Voor het decembernummer van HP/De Tijd (2015) hield ik een groot interview met Alexander Pechtold.
D66-leider Alexander Pechtold blikt, aan de vooravond van zijn vijftigste verjaardag, terug op tien roerige jaren in de landelijke politiek. Over dat omstreden interview in Opzij, zijn rivaliteit met Geert Wilders en de stand van ons land en de Europese Unie. ‘Europa heeft de apk nog niet gehaald.’
Uit het interview:
U wordt op 16 december vijftig. “Ja. Spread the word.”
Ziet u daartegenop? “Ik realiseer me heel goed dat ik zwaar over de helft ben. Maar veertig worden vond ik moeilijker. Tot je veertigste kun je nog fouten maken, moet het allemaal nog komen. Dat is – als je er heel hard aan trekt – nog een soort verlengde van de studententijd. Als je veertig wordt is dat over.”
Er zijn mannen die op de helft van hun leven een totaal nieuwe weg inslaan. Heeft u de afgelopen tien jaar weleens op het punt gestaan om de politiek de rug toe te keren? Grapt: “Iedere week. Vooral op vrijdag.”
Dan: “Nee, gekheid. Het is heel gezond om je niet helemaal in dit wereldje mee te laten zuigen. Een carrière in de politiek is niet het grootste doel, het belangrijkste in je bestaan. We hadden destijds als gezin van Wageningen naar Den Haag kunnen verhuizen, maar ik ben blij dat ik dat niet heb gedaan. Ik moet er niet aan denken om bij de Albert Heijn collega’s tegen te komen.”
Een woordvoerder, die iets verderop aandachtig meeluistert met het gesprek, valt hem in de rede en mompelt geamuseerd: “Dijsselbloem.”
Pechtold: “O ja, Dijsselbloem kom ik inderdaad weleens tegen in de Albert Heijn.” Hij leunt voorover uit zijn stoel, richt zich tot het opnameapparaat en zegt op overdreven harde toon: “Maar het is een genot om jou daar tegen te komen, Jeroen!”
Schrijver Jaap Scholten (Enschede, 1963) schreef een boek over zijn familiegeschiedenis: Horizon City. Collega en vriend Jan Cremer (Enschede, 1940) las het en bleef verbaasd achter: waarom werd het in Enschede beruchte Kamp Scholten – het interneringskamp waarin Cremer als kind drie weken op beestachtige manier gevangen werd gehouden – niet genoemd?
Verschenen in HP/De Tijd nummer 8, 2014. PDF-bestand vindt u hier.
Het Wilmink Theater in Enschede, 16 november 2012. Schrijver Jaap Scholten is uitgenodigd om acte de présence te geven op het Crossing Border Festival – het intussen wereldvermaarde muziek- en literatuurfestival dat in dat jaar voor het eerst ook in Enschede werd gehouden. In afwachting van zijn optreden vleit hij zich neer in de plastic kuipstoel van zijn kleedkamer en kijkt wat om zich heen. Het artiestenvertrek is sober maar degelijk ingericht, zoals het hoort. Er staat een tafel, een stoel en er hangt een enorme, met lampen omlijste spiegel. Onder die spiegel hangt een langgerekte plank waar normaliter make-up op wordt gestald. Maar nu niet. Nu staat er een koffertje op. Een versleten, donkerblauw stewardessenkoffertje.
Scholten hoorde bij binnenkomst al dat er eerder die dag een koffer voor hem was afgegeven. Van wie het afkomstig is of wat er in zit had niemand een idee – ze wisten alleen dat het voor Jaap Scholten was bestemd. Na een minuut of wat fantaseren (Wat zou er in zitten? Geld? Reisspullen? Niets?) kan hij zijn nieuwsgierigheid niet langer onderdrukken. Hij pakt het valies, dat veel zwaarder blijkt dan hij had gedacht, van de plank en legt het op tafel. Als hij zijn duimen zachtjes tegen de twee knipsloten drukt, schiet het deksel al open. De koffer blijkt tot de rand toe gevuld met papieren: foto’s, brieven, enveloppen met rode lakzegels. Voorzichtig spreidt hij de paperassen uit over tafel, schuift zijn stoel naar voren en gaat zitten. Een in slangenleer gebonden fotoalbum is het eerste wat zijn aandacht trekt. Op de voorkant staat in gouden letters: Schloss Goyen – de naam van het kasteel dat zijn overgrootvader bezat in Italië. In documenten herkent hij namen van familieleden, sommige personen op de foto’s herkent hij ook. Het koffertje blijkt boordevol materiaal van en over zijn familie.
De totstandkoming van Horizon City, het boek dat is gebaseerd op de familiearchivalia in deze koffer, is eigenlijk al te mooi om waar te zijn – maar dat geldt zeker ook voor het boek zelf. Want wie heeft er nu twee betovergrootouders die tijdens hun huwelijksreis schipbreuk leden en op een onbewoond eiland aanspoelden? Of een excentrieke oudoom – Chuck Stork genaamd – die in 1913 de eerste importeur van Harley Davidson in Europa werd, een vliegtuigwinkel bezat op Fifth Avenue, vijfmaal trouwde, tweemaal multimiljonair werd maar uiteindelijk zo arm als een kerkrat stierf in de woestijn van Texas? En dan hebben we de aangetrouwde tante Fanny nog, die ooit een paar ‘waardeloze’ doeken van de toen nog onbekende Vincent van Gogh verbrandde in haar achtertuin. Tante Anna, die besloot met haar dokter te trouwen zonder hem daarvan op de hoogte te stellen. En dan vergeten we het verhaal nog van het familiekasteel in het Italiaanse Merano, het kasteel van het slanglederen fotoboek, dat in de oorlog door nazi-architect Albert Speer werd gevorderd om er zijn vakantiehuis van te maken. Het donkerblauwe reiskoffertje blijkt niets minder dan een schatkist aan verhalen.
Het kamp dat niet heeft bestaan
Schrijver Jan Cremer, geboren in dezelfde stad als Jaap Scholten, las de familiekroniek met grote belangstelling. Hij was vooral benieuwd naar de passage over Kamp Scholten, het beruchte interneringskamp waar de Binnenlandse Strijdkrachten (de BS, ‘het naoorlogs verzet’) in de maanden na de oorlog tussen de 1300 en 1500 van landverraad verdachte personen gevangen hield. Het kamp, dat officieel Politieke Gevangenis Scholten heet maar volgens Cremer in de volksmond ‘Kamp Scholten’ wordt genoemd, was gevestigd op het terrein van textielfabrikant J. F. Scholten & Zonen aan de Haaksbergerstraat in Enschede – in het geconfisceerde pand van de grootouders van Jaap. De verwondering was dan ook groot toen bleek dat er in het boek geen enkel woord aan het kamp werd gewijd.
Cremer: “Kamp Scholten wordt al bijna zeventig jaar verzwegen. Het is een kamp dat nooit heeft bestaan. Een kamp zonder schaduw. In geen enkel archief is er ook maar iets over te vinden, behalve een paar ontwijkende regeltjes. De documenten die er waren, zijn kort na de oorlog op raadselachtige wijze verdwenen of letterlijk uit de dossiermappen gescheurd. De gemeente Enschede heeft het bestaan van het kamp zelfs jarenlang ontkend! Pas toen ik er in mijn boek De Hunnen over schreef, kwamen de verhalen los. Ik kreeg veel brieven en telefoontjes van mensen die er, net als ik, gevangen hebben gezeten en me vertelden dat ze het belangrijk vonden dat de waarheid eindelijk eens werd verteld. Dat had Jaap Scholten ook moeten doen, de waarheid vertellen. Of weet hij niets van de geschiedenis van Enschede? Blijkbaar ligt het kamp bij hem nog zo gevoelig, dat deze zwarte bladzijde uit zijn familiegeschiedenis wederom onder het vloerkleed wordt geschoven.” Meer lezen over Kamp zonder schaduw
Dit artikel is eerder verschenen op literair weblog De Contrabas en de website van HP/De Tijd.
Schrijvers lezen ook. Maar wat lezen ze eigenlijk? In navolging van Ernest Hemingway geven twintig vooraanstaande Nederlandse en Vlaamse literatoren een klein college literatuur. Wat moeten we absoluut gelezen hebben, en waarom? Deze week: A.L. Snijders.
A.L. Snijders (pseudoniem van Peter Müller, 1937) is een Nederlands schrijver van zeer korte verhalen, kortweg zkv’s. In 2010 verwierf hij landelijke bekendheid toen hem de prestigieuze Constantijn Huygensprijs werd toegekend voor zijn gehele oeuvre. Momenteel schrijft Snijders onder meer een wekelijks zkv in de VPRO-gids. De komende weken verschijnen er twee boeken van zijn hand: De hartslag van de aarde (dertien zkv’s over muziek) en Koude oorlog aan de IJssel, een reportageroman. “Volledig in kleur en rijk geïllustreerd.” Meer lezen over A.L. Snijders leest: Elsschot, Cheever en Babel
Dit artikel is eerder verschenen op literair weblog De Contrabas en op de website van HP/De Tijd.
Schrijvers lezen ook. Maar wat lezen ze eigenlijk? In navolging van Ernest Hemingway geven twintig vooraanstaande Nederlandse en Vlaamse literatoren een klein college literatuur. Wat moeten we absoluut gelezen hebben, en waarom? Remco Campert trapt af.
Remco Campert (1929) is de éminence grise van de Nederlandse literatuur. Hij schreef klassiekers als Het leven is vurrukkulluk, Het gangstermeisje en Een liefde in Parijs. In zijn inmiddels meer dan zestig jaar durende carrière werd hij onder meer onderscheiden met de Reina Prinsen Geerligsprijs (1953), de P.C. Hooftprijs (1976) en de Gouden Ganzenveer (2011). Vorige maand verscheen zijn nieuwste roman: Hôtel du Nord.Meer lezen over Remco Campert leest: Thijssen, Nabokov en Queneau
Mark Rutte die ‘vindt ik’ schrijft in een brief aan scholieren, een vlezige ‘Meat en Great’ met Zanger Rinus en een wel heel bijzondere aanbieding bij de drogist: ‘Witte Neus. Poeder. €6,99.’ De razend populaire Facebookpagina Taalvoutjes plaatst dagelijks van dit soort taalflaters, tot groot plezier van meer dan 160.000 likers. Wat anderhalf jaar geleden begon als een grap begint uit te groeien tot een heus imperium. “We kunnen het zelf ook nog steeds niet geloven.”
Inger Hollebeek en Vellah Bogle uit Amsterdam zijn elke dag nog verbaasd over de populariteit van hun Facebookpagina. De oud-collega’s, ooit werkzaam bij hetzelfde reismagazine, stuurden elkaar bij wijze van grap op Facebook allerhande taalfouten die ze in krant en tijdschrift aantroffen. Vrienden lazen deze vermakelijke berichten en zeiden: maak voor al die fouten eens een aparte communitypagina, zodat iedereen mee kan genieten van de immer hilarische taalfouten. En zo geschiedde.
150 inzendingen per dag
Binnen een mum van tijd waren de eerste honderd likes binnen. De tweehonderd likes volgden kort daarna. En nu, nog geen anderhalf jaar na de oprichting van de pagina, genieten meer dan 160.000 landgenoten dagelijks van de onweerstaanbare posts. En het einde is nog lang niet in zicht. “We staan er zelf ook nog steeds van te kijken, want dit succes hadden we natuurlijk nooit verwacht. Zeker niet in een tijd als deze, waarin vaak wordt gesproken over de verloedering van onze taal,” zegt Inger Hollebeek.
In het begin speurden de dames zelf naar grammaticale fouten en verhaspelingen, tegenwoordig krijgen ze zo’n 150 inzendingen per dag. “Uit het hele land worden fouten ingestuurd. Ook fouten die in een Brabantse weekkrant of in het Dagblad van het Noorden staan, kranten die wij niet lezen.” Hoeveel tijd de dames kwijt zijn om uit de honderden inzendingen wekelijks nog geen twintig (!) fouten te selecteren willen ze niet zeggen. Maar dat ze er druk mee zijn staat vast. “Je moet niet vergeten dat we ook nog een vaste baan hebben. We doen dit in onze vrije uren. Het is puur liefdadigheidswerk.”
Imperium Toch zijn de dames druk doende de Facebookpagina uit te breiden met een nieuwe website. Daarop zal onder meer merchandise worden aangeboden. Een boekje met de meest grappige taalfouten die zijn ingestuurd, bijvoorbeeld. Of lesmateriaal. Inger Hollebeek: “We horen van leraren dat ze onze foto’s gebruiken om de kinderen te onderwijzen. Dat bracht ons op het idee om in de toekomst lesmateriaal te gaan maken. Daarin niet enkel de saaie basisregels van onze taal, maar ook tig grappige voorbeelden van hoe het niet moet. Van fouten leer je immers.”
Over de wilde plannen willen de dames nog niet al teveel vertellen; niets is nog zeker. Een fijne opsteker is wel de app die twee weken geleden is gelanceerd en inmiddels al bijna negentigduizend keer is gedownload. En de vernieuwde website die over een maand online gaat, waarop alle foto’s zijn gerubriceerd en gecategoriseerd zodat de taalvoutjes makkelijk zijn terug te vinden. “De mogelijkheden voor uitbreiding zijn eindeloos en de fascinatie voor taal is tijdloos. We zien wel wat er van komt. We hopen er natuurlijk ooit van te kunnen leven, maar zoals het nu gaat zijn we al hartstikke tevreden.”
Op de vooravond van de abdicatie van koningin Beatrix haalt journalist en oud-nieuwslezer Frits Thors, ooit kind aan huis op paleis Soestdijk, herinneringen op aan het kleine prinsesje Beatrix. “Ze is niets veranderd.” De nieuwslezer met het spierwitte haar en de zwarte hoornen bril, zo zal Frits Thors door de vijftigplussers in ons land worden herinnerd. Al in 1965, toen hij nieuwslezer werd bij het NTS-Journaal, was hij een statige oude heer met een prachtig bronzen stemgeluid. Nu, in de leeftijd van 103 jaar, is hij dat nog steeds – zij het dat het bronzen stemgeluid door de tand des tijds ietwat is afgezwakt.
Dit artikel is eerder gepubliceerd door HP/De Tijd.
De grande dame van de Nederlandse literatuur, Hella Haasse, is deze week om verschillende redenen weer in het nieuws. Ik moest denken aan de dag dat ik als zestienjarige jongen met haar op bed belandde. Meer lezen over Het slaapkamergesprek met Hella Haasse
Taalvirtuoos Drs. P (92) is sceptisch over het taalgebruik van tegenwoordig. Zijn wens voor 2012: dat de Nederlandse taal de aandacht krijgt waar ze recht op heeft. Want: “Men vindt verzorgd taalgebruik elitair, en dat is natuurlijk onvergééflijk.”
Voor de ingang van Hotel Pulitzer in Amsterdam zit een oude man een sigaar te roken. ‘Oud Kampen – Wilde Natura’ staat er op het houten doosje te lezen. Het is de 92-jarige Heinz Polzer, in Nederland beter bekend onder zijn artiestennaam Drs. P, die met zijn spottende oogopslag en ironische glimlach de voorbijgangers gadeslaat. Hij is gekleed in een keurig grijs pak met stropdas, een kledingcombinatie die hij naar eigen zeggen al sinds zijn kleuterjaren draagt.
We nemen plaats in de binnentuin van het hotel. Op de vraag wat hij wil drinken, antwoordt hij: “Een thé citron graag. Ik mag geen alcohol meer drinken van mijn vrouw, daar krijg ik ’s nachts krampen van in mijn buik.” Even later knijpt hij drie schijfjes citroen uit in een kop heet water. “Oh, Jesus!” galmt er opeens door de tuin, en de doctorandus veegt wat citroensap uit zijn oog.
Ik zou het graag met u hebben over de Nederlandse taal. Wat vindt u van de taal van tegenwoordig?
“Ik heb de indruk dat het Nederlands al een tijd aan het degenereren is. En dat is waarschijnlijk door die strekking van ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.’ Men vindt verzorgd taalgebruik elitair, en dat is natuurlijk onvergééflijk.”
Ironisch: “Elitair in deze democratische tijd, dat is natuurlijk smakeloos. Maar ik vind: als je een bepaald vak lief hebt, dan móet je elitair zijn. Niet jezelf doelbewust gaan verheffen boven anderen, neen, ik bedoel daarmee te zeggen dat je de taal de aandacht moet geven waar ze recht op heeft.”
Wanneer is de verloedering van de door u zo geliefde taal begonnen, is daar een beginpunt voor aan te wijzen?
“Dan moet ik even nadenken. Ik denk dat het bij Willem Kloos en consorten is begonnen, eind negentiende eeuw al, de generatie van de Tachtigers. Die rommelden maar wat aan met de taal. Dat waren van die nieuwlichters, die zeiden dat er een frisse wind moest gaan waaien. Dat keurige, intelligente Nederlands van onze voorgangers heeft afgedaan, vonden ze. Persoonlijk vind ik dat een taal die volwassen is, die een hele geschiedenis achter zich heeft, altijd respect verdient. Helaas kan ik niet voorkomen dat de taal in Nederland nog verder degenereert; het gebeurt, en dat is jammer. Een oplossing voor dit probleem bestaat niet.”
“Ik zal een voorbeeld geven van de verloedering. Kloos schreef ooit in een gedicht:
(…) Zeg eens, lust je ‘em
Dees donderende vuist? Doe maar of j’ kust hem!
Lust je ‘m en kust ‘m. Dat is zó armzalig, hè.”
Is alle poëzie van de afgelopen jaren dan zo verschrikkelijk?
“Ik heb poëzie eigenlijk altijd gemeden, en dan met name de Vijftigers, de generatie van Lucebert en Campert. Dat waren zulke revolutionairen, daar had ik intense argwaan tegen. Ze wierpen zich op als ‘de nieuwe stijl’, ‘de nieuwe generatie’, kortom: de totale omwenteling van de literatuur. Dat is nogal ambitieus.”
U zegt dat u poëzie altijd hebt gemeden, maar bent u zelf geen dichter?
“Wel, technisch gesproken schrijf ik natuurlijk gedichten, maar als me gevraagd wordt naar mijn beroep zeg ik: schrijver, en ik breng nummers ten gehore. Cabaretier of dichter klinkt zo artistiek.”
De Nederlandse taal is volgens u al meer dan honderd jaar aan het verloederen. Dat keurige en intelligente Nederlands, waar u zojuist over heeft verteld, wordt dat –uzelf niet meegerekend– nog gesproken?
“Gelukkig wel. Ik vind het werkelijk verheugend dat in Vlaanderen een woord als ‘verwittigen’ nog zeer achteloos wordt gebruikt. Het is een mooi, begrijpelijk woord. Een woord dat er mag zijn! Om nog een voorbeeld te geven: kijk eens naar een woord als ‘nochtans.’ Het is een woord met een functie, maar je hoort het in Nederland nergens meer. Niemand zal het ooit zeggen, en daar is helaas weinig aan te doen. Dat is wat mij dan ook zo behaagt aan Vlaanderen, dat zulke voorvaderlijke woorden daar nog altijd leven en hun werk verrichten. Dat doet mij een intens plezier.”
Kunt u zich nog herinneren wanneer u voor het eerst bewust in aanraking kwam met de Nederlandse taal?
“Ik herinner me dat ik in mijn prille jeugd, begin jaren twintig moet dat zijn geweest, de Nederlandse vertalingen van Jules Verne herhaaldelijk heb gelezen. Ik verlustigde mij aan het verzorgde, rijke en levende taalgebruik. Mijn lievelingsboek uit de serie van Jules Verne, Twintigduizend mijlen onder zee, was uit het Frans in het Nederlands vertaald door een zeer begenadigd schrijver die met zijn moedertaal ware wonderen kon verrichten. Ik vond het prachtig.”
“Er stonden naast tekst ook meesterlijke gravures in, die onderschriften hadden. Een onderschrift is me vanaf mijn jeugd bijgebleven, namelijk: ‘Een ontredderd vaartuig dat rechtstandig is gezonken.’ Het woord ‘ontredderd’ kende ik nog niet, maar ik kon de betekenis makkelijk aanvoelen. ‘Rechtstandig’ daarentegen was makkelijker te begrijpen. Deze plechtige taal inspireerde mij. Niet dat ik op deze manier ging schrijven, maar ik werd er wel door gevoed, door aangemoedigd. Taal is een geschenk dat je krijgt; als je goede taal leest of hoort word je verrijkt.”
Kortom: Taal is zuurstof.
“Ja, mooi! Heeft u dat zelf verzonnen?”
Nee.
“Nee?”
Dat heeft u zelf ooit eens geschreven.
“Ik? Goh, ik kijk ervan op! Maar om eerlijk te zijn: ik vind het práchtig! Taal ís zuurstof.”