee van wie je zegt: dat zou weleens iets kunnen worden. Bij de rest ontbreekt de spanning.”

Cremer stelt dat de schilderswereld aan het inslapen is. “Er is ook een overvloed aan kunstenaars. Iedereen is kunstenaar tegenwoordig. Toen ik in 1958 in Den Haag begon met schilderen, woonden er dertig kunstenaars in de stad. We kenden elkaar allemaal. In Amsterdam waren dat er zestig. Die troffen elkaar elke avond in Café Eijlders. Nu wonen er niet zestig maar zesduizend kunstenaars in de stad en die staan allemaal aan de ruif. Hetzelfde geldt voor schrijvers. Toen Ik Jan Cremer in 1964 verscheen bij De Bezige Bij, waren dat allen serieuze schrijvers. Nu zijn er duizenden mensen die een boek denken te kunnen schrijven. Het is een andere wereld geworden.”

‘De Derde Wereldoorlog is begonnen’

Tot slot waarschuwt hij voor de gevaren van de vooruitgang: “Volgens mij onderschatten wij de gevaren van de nieuwe techniek. De Derde Wereldoorlog is twintig jaar geleden begonnen met de komst van internet. Hackaanvallen zijn aanslagen van nu. We zijn compleet afhankelijk geworden van techniek en daarmee geven we de vijand onze wapens in handen. Eén druk op de knop en geen vliegtuig vliegt meer, geen boot vaart meer, geen deur of raam gaat meer open.”

Cremer is niet blij met de komst van zelfrijdende auto’s en vliegtuigen zonder piloot. “Onze vrijheid wordt van ons afgepakt en we hebben het niet door. Wat is er aan te doen? Je zou elke werkloze een hamer en een bijl in handen kunnen geven om de computers in elkaar te slaan. Dat is meteen een oplossing voor het werkloosheidsprobleem.”

Het onverbiddelijke interview met Jan Cremer leest u in zijn geheel in het nieuwe nummer van HP/De Tijdof online op Blendle.

Dimitri Verhulst: ‘Alcohol is het vocht van de democratie’

Aan de vooravond van zijn theatertournee Godverdomse dagen op een godverdomse bol en vlak na verschijning van zijn dichtbundel Stoppen met roken in 87 gedichten een vrijmoedig gesprek met schrijver Dimitri Verhulst (44). Over het jammerlijke verdwijnen van de kroegcultuur, het onbegrijpelijke succes van Karl Ove Knausgård, geloofsfanatici en het vaderschap. ‘Ik ben een uitermate slechte en afwezige vader.’

Lees het gehele interview (acht pagina’s) in het oktobernummer van HP/De Tijd (2017) of op Blendle.

Drie zomers woont hij hier nu, op de tweede verdieping van een monumentaal pand in het centrum van Gent, en nergens voelt hij zich zo senang als op deze plek. Dimitri Verhulst is eindelijk thuis. Zijn appartement is opvallend ordentelijk ingericht. Hij woont, denk ik terwijl ik om mij heen kijk, zoals hij praat en schrijft: er staan weinig spullen, maar dat wat er staat, is mooi en staat er met een reden.

Wat doe jij in Gent? Je bent toch helemaal geen stadsmens?
“Ik heb bijna mijn hele leven buiten de stad gewoond, inderdaad. Ik heb ook vijftien jaar lang niet in mijn moedertaal gewoond. Ik heb me plots gerealiseerd hoe hard ik mijn taal heb gemist. Het Nederlands werd een abstract ding, terwijl het mijn werkmateriaal is, mijn grote liefde. En bovendien stelde ik vast dat ik, telkens wanneer ik naar deze stad afreisde, het moeilijk vond om weer weg te gaan.
Als ik een lezing had gedaan, wilde ik altijd nog even de kroeg in om mijn vertrek uit te stellen. Ik heb ooit weleens geschreven dat ik iemand ben die zwalkt tussen bindingsangst en verlatingsangst. Waarschijnlijk is dat wel het geval. Ik ben hier thuis. Het klinkt verschrikkelijk. Ik heb me er altijd tegen verzet om ergens thuis te zijn, maar hier ben ik het.”

Komt dat misschien ook doordat Gent bekendstaat om zijn fijne kroegen?
“Ik ga graag naar de kroeg, ja. Met mensen praten. Muziek maken. Samenleven. Wanneer wij wat vaker in de kroeg gaan zitten – wat ik iedereen aanbeveel, want ik vind dat onze kroegcultuur stervende is – geloof ik dat we de wereld kunnen verbeteren. In de kroeg praten mensen nog met elkaar. Dat heeft niks te maken met bezopen zijn. Ideeën hebben daar seks met elkaar. Daar vermenigvuldigen die ideeën zich ook. Als we nu allemaal wat vaker in de kroeg gaan zitten en wat minder op Facebook en Twitter, dan worden de goede ideeën groter en verspreiden ze zich.” Hij denkt hardop na: “Er zijn ook best wat culturen die alcohol verbieden. Het is wel opvallend dat culturen waar alcohol verboden wordt, ook de culturen zijn waar discussie niet geapprecieerd wordt. Alcohol is het vocht van de democratie. Samen eten is ook heel belangrijk. Alle godsdiensten hebben dieetvoorschriften. De joden vinden dat je dit moet eten en dat niet, van de moslims mag je dat wel eten maar dit niet. Ook de christenen, lees het Oude Testament, hebben iets te zeggen over wat wel en niet op ons bord mag liggen. Maar wat betekent dit in concreto: dat de drie godsdiensten niet samen aan tafel kunnen. De een moet wijn drinken om de Heer te gedenken, de ander mag geen alcohol. Hoe komen we dan tot een samenlevingsmodel? We mógen niet samenleven. De dictatuur van de godsdienst verbiedt het ons. De wereld wordt gered met eten en drinken. I am sorry. Ik heb niets tegen godsdiensten. Ik kan niet in iemand zijn kop gaan kruipen en zeggen: jij mag niet geloven. Ik heb ook geen enkel bewijs dat God niet bestaat. Maar de exponenten van dat geloof vind ik verschrikkelijk. En het fanatisme wordt ook erger met de dag. We dachten dat we er klaar mee waren.”

Interview in ‘De Taalstaat’

Op zaterdag 14 oktober 2017 sprak ik in het radioprogramma ‘De Taalstaat’ (NPO Radio 1) over mijn week in tweets. Ik vertelde presentator Jan Beuving onder meer waarom Spaanse Brabander van G.A. Bredero eigenlijk een heel modern stuk is, waarom A.L. Snijders de beste schrijver van ons land is en over de donderdagcolumn van Jonah Falke in De Gelderlander.

Terugluisteren kan hier: https://www.nporadio1.nl/de-taalstaat/onderwerpen/429044-de-digitaalstaat-nick-muller

Pieter Verhoeff: ‘Humor in literatuur wordt gewantrouwd’

Van regisseur Pieter Verhoeff (1938) gingen op het Nederlands Film Festival twee producties in première: de documentaire Echt Herman Koch en de speelfilm Tokyo Trial. Wat kijkt, leest en luistert deze cineast als hij niet met film bezig is?

Interview voor het oktobernummer (2017) van HP/De Tijd. Het gehele interview is hier te lezen.

BOEKEN
“Ik was in de beginjaren als regisseur nauw betrokken bij Jiskefet en ken Herman Koch zodoende goed. Omdat ik een documentaire over hem heb gemaakt, heb ik de afgelopen tijd alles van hem gelezen en deels herlezen. Het viel me weer op hoe ongelooflijk clever alles in elkaar zit. Die boeken zijn veel diepzinniger dan menigeen denkt. Het is interessant hoe hij bijvoorbeeld speelt met autobiografische gegevens. In Geachte heer M. zit een beschrijving van de begrafenis van de moeder van een vriendje van een van de hoofdpersonages, waarbij hij details van de begrafenis van zijn eigen veel te jong gestorven moeder heeft gebruikt. In Red ons, Maria Montanelli doet de vader van de hoofdpersoon het met een verschrikkelijke Amsterdam Zuidtrut. Ook uit het leven gegrepen. Herman schept er een sardonisch genoegen in om verwarring te scheppen. Hij is, bijvoorbeeld in interviews, even openhartig als dubbelzinnig. Griet Op de Beeck heeft hem eens gevraagd: ‘Als ik jouw boeken nu heel goed en grondig lees, leer ik jou dan echt kennen?’ Waarop hij aarzelend antwoordde: ‘Ja, ik denk het wel.’ Maar dan moet je wel zelf uitzoeken wat echt is en wat niet. Het is jammer dat hij als schrijver door de instituties niet serieus genomen wordt. Ik sprak een jaar geleden met een literatuurcriticus die zei: ‘Koch schrijft geweldig, maar hij zal nooit de P.C. Hooftprijs winnen.’ Als je niet ernstig bent, tel je niet mee. Humor wordt gewantrouwd.”

FILM
“We gaan eens per week met een groep mensen naar de film, waardoor ik de belangrijkste films die er door het jaar heen verschijnen wel zie. Laatst zijn we naar de documentaire over de schrijver James Baldwin geweest: I Am Not Your Negro. Prachtig gemaakt. Baldwin was een tengere zwarte man, die ook nog eens homoseksueel was. De film gaat over een nooit voltooid boek dat hij zou schrijven over zijn drie vermoorde vrienden Malcolm X, Medgar Evers en Martin Luther King. De maker van de film verbindt dat heel mooi met het racisme van nu. Genderbende van de pas aan de filmacademie afgestudeerde Sophie Dros vond ik ook een fantastische documentaire. Het gaat over een aantal mensen die noch man noch vrouw willen zijn. Ze spelen met hun identiteit. Er zit bijvoorbeeld een heteroseksuele jongen in die qua uiterlijk heel vrouwelijk is, maar wel naar het café gaat om met een biertje in de hand naar een voetbalwedstrijd te kijken. Doordat de scenes soms minutenlang duren en de camera niet beweegt, blijf je maar uitgedaagd worden om te kijken. Het is lang geleden dat ik zo’n goede documentaire heb gezien. En dan is het ook nog eens een debuut.
Get out vond ik ook een indrukwekkende film. Het gaat over een donkere jongen die bij zijn kersverse schoonouders op bezoek gaat en daar met open armen wordt ontvangen. Langzamerhand komt hij erachter dat ze iets macabers met hem van plan zijn. De film krijgt zo op den duur alle kenmerken van een horrorfilm, maar dat is het niet – het gaat hier om de horror van de verziekte samenleving. Die vermenging van maatschappijkritiek en horror is geniaal. Mijn favoriete film van de laatste jaren is Toni Erdmann (van Maren Abe), een Duitse film met Sandra Hüller in de hoofdrol. Het is geestig, warm, menselijk en realistisch. Het gaat over een man van in de zestig die een beetje mislukt is. Zijn carrière ging niet goed, zijn vrouw is bij hem weg en dan gaat zijn hond ook nog eens dood. Om opnieuw contact met zijn dochter te krijgen, die suggereert een succesvol leven te leiden als consultant voor een oliemaatschappij, reist hij haar achterna. Hij vermomt zich voortdurend, maar zij heeft al snel door dat hij het is en langzaam zie je haar ontdooien. Heel ontroerend, heel komisch ook, zonder dat het er dik bovenop ligt.
“Een film waar ik naar uitkijk is The Square, die dit jaar in Cannes de Gouden Beer heeft gewonnen, van regisseur Ruben Östlund. In zijn film Turist deed hij me door zijn statische shots en thematiek sterk denken aan de Japanse filmer Ozu. Allebei portretteren ze met lange shots het alledaagse familieleven. In Turist zien we een gezin op vakantie in de bergen. Als een lawine het terras waarop ze zitten dreigt te verwoesten, rent de vader weg. De lawine blijkt het terras echter te missen. Hij komt terug en doet alsof er niets aan de hand is, maar zijn vrouw en kinderen weten: papa heeft ons in de steek gelaten. En hoe ze dat verwerken, daar gaat de film over. De drie beste films die ik ken? Dat is lastig. Goede films zijn vaak films van mensen die je niet moet proberen na te doen. Die hebben zo goed begrepen wat een film moet zijn en wat je met een film kunt doen… Andrej Tarkovksi is zo’n regisseur. Zijn De spiegel en Stalker zijn verbazingwekkend. Of David Lynch met Blue Velvet. Toni Erdmann is toch ook wel mijn toptien van beste films binnengeslopen. Ik houd van deze films omdat ze van zo’n menselijkheid zijn, zonder de mens te idealiseren. De mens deugt niet, maar de pogingen van mensen om elkaar te bereiken, worden op een buitengewoon ontroerende manier gebracht.”

Ode aan Merleyn

Café Merleyn in Doetinchem, het café waar ik sinds mijn zeventiende bijna wekelijks kwam, sloot op 30 september 2017 zijn deuren. Voor De Gelderlander schreef ik een ode.

“De mens is een schemerdier”, schrijft bioloog Midas Dekkers in zijn nieuwste boek Volledige vergunning. “Zou je hem in een tuincentrum kunnen kopen dan stond er ongetwijfeld ‘halfschaduw’ op zijn etiket.” Het boek brengt een ode aan de bruine kroeg. Het ouderwetse dranklokaal dreigt namelijk langzaam maar zeker uit het straatbeeld te verdwijnen. Een hip koffietentje of een luxe bar komt er meestal voor in de plaats.
In de week dat dit boek verschijnt, sluit ironisch genoeg ook mijn stamkroeg zijn deuren. Oplopende lasten en teruglopende baten noopten de uitbater de tap dicht te draaien. Dit schemerdier heeft na vandaag geen drinkplaats meer. Een hele kudde schemerdieren raakt met mij ontheemd. We moeten noodgedwongen op zoek naar een nieuwe stam en een nieuwe kroeg.
Aan mijn vrienden, met wie ik hier vele jaren vele nachtelijke uurtjes heb doorgebracht, vroeg ik laatst wat ze het meest gaan missen aan Merleyn. “Het gebouw”, antwoordde de een. “De mensen”, zei de ander. “Het bier in ieder geval niet. Dat was er de laatste tijd niet te zuipen”, bromde een derde. De meningen waren kortom verdeeld.
Ik heb het gebouw altijd gezien als een metafoor voor de mensen die er komen: het is een vrijstaand pand aan de rand van de straat – een outsider. ‘Licht vervallen’ zou je daar nog aan toe kunnen voegen. De inrichting voldoet aan de belangrijkste kenmerken van een bruine kroeg: het is oud en doorleefd en nooit is er iets veranderd. De vloer is tot op de nerf versleten, de stoelen zijn gammel en in het toilet heb je dikwijls natte zolen. En dat is juist ook de charme van ons kroegje. Dekkers noemt dat morsige karakter in zijn boek heel mooi “een verzoening met de vergankelijkheid in een tijd dat alles wit moet zijn.” In één eikenhouten vloerplank van Merleyn zit meer sfeer dan in heel 22-24.
En dan de mensen. Allereerst is daar Suzan, ons baken in de nacht, de vriendelijke bardame zonder wie het café al jaren eerder zou zijn gesloten. Met haar aanstekelijke vrolijkheid verwarmt ze de hele kroeg. De vele paradijsvogels (eerder nachtdieren dan schemerdieren) die er rondfladderen gedijden het best als zij achter de toog staat.
Ook die zal ik missen: de schipper die uit angst voor heimwee de moed niet heeft om uit te varen, Ome Roon, die we jaren geleden hebben leren kennen toen hij een kerstbal aan zijn tepelpiercing hing en die jarige zwerver – wat is er van hem geworden? Jaren geleden kwamen we hem tegen. Op oudejaarsavond. Hij zat alleen aan de bar en we raakten aan de praat. Hij vertelde dat hij door een ziekte niet meer wist op welke dag hij jarig was en daarom zijn verjaardag maar op oudejaarsavond vierde. Hij had wat geld opzij gezet om het nieuwe (levens)jaar in een verwarmde kroeg in te luiden. Vlak voor sluitingstijd hoorden we een doffe dreun. De zwerver was straalbezopen achterstevoren van zijn kruk gekukeld. Twee mannen tilden hem naar buiten om hem weer bij zinnen te brengen. Daar verdween hij, toen ze even naar binnen waren om hun jas te pakken, als een dief in de nacht.
“Genot komt niet uit een glaasje”, lees ik in Volledige vergunning. In Merleyn was dat soms letterlijk waar. Het bier leek er af en toe wel bedorven. Aan de andere kant was dat ook niet de reden dat we daar kwamen. “Drinken kun je thuis ook, praten doe je de hele dag, je tijd kun je overal verdoen”, staat een paar regels verder, “maar in het café overvalt je een behaaglijkheid die je snel vrede met de wereld doet sluiten. Je versmelt. Voor je het weet lijkt het geluk toch binnen handbereik.” Geluk komt dan misschien niet uit de tap – een tap helpt wel. Waar de glazen worden gevuld worden de hoofden geleegd. Natuurlijk zijn er andere kroegen waar ik mijn genoegen kan zoeken, maar nergens voel ik me zo geborgen als in Merleyn. Geen fauteuil kan op tegen de gammele stoelen in Merleyn. Geen honderd barvrouwen kunnen op tegen Suzan. Geen speciaalbier kan op tegen het bier dat hier geschonken wordt. Ik voel me er thuis zonder het te zijn. Nog heel even. Als ik zondagochtend in de schemer naar huis fiets ben ik dakloos.

Arthur Japin over Marguerite Yourcenar, Tsjaikovski en The Sound of Music

Met een nieuwe roman (Kolja) en een zelfgemaakte toneelbewerking van zijn boek De man van je leven heeft Arthur Japin de afgelopen maanden bepaald niet stilgezeten. Wat leest, luistert en ziet hij als hij niet aan het schrijven is?

(Interview in het septembernummer van HP/De Tijd, 2017.)

BOEKEN
“Een boek dat van grote invloed is geweest op mijn leven en werk, is Hadrianus’ gedenkschriften van Marguerite Yourcenar. Toen ik begin jaren tachtig samen met Rosita Steenbeek naar Rome ging, in de hoop dat we bij Fellini in een film zouden komen, zei iemand tegen ons: jullie moeten Hadrianius’ gedenkschriften lezen en in Tivoli zijn villa bezoeken. We zouden in de stad allemaal dingen vinden die in het boek voorkomen. Dus ik nam dat boek mee en las het daar. Het was de periode in mijn leven dat ik eigenlijk wel wist dat ik geen acteur wilde worden, maar niet wist wat ik wel moest gaan doen. Uiteindelijk ging ik schrijven, wat tien jaar later resulteerde in De zwarte met het witte hart. Een Franse recensent schreef dat het deed denken aan de boeken van Yourcenar, terwijl ik die link zelf helemaal niet had gelegd. Achteraf bezien doe ik inderdaad wat zij doet in Hadrianus’ gedenkschriften en in haar andere boeken – Het hermetisch zwart bijvoorbeeld, dat misschien nog wel mooier is. Je neemt een persoon uit de geschiedenis en maakt die menselijk. En door die menselijke ogen bezie je een heel tijdsgewricht.”

MUZIEK
“Ik heb voor Kolja veel en goed naar Tsjaikovski geluisterd. Zijn Zesde symfonie (Pathétique), een stuk dat veel afscheid in zich herbergt, speelt in het boek een rol, omdat het een week voor de mysterieuze dood van de componist in première ging.Daar gaat het boek ook over: hoe is hij werkelijk aan zijn eind gekomen? Doordat ik me zo in hem ben gaan verdiepen, ben ik ook anders naar zijn muziek gaan luisteren. Je hoort de wanhoop van niet mogen zijn wie je bent, het altijd op zoek zijn naar verboden passie en de frustratie die zijn homoseksualiteit met zich meebracht. Bij geen enkele componist hoor je die lust en wanhoop zo sterk als bij hem.”

FILM
“Een film die echt invloed op mij had… echt invloed op mijn leven… dat zijn er meerdere. Als ik als kind bijvoorbeeld Cabaret met Liza Minelli niet had gezien of The Sound of Music met Julie Andrews of Funny Girl met Barbra Streisand, dan had ik het niet gered. Dat waren essentiele films om te overleven. In ieder zit een moment waarop de hoofdfiguur totaal aan de grond en in de put zit. Dan begint ergens een viool te spelen en begint hij of zij te zingen: maar dit laat ik niet gebeuren, ik vecht terug om te worden wie ik zijn moet en dat moet de wereld maar accepteren. Zo komen ze uit hun diepe dal naar buiten, dansend, en op straat dansen alle mensen met hen mee. Aan die totaal onwerkelijke gedachte van hoop houden tegen beter weten in – want dat is het – heb ik uiteindelijk meer geloof gehecht dan aan mijn werkelijkheid. Dat is mijn redding geweest.”

Het gehele interview leest u in de papieren HP/De Tijd of op Blendle.

Fotoserie: op bezoek in het atelier van Dick Bruna

In de zomer van 2008 bracht ik met mijn beste vriend en trawant Brian van der Vegt een bezoek aan het atelier van Dick Bruna in de Jeruzalemstraat in Utrecht.

Voor een serie interviews die ik voor een fictieve schoolkrant maakte (als je geen schoolkrant hebt moet je er als nieuwsgierige jongeling maar een verzinnen) stelde ik hem wat vragen. Het interview is tezamen met andere interviews die ik die zomer hield tot mijn grote spijt verloren gegaan. Een gecrashte harde schijf wiste zomaar mijn eerste schreden op het interviewerspad.
Van het bezoek herinner ik mij slechts flarden. Ik weet nog dat zijn atelier veel kleiner was dan ik me had voorgesteld. De ruimte rook naar mijn basisschool. (Dat zal de plakkaatverf zijn geweest. Of beeldde ik het me in en riepen de afbeeldingen van nijntje die geurherinnering op?) Overal stonden kwasten en potloden. In verschillende lades bewaarde hij tekeningen. Naast een boekenkast met daarin vele honderden nijntjeboeken – soms in talen waarvan ik nog nooit had gehoord – stond een kast waarin hij de fanmail die hij vanuit de hele wereld ontving trots had uitgestald. Zijn ogen glunderden toen hij vertelde dat hij dagelijks tientallen brieven en kaartjes van kinderen ontving.
Van het interview zelf herinner ik mij ook nog slechts een peer antwoorden. Hij vertelde onder meer dat hij, hoewel hij toen al tachtig jaar oud was, zeven dagen per week op zijn atelier was, vaak minimaal acht uur per dag. Zijn grootste angst was dat hij niet meer kon tekenen. De lijnen begonnen al iets meer te bibberen dan voorheen. Soms hield hij een kwast met twee handen vast om toch een strakke lijn te trekken. Het moeilijkst om te tekenen vond hij de ogen van nijn – dat kwam allemaal heel precies. Hij vertelde dat hij hoopte dat hij nog lang geestelijk en lichamelijk in goede gezondheid zou verkeren en nog minimaal tien jaar dagelijks naar zijn atelier kon fietsen. Als ik een keer tijd heb zal ik proberen om wat van mijn oude aantekeningen uit te werken en een langer verhaal te schrijven.

Ter gelegenheid van de negentigste geboortedag van Dick Bruna (1927 – 2017) zet ik een selectie van de fotoserie online. Het atelier aan de Jeruzalemstraat is inmiddels ontmanteld en een op een gereconstrueerd in het nijntje museum in Utrecht. Zijn fiets staat er voorgoed op slot.

Foto’s: © Nick Muller, 2008.

 

Ivo Niehe over Barry Hay, Roald Dahl en Dustin Hoffman

Televisiepresentator, programmamaker en producent Ivo Niehe (71) is vooral bekend van zijn TV Show, die hij sinds 1981 presenteert. In augustus gaat zijn toneelstuk Drs. Down! in première. Wat kijkt, leest en luistert hij zoal in zijn vrije tijd?

(Interview voor het dubbeldikke zomernummer van HP/De Tijd, 2017)

BOEKEN
“Het laatst gelezen boek is de biografie van Barry Hay. Ik lees nooit iets in één adem uit, maar dit boek heb ik niet weggelegd.
In de eerste plaats omdat het geweldig is geschreven. Ik kende Sander Donkers niet, maar zo hoor je een biografie te schrijven. En dan dat verhaal. Dat is een leven geweest, zeg. Een man die gered is door de toevallige ontmoeting met een hond.
Als je het verhaal terugbrengt tot bijna niks, dan is het dat. En dan het verhaal van zijn vrouw die met medeweten en zelfs instemming van haar moeder misbruikt is op haar zesde, het hele traject van ellende doormaakt en daar zo sterk uit komt… Hay is echt, en dat klinkt misschien cultureel onverantwoord, een van de beste boeken die ik in tijden heb gelezen. Nu herlees ik 1984 van George Orwell. En dan val je toch – los van de dingen die helemaal niet kloppen, maar dat is ook leuk – van de ene verbazing in de andere. Orwell voorziet bijvoorbeeld dat in de toekomst alles wordt gecontroleerd. En kijk waar we zijn. Je kunt geen mail meer versturen of er kijkt wel iemand over je schouder mee. Je wordt krankzinnig van het gevoel van onveiligheid. Ik sta bijna op het punt om mensen gewoon weer brieven te schrijven, want dan weet ik tenminste zeker dat de brief alleen gelezen wordt door degene voor wie die bestemd is.”
“Het zal je niet verbazen: bijna al mijn voorkeuren – dat stelde ik tenminste vast toen ik je vragen las – hebben te maken met mijn werk. Hay heb ik gelezen omdat ik Barry en Sandra Hay heb geïnterviewd voor de TV Show. Als ik hem niet had gesproken, had ik dat boek waarschijnlijk nooit gelezen. Nooit meer slapen van W.F. Hermans is een van de mooiste boeken die ik ken – ook gelezen voor werk, omdat ik destijds een van de weinigen was die Hermans thuis in Parijs mocht interviewen. Het is een heel lang verhaal hoe dat gesprek tot stand kwam, helemaal niet interessant voor deze rubriek, maar laat ik er dit over zeggen. Na afloop van het interview – het was een mooi gesprek geworden, want hij gaf zich wel – kreeg ik een boek van hem cadeau. Voorin had hij geschreven: ‘Voor Henk, voor al je moeite.’ Nou, dat zegt alles ongeveer, hè. Onder professoren vond ik trouwens minstens even leuk. De boosheid tegen het academische establishment vond ik om te smullen. Ik weet niet of jij dit nog weet, maar onder de naam Age Bijkaart had hij jarenlang een wekelijkse column in Het Parool waarin hij ook tekeerging tegen die wereld. Dat was eigenlijk een vervolg op dat boek, ook heerlijk om te lezen. Het was een boze man, in vele opzichten. (…)”

BEELDENDE KUNST
“Het desolate, wat mij in Nooit meer slapen bijvoorbeeld zo aanspreekt, waardeer ik in alle kunst. Kunst moet je de ruimte geven om er zelf iets mee te doen. Neem de schilderijen van Edward Hopper, daar kun je zoveel op invullen… Sting zei ooit, en misschien vind je het een gekke vergelijking: ‘Wij componisten schrijven om de stilte heen.’ Hopper maakt kunst om de stilte heen. Malevitsj doet dat ook. Toen ik eens bij Roald Dahl thuis was, een grote verzamelaar van het werk van Malevitsj, bedacht een redacteur de meest geniale vraag die ik ooit heb mogen stellen: ‘Do you exercise your fantasy on those paintings?’ En het antwoord was instemmend. De schilderijen gaven hem de ruimte om zelf te creëren, ze dwongen hem zelfs daar toe”
“Mijn belangstelling voor kunst komt voort uit de mensen die het maken. Als ik de kunstenaar interessant vind, vind ik zijn werk waarschijnlijk ook interessant. Jeroen Krabbé is zo iemand. In mijn ogen is hij een van de meest geniale schilders die we ooit hebben gehad. De negen portretten die hij van zijn grootvader Abraham Reiss heeft gemaakt, die in Sobibor is vermoord, gaan door merg en been. Ik krijg er weer tranen van in mijn ogen. Jeroen heeft heel lang niet durven exposeren in Nederland. Hij had geen zin in alle kritiek. ‘Jij bent een acteur, dus jij hoort niet te schilderen,’ werd er gezegd. Toen ik jaren geleden eens bij hem thuis kwam en een door hem geschilderd portretje van het mannenkoor van Dalfsen zag hangen, een piepklein schilderijtje waarop hij vijftien mensen heel precies had geschilderd, dacht ik: wie twijfelt aan zijn techniek en talent, moet dit even bekijken.
“De scheiding der geesten is duidelijk zichtbaar in Nederland. Dat merkte ik ook toen mensen uit de chique toneelwereld zich aan Drs. Down! committeerden. Die zeiden: we moeten wel rekening houden met tegenwind, want jij hebt het geschreven. Dat vind ik wonderlijk. Dat merkte ik ook toen we met ons productiekantoor een zevendelige serie over Jaap van Zweden maakten. Daar heb ik trouwens niets aan gedaan, behalve dat ik zijn vertrouwen heb gewonnen en dat we inmiddels ook grote vrienden zijn geworden, maar toch ligt er dan een soort stigma op. Die serie kwam bij iedereen ongeloofl ijk hard binnen. Zelfs mensen bij de NPO zeiden: dit is een van de mooiste dingen die wij in jaren op dit terrein hebben gedaan. En dan merk je opeens de keiharde scheidslijn tussen de grachtengordel en de rest. Hoge cultuur toegankelijk maken voor een breed publiek wordt door ‘de elite’ als minderwaardig gezien. (…)”

FILM
“(…) Dustin Hoff man vind ik de allerbeste acteur van allemaal, omdat hij zo ongeveer alles kan spelen. Bovendien is hij de alleraardigste man die ik in veertig jaar van mensen ontmoeten ben tegengekomen.
Het is een ongelooflijk open, sympathieke en intelligente man. Hij dringt zich in films nooit op als speler. Nooit bekruipt je het gevoel dat hij denkt: kijk mij eens goed spelen. In Rain Man, waarin hij een autistische man speelt, is hij ongelooflijk. Van zijn films blijven me altijd beelden bij. Als ik aan The Graduate denk, zie ik hem nog bij die kerk met dat hoge raam staan. In Kramer vs. Kramer zie ik hem nog op zijn hurken zitten terwijl dat kindje op hem afloopt. Dat zo’n beeld je jaren later nog bijblijft, zegt wel iets over de kwaliteit van zo’n film. Robin Williams was een goede tweede. Vooral in Awakenings vond ik hem geniaal. Maar, en dat moet je maar even opschrijven, er is heel veel te genieten in de kunsten en ik vind dat je mensen ook moet stimuleren om dat te doen. Het is niet alleen de sportpagina’s en de politieke ellende. De tweede werkelijkheid van cultuur is een geweldige ontsnapping uit alles wat er aan de gang is. Ik heb weleens gezegd, en dat is wel een leuke zin, want hij is echt van mezelf: als ze in de politiek de verbale statements naar elkaar zouden zingen, zou de wereldvrede een stuk dichterbij zijn. Als vrouwen eindelijk eens aan de macht zouden komen trouwens ook.”