Boekentips 2019: Pfeijffer, Bryson en Gombrich

Ik lees niet zoveel als Maarten ’t Hart, die las soms vijf boeken per dag, maar aan gemiddeld drie boeken per week kom ik wel. Dat zijn jaarlijks toch zo’n 150 boeken. Hieronder staan daarom in willekeurige volgorde elf boeken die dit jaar een blijvende indruk hebben achtergelaten.

20191Grand Hotel Europa (2018)
Ilja Leonard Pfeijffer (1968)
De Arbeiderspers
552 pagina’s

Wat mij betreft de roman van het afgelopen jaar, van het afgelopen decennium, van de afgelopen eeuw. (De eenentwintigste dan.) Ilja Leonard Pfeijffer heeft met Grand Hotel Europa een vuistdik meesterwerk geschreven over de belangrijkste thema’s van deze tijd. Ik moest na het lezen van dit boeken denken aan het gedicht Der Leser van Rainer Maria Rilke, over een jongen die een boek leest en daarna totaal anders naar de wereld kijkt waarin hij rondloopt. Dat gevoel herken ik. Opeens werd onder woorden gebracht wat ik eigenlijk al wist maar waar ik me nog niet bewust van was: Europa is het recreatiepark van de wereld. We verkopen onze ziel aan de toerist, maar voor hoe lang nog? Als we niet oppassen wordt het massatoerisme onze ondergang. (Kijk naar de zinkende spookstad Venetië.)
Dat gevaar zien we alleen nog niet. Het massatoerisme wordt overal gepropageerd, terwijl we aan de andere kant niet weten wat we met de vluchtelingen aan moeten. Pfeijffer heeft het over het verschil tussen ‘gewenste migranten’ en ‘niet-gewenste migranten.’ “Toerisme vormt een ongemakkelijk contrast met de andere vorm van migratie die het gevolg is van de globalisering en die we zonder reserve als problematisch beschouwen. Terwijl we onze grenzen zo gastvrij mogelijk openen voor buitenlanders die komen om hun geld uit te geven, willen we ze sluiten voor buitenlanders die komen om geld te verdienen.” (p. 115) Enfin, dit is slechts een van de dingen die me bij zijn gebleven. Het boek is zo rijk dat het niet te doen is om daar in een paar woorden iets zinnigs over te zeggen. Je moet het gewoon gaan lezen.

20192Het lichaam (2019)
Bill Bryson (1951)
Atlas Contact
448 pagina’s

Ik moet tot mijn schaamte bekennen dat mijn kennis over het menselijk lichaam niet bijster groot is. Wat doen lymfeklieren bijvoorbeeld, waarvoor dient de huig en hoe werken je hersenen? Bill Bryson legt het allemaal uit in zijn boek Het lichaam – een reisgids. Op lichtvoetige wijze behandelt hij elk aspect van het menselijk lichaam.
Ik viel van de ene verbazing in de andere. Wie wist bijvoorbeeld dat-ie zo’n 100.000 kilometer aan bloedvaten door zijn lijf heeft lopen? Ik niet. Of dat het menselijk lichaam zo’n zes miljard kilometer aan DNA-strengen bevat? Dat is bijna zeventig keer heen en terug naar de zon! Het lichaam is een wonder.

20193De som van misverstanden: over het lezen van boeken (1978)
Maarten ’t Hart (1944)
Singel Uitgevers
228 pagina’s

Maarten ’t Hart heeft een leesverslaving. Ik interviewde hem daar onlangs over voor HP/De Tijd. In het boek De som van misverstanden: over het lezen van boeken legde hij ruim veertig jaar geleden al uit dat hij het als kleuter al niet kon nalaten om andere kinderen zijn mening over door hem gelezen boeken op te dringen. Als ze daarna toch op hun eigen oordeel af wilden gaan, sloeg hij ze met een kinderboek waar hij niet van hield op hun kop. Dit boek bevat verder dertien essays over door hem geliefde schrijvers als J. van Oudshoorn, Henry Roth en William Faulkner.

20194White Fang (1906)
Jack London (1876 – 1916)
SC Active Business Development
216 pagina’s

Een klassieker uit de wereldliteratuur. White Fang is een wolfshond (half wolf, half hond) die wordt geboren in Yukon ten tijde van de Goudkoorts in Klondike. Het verhaal wordt grotendeels vanuit zijn perspectief verteld. White Fang heeft een zwaar leven, groeit op in een wrede omgeving waar honger en gevaar aan de orde van de dag zijn. Hij laat zich temmen, wordt gedomesticeerd door een indianenstam, die hem uiteindelijk voor enkele flessen drank verkopen aan een wrede man die hem inzet voor hondengevechten. Zijn leven lijkt uitzichtloos, tot hij wordt gered door een jonge goudzoeker.

20195Conversaties (2011)
Jan Siebelink (1938)
De Bezige Bij
282 pagina’s

Veel mensen kennen Jan Siebelink van zijn bestseller Knielen op een bed violen, maar wat minder bekend is, is dat hij in de jaren tachtig en negentig voor de Haagsche Post en later HP/De Tijd schreef over zijn literaire helden. Het zijn prachtige portretten over schrijvers als Milan Kundera, Julien Gracq en Stéphane Mallarmé. Het zal de kenners niet verbazen dat Tegen de keer van J.-K. Huysmans in zo ongeveer elk stuk terugkomt. Persoonlijk vind ik het stuk over de biografie die Jean-Paul Sartre over Gustave Flaubert schreef het sterkst. Siebelink weet het drieduizend pagina tellende boek treffend samen in de volgende zin: “Flauberts leven was een nederlaag, het oeuvre is zijn overwinning.”

20196De Bourgondiërs (2019)
Bart Van Loo (1973)
De Bezige Bij
560 pagina’s

Filips de Stoute, Jan zonder Vrees, Maria van Bourgondië: ik had er wel eens van gehoord, maar daar was dan ook alles mee gezegd. Bart van Loo vult met zijn boek dat gat in mijn kennis op. De titel en de ondertitel (De Bourgondiërs – Aartsvaders van de Lage Landen) verklaren eigenlijk al waarom dit boek zo interessant is om te lezen. Niet Willem van Oranje, maar Filips de Goede moet gezien worden als onze stamvader. Al in de veertiende eeuw legde hij de kiem voor het huidige Nederland. Bart van Loo weet met zijn gouden pen de al vele honderden jaren tot stof geworden hertogen en hertoginnen tot leven te wekken. Zo beschrijft hij ergens het verloop van het Banket van de Fazant. Filips de Goede had dit banket georganiseerd om in een plechtige eed zijn intentie kenbaar te maken om op kruistocht te gaan. Kosten noch moeite werden gespaard. Zo was er bijvoorbeeld een kasteel nagebouwd dat vanuit de torens drank spoot in een slotgracht. De ontelbare gangen bestonden elk uit bijna vijftig gerechten die door de gasten met de beste wijnen werden weggespoeld. Honderden herten, hazen, koeien, varkens, schapen, eenden, kippen en zwanen werden verorberd. Ze leefden kortom als echte Bourgondiërs.

201911A room of one’s own (1929)
Virginia Woolf (1882 – 1941)
Penguin Books
144 pagina’s

Negentig jaar geleden schreef Virginia Woolf een essay over de plaats van vrouwen in de literatuur. Waarom schrijven zo weinig vrouwen boeken? Het antwoord: omdat een vrouw geld en een eigen kamer voor zichzelf moet hebben om te kunnen schrijven. Woolf schreef dit klassieke essay in de nasleep van de eerste feministische golf. In die negentig jaar is er veel veranderd, maar nog steeds worden vrouwelijke auteurs stelselmatig lager gewaardeerd dan mannen. Corina Koolen promoveerde vorig jaar op de ongelijkheid tussen man en vrouw in het literaire veld. “Romans van vrouwen worden beschouwd als niet goed genoeg”, zegt Koolen daarover in Trouw. Ongeveer veertig procent van de literaire romans wordt geschreven door vrouwen, terwijl grofweg driekwart van de grote prijzen naar mannelijke auteurs gaan. We zijn er dus nog lang niet. Daarom is dit boek nog steeds actueel.

20197De meeste mensen deugen (2019)
Rutger Bregman (1988)
De Correspondent
528 pagina’s

Waarom gaan we altijd uit van het slechte van de mens? De mens handelt evolutionair gezien meestal vanuit het goede, bepleit historicus Rutger Bregman. Hij maakt korte metten met de vernistheorie: de theorie dat onze beschaving slechts een laagje vernis is. Ook de meest primitieve mensen waren al geneigd het goede te doen en in geval van nood laat de mens niet het slechtste – zoals vaak wordt gedacht – maar het beste van zichzelf zien. Met talloze voorbeelden en wetenschappelijke bewijzen toont hij dit aan. Precair wordt het als Auschwitz ter sprake komt. Als de mens van nature goed is, waarom is er dan zoiets als de Holocaust? Bregman beweert dat de slechteriken (de nazi’s bijvoorbeeld) ook vanuit het goede handelen. Ze willen hun eigen land en volk vooruithelpen. Door leugens, manipulatie en indoctrinatie wordt hen voorgehouden dat zij daarmee aan de goede kant van de geschiedenis staan. Dat vond ik een beetje kort door de bocht. Zo kun je alles wel in je eigen voordeel uitleggen. Verder vind ik het een heel overtuigend relaas – het geeft in ieder geval stof tot nadenken.

20198Dagboek van een gek (1835)
Nicolaj Gogol (1809 – 1852)
Astoria Uitgeverij
173 pagina’s

Dagboek van een gek is het verhaal van een onbeduidende ambtenaar die verteerd wordt door de onbeantwoorde liefde voor een vrouw en daardoor gek wordt. In zijn zogenaamde dagboek zien we dat hij langzaam de controle over de werkelijkheid verliest – hij denkt op een gegeven moment dat hij de koning is van Spanje – en belandt achter slot en grendel. Gogol beschrijft dit proces magistraal. Ik dacht tijdens het lezen: waarom moet iemand die denkt dat hij een koning is achter slot en grendel? Wie doet hij daarmee kwaad? Als je niet in een mal past dan lig je eruit – al was dat vroeger misschien nog wel minder het geval dan tegenwoordig. Laten we de paradijsvogels wat meer omarmen. Een gek is vaak zo gek nog niet.

201909Ik bestaat uit twee letters (2018)
A.H.J. Dautzenberg (1968)
De Arbeiderspers
720 pagina’s

Anton Dautzenberg hield in zijn vijftigste levensjaar een dagboek bij. Dat resulteerde in het ruim zevenhonderd pagina tellende Ik bestaat uit twee letters, deel 298 uit de Privédomein-reeks. Het was het eerste boek dat ik van hem las. Van de schrijver wist ik niet veel: ik wist dat hij een nier had gedoneerd aan een onbekende, dat hij lid was geweest van pedofielenvereniging Martijn en dat hij samenwerkte met ‘fraudeprofessor’ Diederik Stapel. In dit boek vecht hij tegen de karikatuur die altijd van hem wordt gemaakt. Hij komt op mij over als iemand die niet altijd met de stroom mee drijft, die soms keuzes maakt die je zelf misschien niet zou maken, maar dat altijd doet vanuit een diepe compassie met de medemens.
Het boek werkt verslavend: je hebt het idee dat je dingen leest die je eigenlijk niet mag lezen. Over de stroeve verhouding met zijn moeder, zijn tweelingbroer en diens kinderen, over intieme details tussen hem en zijn vriendin, bijvoorbeeld een remspoor in zijn onderbroek waar zij een opmerking over maakt, over de dood van oud-uitgever Theo Sontrop. Dautzenberg spaart daarbij niemand. Ik ben benieuwd hoe zijn vrieden en familie op dit boek hebben gereageerd.

201910Eeuwige schoonheid (1996)
E.H. Gombrich (1909 – 2001)
Van Holkema en Warendorf
688 pagina’s

E.H. Gombrich loodst ons in dit standaardwerk door de geschiedenis van de (voornamelijk westerse) kunst. Van de  grottekeningen in Lascaux (15.000 – 10.000 v. Chr.) tot een stilleven van Giorgio Morandi uit 1966 – en dat in nog geen zevenhonderd pagina’s. De kunst van na de jaren zestig wordt in mijn uitgave nog niet meegenomen. Het boek is rijk geïllustreerd en in heldere taal geschreven. Je leert niet alleen de bredere context van je favoriete kunstwerken kennen, maar krijgt er ook een hoop nieuwe favorieten bij. Een daarvan is voor mij Een jonge haas van Albrecht Dürer uit 1506. Het is de enige haas ter wereld die er na meer dan vijfhonderd jaar nog steeds jong uitziet, alsof-ie gisteren op papier is gezet.

Maarten ’t Hart over Multatuli, Charles Dickens en Theodor Fontane

Maarten ’t Hart (75) is de meest belezen man van Nederland. Door zijn leesverslaving heeft hij nooit tijd voor een bezoek aan een theater, een bioscoop of een concertzaal. In deze speciale editie van de maandelijkse rubriek ‘De culturele agenda van…’ vertelt de schrijver daarom welke boeken een blijvende indruk hebben achtergelaten en welke juist niet. “Ulysses van James Joyce wordt zwaar overschat.”

Lees verder Maarten ’t Hart over Multatuli, Charles Dickens en Theodor Fontane

Jules Deelder: ‘Ik ben misschien wel de enige échte dichter in Nederland’

Jules Deelder viert dit weekend zijn vijfenzeventigste verjaardag. Onder het genot van een goed vaderlandse oester en een fles van zijn eigen autobiografische gin spraken we de dichter annex nachtburgemeester over dit heugelijke feit. ‘Ik voel me op geen enkele manier een bejaarde. Voor jezelf ben je nog steeds die teringaap met die grote muil.’

Verschenen op de website van HP/De Tijd. (22 november 2019)

 

Jules, je wordt vijfenzeventig. Wat vind je daarvan?
“Dat vind ik ongehoord. Vijfenzeventig! Dat was vroeger een grijsaard. Ik ben laatst nog met mijn bandje naar zo’n bejaardentehuis geweest en dat was léuk. Eèèèècht. Daar zaten allemaal mensen die jonger waren dan ik, maar die zie ik dan toch als oude mensen. Het begrip van leeftijd is relatief. Ik denk nog steeds in termen van ‘jongens’ en ‘meisjes’ en ik vind het nog steeds vreemd als mensen ‘meneer’ tegen me zeggen. Voor jezelf ben je nog steeds die teringaap met die grote muil.”

Je kunt wel denken dat je de eeuwige jeugd hebt, maar je had zelf ook in een bejaardentehuis kunnen zitten.
“Ja, in die zorgdingen denk ik… Godverdomme, dan voel ik dat ik daar zo weinig mee te maken heb, terwijl aan de andere kant, als je natuurlijk realistisch bent, je hebt de leeftijd van een bejaarde. Het is logisch dat mensen je dan ook zo zien. Voor mijzelf geldt dat helemaal niet. Ik voel me op geen enkele manier een bejaarde. Ik leef niet met het idee dat ik al vijfenzeventig jaar achter de rug heb. Je moet iedere dag opnieuw beginnen. Dat is het eigenlijk. Je bent nooit ouder dan een dag.”

Hoe oud hoop je te worden?
“Negenennegentig. Je moet altijd voor het uiterste gaan, nooit in het midden eindigen. Ik ben te oud om jong te sterven en te jong om oud dood te gaan. Ik zal het wel zien. Uiteindelijk komt Magere Hein, altijd onverwacht en je ken niet voor hem weglopen. Dat ben ik ook helemaal niet van plan. Als ze ergens een bobbeltje vinden… Hallo, ik ben vijfenzeventig, ik dien mijn tijd wel uit. Dan ga ik gewoon daaraan dood, weet je wel. Moet je dan nog aan behandelingen beginnen zodat je uiteindelijk nog een jaar langer in ellende door kunt leven? Pleurt lekker op. Ik heb altijd gedacht: dokters, goed dat ze er zijn, maar ik blijf er liever verre van.”

Zou je honderdvijftig willen worden?
“Als het net zo ongemerkt voorbij gaat als de eerste vijfenzeventig jaar dan wil ik dat best wagen. Maar als realist moet je ervan uitgaan dat je hooguit nog tien jaar hebt.”

Uiteindelijk komt Magere Hein, altijd onverwacht en je ken niet voor hem weglopen.

Heb je nog ambities?
Lachend: “Sparta kampioen zien worden. Dat zou ik nog wel een keer mee willen maken. En al die 1944 genummerde flessen Deelder Hard Gin verkopen, ha!”

Heb je je beste gedicht al geschreven?
“Nee, maar er zijn wel een aantal gedichten die bij gebrek aan beter als beste gedicht kunnen worden gekenschetst. Daar valt niet aan te twijfelen. Op een gegeven moment weet je: ik weet niet hoe ik er op gekomen ben, ik begrijp ook geen tering van wat er staat, maar een ding is zeker: dit is wel een goed gedicht. Wat ik bijvoorbeeld heel goed vind, is Aan de Maas:

Aan de Maas gezeten
turend in het zwerk
Het stadsgeraas geweken
ontstijgt men aan zichzelf
Op hoger plan gekomen
wiekend door de lucht
de zwaartekracht te boven
vindt men een ander terug
O vogel van verlangen
wiegend op de wind
verlos ons van elkander
en van elkaars gewicht

Je hebt nooit een grote literaire prijs ontvangen. Hoe komt dat?
“Nou, ja, omdat ik in sommige gedichten natuurlijk ook min of meer de draak steek met de hele literatureluur. Dat kunnen die gasten (uit de literaire jury’s – red.) niet hebben. Ik ben een echte dichter. Ik schreef mijn eerste gedicht al toen ik nog nooit een gedicht had gelezen. Er zijn een heleboel dichters die beweren dat ze dichter zijn maar die het niet echt zijn. Die pleuren een boekenkast omver, lezen al die boeken en dan gaan ze gedichten schrijven. Ik ben daarom misschien nog wel de enige échte dichter die nog tekenen van leven vertoond in Nederland.”

Ik dacht vorig jaar: nu is de P.C. Hooftprijs voor Jules Deelder, maar het werd Nachoem M. Wijnberg.
“Ik dacht dat ze ‘m misschien zouden geven toen ik zeventig werd, maar toen hij ging naar een of andere truttebol. Ach, dat gedoe om die prijzen, dat is een beetje gehuppel hier beneden. Maar goed, je bent ook een mens, dus je vertoont ook menselijke zwakheden. Ik zou die prijs daarom best wel willen hebben, maar nu zijn ze te laat. Eens in de drie jaar, dat is ook weer zo royaal, eens in de drie jaar wordt die prijs vergeven aan een dichter. De andere jaren gaat hij naar proza of naar essay. Wie kreeg hem vorig jaar ook alweer?”

Bas Heijne.
“Oja. Bassie Heijne. Ik dacht al: waar blijven ze zolang. Dat is zo’n oliebol waar ik nog nooit een letter van heb gelezen en ik weet ook zeker dat ik daar niet aan moet beginnen. Dat wordt nog steeds serieus genomen, die essayisten. Heijne is een of andere lul waaraan het leven volkomen aan voorbij is gegaan en die dan ook wat opschrijft. Maar zijn collega’s, die al die boekenkasten doorspitten en er ook geen kloten van begrijpen, vinden dat natuurlijk prachtig en geven hem die prijs. Ik weet zeker dat ik hem de volgende keer ook niet krijg. Die baardaap, hoe heet-ie ook alweer, Ilja Leonard Pfeijffer, is ongetwijfeld de volgende dichter die hem krijgt. Dat staat voor mij zo vast als een huis.”

Ilja Leonard Pfeijffer is ook geen echte dichter?
“Die gozer is natuurlijk woordvaardig, dat valt niet te ontkennen, maar hij werd al een literair wonderkind genoemd voor hij ook maar een drol had geschreven. De meeste dichters schrijven niet voor het publiek, want ze begrijpen al: dat publiek weet er niets van, maar voor de recensenten. Ze schrijven voor de literaire critici want dat zijn de mensen die de prijzen vergeven. De literaire wereld is een ontzettend gesloten, marginaal wereldje.”

Word jij over vijftig jaar nog gelezen?
“Dat zal blijken. Ook al ben je er zelf niet meer, je zult het vast op de een of andere manier te weten komen.”

Hoe dan?
“Langs een andere weg dan de logische. Alles houdt verband met alles, nietwaar?”

Er is leven na de dood?
“Het eeuwige leven speelt zich overal af, zowel voor als na de dood. Als ik doodga dan gaat het leven gewoon door. Dat is leven na de dood. Ik geloof niet in een persoonlijk voortbestaan na de dood. Als je nu meneer Jansen bent en je gaat dood en je blijft meneer Jansen, dat zou toch lichtelijk teleurstellend zijn. Nee, ik geloof in een energie die blijft voortbestaan. Je lichaam pleuren ze in een kachel en wordt verbrand, maar er gaat geen atoom van verloren. Je lichaam gaat gewoon over in een andere toestand. De ziel is niet meetbaar, maar als je een dooie ziet, of je hem nu kent of niet, dan zie je dat hij geen kloten te maken heeft met de persoon die hij of zij was. De ziel is eruit. Zou dat dan wel verloren gaan? Dat maak je mij niet wijs. Die energie gaat ook over in een andere toestand.”

Een beetje dichter dicht zijn eigen grafschrift. Heb jij er al een?
“Daar heb ik nog niet over nagedacht, maar ‘Beter opgebrand dan uitgedoofd’ is wel een aardige.”

Jules Deelder viert zijn vijfenzeventigste verjaardag aanstaande zondag in De Doelen in Rotterdam. Ook verschijnt er een nieuwe dichtbundel en bracht hij 1944 genummerde flessen van zijn eigen autobiografische gin op de markt.

Deelder Hard Gin: hallucinerende kruiden en een vleugje absint

Jules Deelder viert zijn vijfenzeventigste verjaardag met de lancering van ’s wereld eerste autobiografische gin. Playboy had de eer om in het bijzijn van de dichter annex nachtburgemeester te proeven van dit zinsbegoochelende vocht. Deelder: “Het is niet zo dat je Jeanne d’Arc al na een glaasje ziet verschijnen, maar na een fles is die kans al aanzienlijk groter.”

Lees verder Deelder Hard Gin: hallucinerende kruiden en een vleugje absint

Maarten Spanjer: ‘Waarom begint iedereen toch altijd over Jeroen Krabbé?’

Maarten Spanjer (66) schreef een boek met tragikomische verhalen over zijn jeugd. Playboy ging een nacht op pad met deze meesterverteller. “Waarom begint iedereen toch altijd over Jeroen Krabbé met me?”

Deel van het interview in het septembernummer van Playboy. (2019) Het gehele interview leest u hier.

Q1. Geluk is een herinnering is een bundeling tragikomische verhalen over je jeugd. Om welk verhaal moet je zelf het hardst lachen?
Dat zijn er meerdere, maar een van mijn favorieten is ‘Een zure appel’, een verhaal over de jongste broer van Karel Appel. Joop Appel was jeugdscheidsrechter bij de Amsterdamse Voetbalbond. De jongens met wie ik speelde waren altijd een beetje bang voor hem. Paul, een elftalgenoot, had op een dag al zijn moed bij elkaar geraapt en vroeg hem of hij zelf ook schilderde. Meneer Appel antwoordde toen nors: ‘Alleen plinten.’

Q3. Om welke cabaretiers moet je lachen?
Hans Teeuwen en Theo Maassen vind ik de grootste cabaretiers van dit moment. Daniël Arends en Peter Pannekoek vind ik ook erg goed. Youp van ’t Hek en Freek de Jonge zijn daarentegen een beetje in hun eigen val getrapt. Youp schopte altijd aan tegen mensen met dikke auto’s en grote huizen maar woont nu zelf in een gigantisch huis aan het Vondelpark. Dan verlies je je geloofwaardigheid. Freek maakte vroeger grappen over Wim Kan en zijn vrouw Corry Vonk, hij stak er de draak mee dat ze altijd samen waren, maar is nu zelf nog veel kleffer met zijn vrouw Hella. Dat is een Yoko Ono in het kwadraat. Verschrikkelijk. Freek denkt volkomen ten onrechte dat hij zijn succes aan haar te danken heeft. Zij maakte bijvoorbeeld die rare clownspakken waar hij vroeger in rond sprong. Ik kan je een ding vertellen: in die pakken lag het succes van zijn voorstellingen niet. Ik vind het heel apart dat zo’n intelligente man een groot deel van zijn succes ophangt aan zijn vrouw. Dat is een rare vorm van bescheidenheid die ik niet begrijp.

Q5. Je bent een ras-Amsterdammer. Wat vind je van het beleid van burgemeester Femke Halsema?
Ik volg de politiek niet echt, maar ik heb weleens de indruk dat ze de geschiedenis in wil gaan als de burgemeester die aan allerlei dingen een einde heeft gemaakt. Ze wil bijvoorbeeld een einde maken aan de raamprostitutie op de Wallen. Ze stelde voor om die vrouwen dan maar achter gesloten gordijnen te zetten. Hoe kom je erop? Volgens mij maak je het met die verboden alleen maar erger. Je kunt veel beter strenger handhaven.

Q6. Je bent naast schrijver ook acteur. Heb je alles uit je acteercarrière gehaald wat erin zat?
Dat denk ik niet, al denk ik ook niet dat er veel meer in zat. Ik zag acteren als een makkelijke manier om een boterham te verdienen, maar ik ben heel slecht in het vertolken van andermans teksten. Ik krijg ze maar niet in m’n kop. Nee, ik ben geen groot acteur. Regisseurs zagen mij ook niet een groot acteur en dan kom je dus in foute series terecht – daar heb ik er redelijk wat van gedaan. Als ik het script las dan zonk me de moed alweer in de schoenen. Wat een slechte tekst, dacht ik dan, en dan moest ik die onzin nog uit mijn hoofd leren ook!

Q7. In Spetters speelde je samen met de onlangs overleden Rutger Hauer. Hoe was het om met hem te werken?
Hij was een man van weinig woorden, een nuchtere Fries. Ik mocht hem wel. Het eerste wat ik dacht toen hij was overleden: Cruijff is dood, de koning van het voetbal, en nu is de koning van de film ook dood. Ik vind hem van dezelfde grootheid.

Q8. Wie is nu de grootst nog levende acteur van het land? Je grote vriend Jeroen Krabbé?
Waarom begint iedereen toch altijd over Jeroen Krabbé met me? Nou, heel even dan: naar aanleiding van de dood van Rutger Hauer mocht Krabbé aan tafel aanschuiven bij Jinek. Als een bekend persoon overlijdt is hij er altijd als de kippen bij. Hij vertelde bij die gelegenheid over de wel heel bijzondere  band die hij had met Rutger Hauer. Hou toch op. Ik durf te wedden dat hij hem in geen jaren heeft gesproken. Ik had in de jaren negentig een talkshow met Rijk de Gooyer en ik belde Rutger Hauer of hij die week bij ons te gast wilde zijn. Zonder nadenken stemde hij in. Na afloop vroeg ik hem waarom hij nooit in talkshows verschijnt, maar wel meteen bij ons aanschoof. Hij antwoordde lachend: ‘Nou, ik vind jullie wel grappige mannetjes en ik weet dat jullie een bloedhekel aan Jeroen Krabbé hebben, maar de publiciteit die jullie daarmee genereren laat ik graag aan jullie over.’ Hij kon die man ook niet uitstaan.

Q20. Waar leef jij van?

Nou, ik heb een periode goed verdiend, zowel met de commercials die ik samen met Rijk de Gooyer deed voor KPN als met Taxi. Rijk belde me eens toen het geld van de commercials weer was overgemaakt: ‘Heb je dat bombardement op je bankrekening al gezien?’ Eigenlijk leef ik daar nog steeds van. Ik heb ook nooit echt gek gedaan: ik heb niks met dure auto’s of dure kleding. Ik rijd wel rond op dure fietsen die ook regelmatig gestolen worden, maar dat is eigenlijk mijn enige uitspatting. Ik kan me bedruipen. Kijk, ik moet geen honderd worden, ook geen negentig, maar tachtig red ik misschien net. En ach, als je tachtig bent dan zit je ook maar met een lepel in je bordje pap te slaan, dan heb je toch niet zoveel meer nodig.

Ronald Giphart: ‘Series hebben een grotere toekomst dan romans’

Ronald Giphart (53) komt eind september met een nieuwe roman: Alle tijd. Door welke schrijvers laat hij zich inspireren, welke muziek luistert hij al sinds zijn studententijd en welke series ziet hij het liefst?

Fragmenten. Het gehele interview is te lezen in het septembernummer van HP/De Tijd (2019) of hier via Blendle.

BOEKEN
“Philip Roth is mijn favoriete schrijver. Ik heb net American Pastoral herlezen, dat blijft een majestueus meesterwerk, maar zijn beste boek is denk ik Sabbaths Theater. Het gaat over een poppenspeler die een onstuimige verhouding krijgt met een vrouw en plotseling overlijdt die vrouw. Dat is een van de maffe dingen aan dit boek: opeens is die vrouw dood, zomaar, je leest er makkelijk overheen als je niet goed oplet. Daarna begint het boek pas echt. Sabbath had zo’n obsessieve seksuele relatie met haar dat hij naar haar graf gaat om zich af te trekken, maar als hij daar aankomt ziet hij een andere man staan die zich ook aan het aftrekken is. Hij begrijpt het niet. Had ze naast hem ook nog een andere minnaar? Dan komt hij erachter dat ze een heel leger aan minnaars had en raakt nog meer geobsedeerd door haar dan hij al was bij leven. Het is een fascinerend boek. Iets heel anders is Vallen is als vliegen van Manon Uphoff. Godverdomme, wat een boek is dat. Bert Natter zei tegen me: als we jong waren geweest en we zouden dit boek hebben gelezen dan zouden we meteen verkocht zijn voor de literatuur. Dit is een boek met dezelfde impact als Het verzonkene van Jeroen Brouwers of Nader tot U van Gerard Reve. Ik was er dagen kapot van. Vallen is als vliegen gaat over incest, al wordt dat woord niet echt gebruikt. De zus van de hoofdpersoon overlijdt en dat zet een soort maalstroom aan herinneringen in werking die lukraak door elkaar schieten. De stilistische brille van Manon is fenomenaal. Ik kan me niet voorstellen dat dit niet internationaal wordt opgepakt.”

BEELDENDE KUNST
“Ik mis het gen om me door kunst te laten raken. Ik ben ook dusdanig misantropisch dat ik me in een museum teveel aan andere bezoekers erger om van de kunst te genieten. Wim Kok zei eens dat hij Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue van Barnett Newman niet begreep totdat hij er een halfuur voor had gestaan en het schilderij bij hem binnenkwam. Ik zou mezelf niet eens kunnen dwingen om een halfuur voor een schilderij te gaan staan. Een bezoek aan een museum voelt voor mij altijd een beetje als een verplicht nummertje. In de tijd dat ik een theatershow deed met Bart Chabot bezochten we weleens een museum, maar ik ging dan vooral mee om hem een plezier te doen. Het Van Abbemuseum in Eindhoven, Boijmans van Beuningen in Rotterdam – ik heb het allemaal gezien, maar ik zou het potsierlijk vinden om mezelf een museumbezoeker te noemen. Ben ik dan nooit verpletterd door kunst? Jawel. David Hockney vind ik fascinerend. Ik zou niet snel naar een tentoonstelling van hem gaan, maar zijn schilderijen vind ik fantastisch. Dat hele hoge doek met die bomen vind ik van een tranentrekkende schoonheid. Kunst zie ik eigenlijk het liefst in fotoboeken. Ik heb zelf inmiddels een hele verzameling. Het allereerste fotoboek dat ik zelf kocht was van Robert Mapplethorpe – een van de inspiratiebronnen van Erwin Olaf. Ik woonde in mijn studententijd in een huis met een meisje die op haar kamer een hele grote foto van hem had hangen. Het was een portret van een grote zwarte man in een polyester suit die een enorme lul uit zijn broek had hangen. Ik was meteen gefascineerd. Ik vroeg haar eens waarom die foto daar hing. ‘Om de jongens die hier komen te intimideren’, antwoordde ze. Dat werkte inderdaad.”

FILM
“Ik besteed veel meer tijd aan het kijken van series dan aan het lezen van boeken. Ik denk ook dat series een grotere toekomst hebben dan romans. Is dat erg? Nee. Ik denk het niet. Lezen bevordert je empathische vermogens. Dat is waar. Het is bewezen dat gevangen die gestimuleerd worden om boeken te lezen empathischer worden en dat de kans op recidive afneemt. Lezen is cognitieve arbeid. Je moet beelden maken. Als je het woord ‘schrijver’ ziet dan heb je onbewust in beeld van een schrijver in gedachten. Bij een serie hoef je dat beeld niet zelf te maken. Daar is dus minder cognitieve arbeid voor nodig. Toch denk ik dat het volgen van een wereld in beeld je empathische vermogens ook versterkt – misschien iets minder intensief dan wanneer je leest, maar misschien ook iets laagdrempeliger. Ik was laatst op een middelbare school in een klas met leerlingen die voor hun leeslijst verplicht mijn boeken hadden gelezen. Ik ook van jou gaat een beetje over seksualiteit dus dan gaat het daar natuurlijk al snel over. Ik vroeg: wie kijkt er weleens naar Sex Education op Netflix? Drie meisjes staken hun vinger op. Je merkt dat daar toch meer aandacht voor is dan voor een boek. Sex Education vind ik trouwens een erg goede serie. Het gaat over een zestienjarige jongen wiens moeder een nogal excentrieke sekstherapeute is. Ze vraagt bijvoorbeeld voortdurend aan haar zoon: masturbeer je al? Van die vragen die je niet van je moeder wilt krijgen. Die jongen is een enorme nerd en nog maagd, maar omdat zijn moeder dat beroep heeft, komen al zijn klasgenoten bij hem met hun seksproblemen. En dan blijkt dat hij een soort gave heeft om die seksproblemen op te lossen. Easy vind ik ook erg goed. Het is een serie over normale mensen in een buitenwijk van Chicago. In de eerste aflevering volgen we een uitgeblust stel die hun seksleven proberen te verbeteren. Je denkt dat het verhaal in de tweede aflevering verdergaat, maar dan volgen we opeens totaal iemand anders. Later blijkt dat die persoon een heel klein personage was in de eerste aflevering. In de derde aflevering volgen we iemand die zowel in de eerste als in de tweede aflevering kort de revue passeerde. En ga zo maar door. Het acteerwerk is ook zo goed. Laatst las ik pas dat deze serie voor een groot deel is geïmproviseerd. De acteurs krijgen à la De vloer op een paar aanwijzingen en de rest moeten ze zelf maar bedenken. Dat pakt in dit geval erg goed uit. Ik ben er een paar keer echt ontroerd door geraakt. Iets grappiger maar wel uit dezelfde bron is Love. Het gaat over een getroebleerd meisje dat erg knap is maar vatbaar voor verslavingen en foute mannen. Een nerdachtige jongen wordt verliefd op haar maar zij niet op hem, totdat ze ziet dat hij toch wel erg leuk is ondanks dat hij zo’n ongelooflijke nerd is. De nerd die hem speelt is ook de nerd die deze serie geschreven heeft. Het is een feel good drama in optima forma. Het is in alles liefdevol, warm en menselijk. Peter Heerschop zou z’n vingers erbij aflikken.”

 

Jan Cremer: ‘Het feminisme is aan mij voorbijgegaan’

Jan Cremer (79) is schrijver en schilder. Playboy spreekt hem naar aanleiding van zijn nieuwe boek Canaille over de verfilmingspogingen van zijn bestseller Ik Jan Cremer, zijn weerzin tegen fatsoensrakkers en zijn literaire aspiraties: ‘Ik schrijf begrijpbare porno voor het volk.’

\Drie fragmenten uit een groot interview met Jan Cremer in het juninummer van Playboy, 2019. Het gehele interview is hier te lezen.

Onlangs verscheen je nieuwe boek Canaille. Zit het publiek nog wel te wachten op nieuw werk van Jan Cremer?
“Dat denk ik wel, ja. Ik ben de meest gelezen schrijver van Nederland, al vanaf 1964 bestsellerauteur, en ik heb een hele schare lezers, nationaal en internationaal, die honger hebben naar mijn werk. Ik kan er nog steeds op rekenen dat ik in Holland ongeveer 60.000 lezers heb die het nieuwe boek graag willen lezen. Dat is voor mijn doen weinig, vroeger had ik er 600.000, maar voor tegenwoordig is dat veel.”

Kun je kort uitleggen waar het boek over gaat?
“Het gaat over de opkomst en ondergang van een beroemde primaballerina en de onmogelijke taak om voor het eerst van je leven een gezin te vormen. Ik trouwde in de jaren zestig met mijn grote liefde, met wie ik een leven probeerde op te bouwen in New York. We kregen een dochter. Voor het eerst in mijn leven had ik een gezin. Tot die tijd had ik geen familie-ervaring. Ik was enig kind, mijn vader was al vroeg overleden, ik heb tot mijn veertiende altijd in tehuizen gezeten, ik was onopvoedbaar. In Amerika zag de toekomst er rooskleurig uit. Ik had alles wat ik wilde: een mooie vrouw, een lief kind, een prachtige ranch met paarden, honden, noem maar op. Dat ging natuurlijk mis. Onze relatie liep stuk. Op geld. Ik geef helemaal niets om geld, als ik geld heb dan geef ik het uit. Dat was voor haar een probleem. Ze beschouwde haar zeven jaar met mij uiteindelijk als een onenightstand en de dochter die daaruit voortkwam ziet mij als haar moeders spermadonor. Ik heb met allebei geen contact meer.”

Ik kan me voorstellen dat dat lastig is.
“Je krijgt oorlog met je vrouw, die zet haar dochter tegen je op. Je dochter wordt je vijand, en vijanden, zo is mij geleerd, moet je op afstand houden. Dus dat is voorbij. Ik ben wat dat betreft een vrij harde figuur, misschien nog wel harder dan vroeger. Als iemand om wat voor reden dan ook mijn vertrouwen heeft geschaad, komt het nooit meer goed.”

***

Krijg je genoeg erkenning voor je schrijverschap?
“In Amerika en Duitsland sta ik in allerlei encyclopedieën als zijnde een van de grote namen van de literatuur in Holland. Hier hebben de meeste collega-schrijvers nog nooit van mij gehoord. Het is misschien een beetje hetzelfde als met De Telegraaf: het is de grootste krant van het land, maar niemand heeft het ooit gelezen, begrijp je wel.”

Je hebt ook nooit een literaire prijs ontvangen.
“En dat moeten ze ook niet wagen. Dan berg je je maar, als je dat durft. Daar zijn ze nu te laat mee. Ik weet dat ik absoluut mijn best doe om goed te schrijven en mooi te schilderen. Ik sta nog steeds achter elk woord dat ik heb geschreven en elk schilderij dat ik heb geschilderd. Of nu één persoon mijn werk mooi vindt of een miljoen personen en of ze me daar nu een prijs voor geven – het interesseert me in feite ook niet. Ik ben koninklijk onderscheiden, Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Dat vind ik waardevol genoeg.”

Volg je de nieuwe lichting schrijvers?
“Nee. In Holland wordt de bestsellerlijst momenteel aangevoerd door literaire kwakzalvers. Daar ga ik mijn tijd niet aan besteden. Ik heb niets aan iemand die mooi kan schrijven, dat kan ik zelf ook wel, en dan nog beter ook. De schrijvers van tegenwoordig schrijven allemaal prachtige zinnen, maar ze hebben geen seconde in hun leven honger geleden, ze weten niet wat armoede is. Dan kun je ook niet goed schrijven. Ik moest altijd mijn eigen brood verdienen. Ik heb in de haven moeten werken, ik heb moeten varen, ik heb in een slachterij gewerkt. Dat is het doornige pad van de kunst. Ik schrijf alles op met hart en ziel, over wat ik heb meegemaakt en gevoeld. Zo simpel is dat.”

***

Je bent een vrouwenkenner. Waar moet een goede vrouw volgens jou aan voldoen?
Meestal zijn de vrouwen op wie ik val blond en hebben blauwe ogen. Ze moeten tegen een stootje kunnen, goed in de keuken zijn en een goede kameraad zijn. Het belangrijkste is om een goede kameraad te hebben in je leven. Mijn Babette is mijn muze, mijn grote liefde. Ik ontkom er natuurlijk niet aan dat ik in mijn verleden andere grote liefdes ben tegengekomen, daar schrijf ik natuurlijk ook over, maar dat vindt ze niet erg. Je kunt je verleden niet uit de weg gaan.”

Zijn de vrouwen veranderd in vergelijking met vroeger?
“Nee.”

Niet? Ook niet door de feministische golven?
Spottend: ‘Die zijn aan mij voorbijgegaan. In mijn kring komen geen feministen voor. Een leuke vrouw is voor mij nog steeds gewoon een lekker wijf met wie je een borrel kan drinken en met wie je goed kan lachen en de liefde mee kan bedrijven’ Lachend: ‘Waar zijn ze anders voor, zou ik haast zeggen.’

Is dat niet heel seksistisch? Je schrijft in een van je boeken bijvoorbeeld ook: ‘Een goede vrouw is onderworpen aan haar man, haar Heer en Meester’.
“Dat schrijf ik ook een beetje om te stangen, natuurlijk. Ik schreef ook dat een goede vrouw ’s ochtends als eerste opstaat en zingend in de keuken een lekker ontbijt klaarmaakt dat ze manlief op bed komt brengen met de krant opengevouwen op de sportpagina en ’s avonds in een korte rok en op hoge hakken de dampende piepers serveert. Dat vind ik nog steeds een mooi beeld. Dat is humor.”

Onlangs was er een nieuwe toneelbewerking van Turks fruit van Jan Wolkers. De makers vonden het boek achterhaald en hebben er een vrouwvriendelijker versie van gemaakt. Hoe kijk jij daarnaar?
“Dat kan toch helemaal niet? Ik doe niet mee aan die hysterie. Ik schrijf wat ik schrijven wil. Ik vind dat ik in de maat blijf, maar ik schrijf wel waar het op staat. Een lekker wijf is een lekker wijf. Ik schrijf gewoon wat het is en dat blijf ik doen. Turks fruit vond ik bij verschijning trouwens al achterhaald. Alles wat erin staat, staat al in Ik Jan Cremer.”

 

 

 

 

Lykele Muus: ‘Er wordt neergekeken op schrijvende acteurs’

Lykele Muus (32) is schrijver en acteur. Deze week verscheen zijn tweede roman: We doen wat we kunnen.

 

Kun je kort vertellen waar het boek over gaat?
We doen wat we kunnen gaat over twee bevriende gezinnen met elk een dochter die een vakantiehuis delen aan zee. Tijdens aan van de vakanties krijgen de meisjes een quad-ongeluk. Het ene meisje belandt in een coma waar ze waarschijnlijk nooit meer uitkomt, het andere meisje heeft ogenschijnlijk niks. Later veranderen de verhoudingen en worden de ouders voor een onmogelijke keuze gesteld.”

Hoe kwam je op het idee voor dit onderwerp?
“Het boek gaat over ouderschap, maar ook over duurzaamheid van relaties en het jezelf opofferen omwille van de kinderen en omwille van het samenblijven met je partner. Na de geboorte van mijn dochter merkte ik dat ik heel erg was veranderd, maar ook de relatie met de moeder van mijn dochter was heel erg veranderd. Op een gegeven moment werkte het gewoon niet meer tussen ons. Het ideaal is dat mensen die een kind hebben bij elkaar blijven. Ik vind dat helemaal niet het ideaal. Een kind heeft meer aan een goede scheiding dan aan een slecht huwelijk. Mijn ex en ik dragen het co-ouderschap over onze dochter en dat werkt uitstekend. Ik denk dat het, als je allebei carrière wilt maken en een zware baan hebt met onregelmatige uren, bijna onmogelijk is om samen een kind op te voeden. Je wilt een goede partner zijn en een goede ouder zijn, maar je wilt ook dichtbij jezelf blijven en carrière maken. Daarnaast wil je je sociale leven onderhouden en af en toe ook een moment van rust inlassen voor jezelf. Dat is bijna ondoenlijk als je met z’n drieën onder een dak woont. In de situatie waarin wij nu zitten – dus met twee ouders die allebei een drukke baan hebben – is het co-ouderschap de beste oplossing. Toen mijn ex en ik aan familie en vrienden vertelden dat wij uit elkaar gingen, zei iedereen: ‘O, wat erg voor jullie, wat jammer dat het is mislukt.’ Iets is niet mislukt als het stopt. In het boek schrijf ik ook dat je altijd opnieuw kunt beginnen. En dat is ook waar. Zelfs als je kind wegvalt, hoe verschrikkelijk dat ook is, betekent dat niet het einde van de wereld.”

In het boek schrijf je: ‘Omringd door andere ouders is het not done om te laten merken hoe zwaar het ouderschap eigenlijk is.’ Wat vind je zelf het zwaarst aan het ouderschap?
“Het houdt niet op. Als je wakker wordt ben je een ouder, als je gaat slapen ben je een ouder – je bent altijd verantwoordelijk voor het leven van je kind en dat van jezelf. Je kind mag niet dood maar je mag zelf ook niet dood. Dat bepaalt wel heel erg hoe je in het leven staat. Voordat ik een kind kreeg was ik veel impulsiever. Ik was veel onverschilliger en veel sneller met oordelen, ik had toch niets te verliezen. Nu denk ik over alles drie keer na.”

“Een kind heeft meer aan een goede scheiding dan aan een slecht huwelijk”

Je debuteerde in 2016 met Eland. Van welke fouten uit dat eerste boek heb je geleerd?
“Bij je debuut heb je het idee dat je moet bewijzen dat je een boek kan schrijven, bij je tweede heb je het idee dat je moet bewijzen dat je een goedboek kan schrijven. Eland bevatte teveel passages die niets met het verhaal te maken hadden. Ik dacht: die grappige passage laat ik erin, want dan kunnen ze zien dat ik ook met humor kan schrijven. Nu heeft elke passage een functie. Het gaat niet meer om mij als schrijver, maar alles staat in dienst van het verhaal. Eland heb ik heel impulsief geschreven, zonder duidelijk plan. We doen wat we kunnen is meer doordacht. Dat komt ook omdat dit boek als filmscenario begon, waarvoor ik me onder andere heb laten inspireren door het toneelstuk Carnage van Yasmina Reza. Dat scenario was al klaar toen het werd afgewezen door het Filmfonds, waarna ik het heb omgewerkt tot een roman.”

Je bent naast schrijver ook acteur. Zit dat acteurschap het auteurschap niet in de weg, in die zin dat je wordt weggezet als die acteur die ook zo nodig moet schrijven?
“Jawel, heel erg. Soms lijkt het wel of je in Nederland maar op een manier bekend mag zijn. Waarom zou je alleen maar schrijver of acteur kunnen zijn en niet allebei? Herman Koch is toch ook ooit begonnen als acteur? In andere landen zijn de kunsten veel minder gescheiden. Hier is het: schoenmaker blijf bij je leest. Ik merkte dat voor het eerst bij het verschijnen van mijn debuut. Niemand wilde erover schrijven. En als er al iets over werd geschreven, dan werd het boek genoemd in een lijst met boeken die geschreven zijn door een acteur, waarbij er met geen woord over de inhoud werd gerept. Collega-schrijvers denken vaak dat het door je bekendheid makkelijker is om aandacht te krijgen voor je boek. Het tegendeel is waar. Het is juist veel moeilijker. Er wordt door mensen uit het boekenvak heel erg neergekeken op schrijvende acteurs. Precies wat jij zegt: daar heb je weer zo’n acteur die ook denkt dat hij kan schrijven. Ergens snap ik dat ook wel. Ik vind het als acteur ook heel erg kut wanneer ik auditie doe voor een rol en ik later te horen krijg dat die rol is vergeven aan presentator Jan Versteegh. Aan de andere kant vind ik ook dat je je talenten mag laten zien. Waarom mag een presentator die goed kan acteren niet in een film spelen? Dat geldt voor een acteur die goed kan schrijven ook.”

We doen wat we kunnen gaat over onmogelijke dilemma’s. Als we het daar dan toch over hebben: nooit meer acteren of nooit meer schrijven?
“Nooit meer acteren. Ik verdien mijn geld met acteren, want met het schrijven van een boek verdien je niet zoveel, maar als acteur werk je toch altijd in opdracht van een ander. Ik zou alleen over deze vraag twijfelen als ik zelf mijn films en toneelstukken mocht schrijven, maar dat is niet aan de orde. Toneel is trouwens ook een uitstervende kunstvorm, dus dat idee moet ik misschien sowieso loslaten. Een boek schrijven, ook al kost het drie jaar van je leven en levert het weinig op, is voor mij het summum. Je kunt je eigen verhaal vertellen. Niemand kijkt over je schouders mee en zegt wat je moet doen. Het geeft ontzettend veel voldoening om te schrijven. Een boek is ook tijdlozer dan een film of een serie.”

“Ik wil bombarderen met waterballonnen, of desnoods een bom van stront”

Wat vind je zelf de mooiste zin uit het boek?
“De laatste zin, maar die zal ik hier niet citeren, want dan verklap ik teveel. Wat ik ook een mooie zin vind: ‘Het grootbrengen van kinderen gaat meer over het voorkomen van verdriet dan over het creëren van geluk.’”

Op welke Nederlandstalige schrijver ben je jaloers?
“Ik ben op niemand jaloers, maar ik bewonder wel bepaalde talenten van sommige schrijvers. De toewijding van Peter Buwalda, de beeldspraak van Tom Lanoye. Ik moet altijd huilen om de personages van Jaap Robben en ik bewonder Maartje Wortel omdat ze zware filosofieën heel lichtvoetig kan opschrijven.”

Tot slot: op het huis van welke schrijver zou je een precisiebombardement uit willen laten voeren?
“Ha. Laat ik vooropstellen dat ik niemand dood wil hebben en dat ik ook geen huizen kapot wil maken. Ik wil bombarderen met waterballonnen, of desnoods een bom van stront. Er zijn een paar mensen die ik hartstikke irritant vind als schrijver, maar die als mens vast hartstikke aardig zijn. Mano Bouzamour bijvoorbeeld. Ik vind het onbegrijpelijk dat zo’n ijdeltuit zo onevenredig veel aandacht krijgt voor zijn boeken en ik vind het heel irritant dat hij zich dat ook zo laat aanleunen. Ik ben begonnen in Bestsellerboy, maar ik las de eerste pagina’s en had geen idee wat er stond. Wat een draak van een boek is dat.”

De beste boeken die u nooit heeft gelezen (2019)

Wat is het beste boek dat niemand heeft gelezen? Net als voorgaande jaren vraagt HP/De Tijd aan in totaal honderd literatoren welk boek zij willen toevoegen aan deze bescheiden canon van het vergeten boek.

 

58. Het Geuzenboek (1979)
Louis Paul Boon (1912 – 1979)

Tom Lanoye: In genadeloze en korte hoofdstukken tekent ‘Boontje’ zowel de levenswandel van de machtigen als het lot en het weerwerk van ontelbare kleine zielen. Te weten: de water- en bosgeuzen van de zestiende eeuw, in hun strijd tegen de Spaanse bezetter en zijn vele collaborateurs. Het is een overweldigend en bijwijlen weerbarstig monument, door de hoeveelheid van de informatie en de onontkoombaar sterke stem van Boon — een verteller die maar nauwelijks zijn woede beheerst en die zijn misprijzen voor de toenmalige elites niet onder stoelen of banken steekt. (Waarom noemde men Willem ‘de Zwijger’? Boon pepert het ons met sardonisch genoegen in.)

Waarom is dit boek zo weinig bekend, zeker in Nederland? Ik was teleurgesteld, nee: verbolgen, dat in de mooie serie 80 Jaar Oorlog (NPO 2) niet minstens een paar fragmenten werden voorgelezen door presentator Hans Goedkoop. En zeker in deze tijden van hernieuwde godsdienstconflicten — die zoals altijd economische en geo-politieke belangen maskeren — zou dit meesterwerk de basis kunnen vormen van een onthutsende, spannende en leerrijke dramaserie.

Tot slot geef ik graag het motto van de meester zelf mee: “Zo wil dit Geuzenboek dan een soort bijbel zijn, waarin vastgelegd werd hoe de vromen en rechtzinnigen konden worden uitgeroeid door heerszuchtigen die het woord van Christus tot een godslasterlijk woord maakten, en in zijn naam duizenden en duizenden ombrachten door vuur en water, door strop en zwaard.”

59. Het Leven op Aarde (1934)
J. Slauerhoff (1898 – 1936)

Nelleke Noordervliet: Slauerhoff is vooral bekend als dichter. Zijn zwervend leven als scheepsarts en zijn vroege dood aan tuberculose weeft een waas van romantiek om zijn persoon. ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen. Nooit vond ik ergens anders onderdak.’ Tijdens dat betrekkelijk korte bestaan vond hij toch tijd om een paar romans te schrijven die als de pendant van het levensgevoel in zijn gedichten kunnen worden beschouwd. Het Leven op Aarde is daarvan een geweldig voorbeeld. Cameron, een Engelse marconist, heeft genoeg van het leven op zee en drost in China. Het is een geheimzinnig, moeilijk toegankelijk land. De sfeer is duister en chaotisch. Na wat vage pogingen te settelen neemt hij deel aan een louche expeditie met een onbekend doel naar een legendarische stad in het binnenland. Het reisgezelschap bestaat uit verschillende enigmatische figuren. Cameron is een buitenstaander die af en toe een verbond met een van de andere expeditieleden sluit. Wat er gebeurt, hoe lang ze onderweg zijn  het blijft allemaal raadselachtig. Eindelijk in de grote stad in het binnenland gearriveerd wordt het doe; van de expeditie duidelijk, wordt het gezelschap vastgezet, elk van de leden op een eigen plaats en ontstaat er conflict met de leiders van de gemeenschap. Cameron stelt executie uit door te beloven een toestel te ontwerpen dat het geluid van de wereld binnen zal brengen. Hij bouwt een radio-ontvanger. In een apotheose als in een rampenfilm wordt de stad overstroomd door kolkende rivieren. Cameron vlucht naar het ijzige hooggebergte en verder. De sfeer van Het Leven op Aarde grijpt je vast, de stijl is soms slordig soms hallucinant. Een Nederlandse roman van grote, internationale allure.

60. Zondagsrust (1902)
Frans Coenen (1866 – 1936)

Rob van Essen: Een volksbuurt, eind oktober, Amsterdam, omstreeks 1900. Een gezin wordt wakker. Vader, moeder en het dochtertje (van de moeder, niet van de vader) slaan zich binnenskamers de taaie zondag door. Een dag vol verveling, verwijten, kleine chantages, tijdelijke overwinningen, dierlijk gescharrel, hoogoplopende emoties, doffe berusting – uiteindelijk eindigt alles, altijd, in teleurstelling en frustratie. Iedereen loert op elkaar op die kleine etage, iedereen is uit op eigen gewin, in een decor van goedkope prullen en opflakkerende lusten, die niet zomaar worden bevredigd – want alles heeft zijn prijs. Tegen de avond komt dan ook nog de benepen en chronisch ontevreden grootmoeder langs, om te klagen en jenever te drinken. Hier en daar geeft Coenen zich over aan op de Tachtigers geïnspireerde woordknutselarij, daar moet je tegen kunnen, maar dan heb je ook wat: een boek van totale uitzichtloosheid. Bij Coenen geen verlichtende ironie, geen mededogen. Wurgender en genadelozer is er zelden geschreven.

61. Een nagelaten bekentenis (1894) 
Marcellus Emants (1848 – 1923)

Tessa de Loo: Het is me een raadsel waarom de roman Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants, die in 1894 verscheen, tot in onze tijd niet minstens even bekend is gebleven als bijvoorbeeld Eline Vere van Couperus. Schildert de laatste voor het eerst in onze literatuur de melancholie en depressiviteit van een jonge vrouw, die zoals de meesten van haar seksegenoten gevangen zit in een wereld van voorschriften, gedragscodes en verboden, Emants tekent met een nietsontziende pen het lege, liefdeloze huwelijk van zijn hoofdpersoon Willem Termeer met diens vrouw Anne. Met een fileermesje legt hij hun relatie bloot, even scherp als een moderne therapeut tegenover een echtpaar wier huwelijk niets meer is dan een lege huls.

De roman begint met de bedaarde mededeling van Termeer dat hij daarnet zijn vrouw heeft vermoord. Was het de logische consequentie van een uitzichtloze kwelling of heeft hij zijn verstand verloren? Met deze vraag zal hij, hoewel niemand vermoedt wat hij heeft gedaan, de rest van zijn leven blijven kampen. Dat een romanschrijver een dergelijke problematiek behandelde was in die tijd, waarin het zelfgenoegzame burgerdom de toon aangaf, revolutionair. Het boek stuitte dan ook voornamelijk op afkeuring en Emants ging erg gebukt onder dit gebrek aan begrip en erkenning. Wel vertelde hij in een interview dat hij overstelpt werd met brieven vol herkenning van lezers, die schreven: ‘Ik ben net zo…’ of ‘Mijn man is ook zo…’
Over de manier waarop zijn hoofdpersonen tot stand kwamen schreef hij: ‘Al mijn personages heb ik uit de werkelijkheid en daar ga ik zo ver in dat ik zelfs hun taalfouten in mijn taal opneem’.
Hij was een bewonderaar van het naturalisme van Emile Zola, maar deelde ook de kritische kijk op het fenomeen vrouw waar we Schopenhauer zo goed van kennen. Ook het feit dat hij vrijelijk over seksualiteit schreef schokte de brave burgerij en werd gezien als hoogst verwerpelijk.

Emants was zijn tijd ver vooruit en daarom voor ons, na ruim een eeuw vol politieke, maatschappelijke en culturele omwentelingen die inmiddels hun neerslag in de literatuur hebben gekregen, veel toegankelijker en boeiender dan voor zijn tijdgenoten. Zijn taal is vrij van overbodige stilistische hoogdraverij, nuchter en modern, maar met een onderliggende, sterk emotionele laag. Fascinerend om te lezen, nog steeds – opnieuw!

62. Veren (1994)
Veronica Hazelhoff (1947 – 2009)

Jaap Robben: Een van de boeken die direct mee verhuisde naar het plankje in mijn eerste studentenkamer was Veren van Veronica Hazelhoff. Voorin staat geschreven: ‘Voor onze lieve Jaap die nu naar de middelbare school gaat. Liefs, papa en mama.’ Dat was zes jaar voordien. Het was zo’n cadeau geweest waarbij ik vaak benadrukte dat ik er echt-heel-erg-blij mee was. Juist omdat het niet zo was.

Alle boeken die ik tot dan toe kende waren spannend of grappig. Maar dit was iets anders. Er zat iets onbegrijpelijks in dit boek. Terwijl het zo makkelijk las. Veronica Hazelhoff schreef boeken die fluisteren, tussen haar handen die ze als kommetjes tegen elkaar hield, verborg ze iets geheimzinnigs. Je mocht wel even kijken tussen de naden van haar vingers door. Haar geheimzinnigheid is niet zozeer spannend. Het is die van het niet helemaal begrijpen. De geheimzinnigheid die je op je hoede maakt, zoals stilte dat kan doen. Steeds las ik het opnieuw.

Dat was het boek waar uiteindelijk de rest van mijn boekenverzameling omheen groeide.

De tekst gaat onder de foto verder.

Een selectie van de boeken die dit jaar zijn gekozen. Beeldbewerking: Laura Muller

63. Het Revolverschot (1911)
Virginie Loveling (1836 – 1923)

Annelies Verbeke: Ik las dit boek onlangs. En schreef volgende passage over in een schriftje: ‘Wat wij met onze oogen zien, maakt ons niet blind voor het tweede gezichtsvermogen, den scherpzinnige en diepvoelende door een helsche macht verleend. Dat onverklaarbare doet ons raden wat niet gezegd wordt, gissen wat verborgen blijft, ontdekken wat onuitgedrukt of moedwillig verkeerd uitgedrukt, in ‘t brein en ‘t gemoed van de ons omgevenden opgesloten ligt. Het fluistert wantrouwen in, daar waar berusting natuurlijk schijnt.’

Dat tweede gezichtsvermogen en de veronderstellingen van mensen over elkaar en de werkelijkheid komen mooi aan bod in een roman over de oudste van twee zussen, de zorgende, opofferende, die met de eigen verbittering en jaloezie wordt geconfronteerd als haar jongere zus iets met de overbuurman blijkt te hebben, die ze zelf al als haar verloofde was gaan zien. Een interessant hoofdpersonage. Geraffineerd neergezette onderzoekingen van haar psyche en de duistere kanten van het mysterie. Verder noteerde ik de woorden ‘bloohartig’ (lafhartig, schuchter) en ‘reeuw’ (de geur van de dood).

64. De vrienden van vroeger (1955)
Esteban Lopez (1931 – 1996)

Arjan Peters: Als jongeman zat Esteban Lopez (1931-1996) een tijdje op Nijenrode, en hij werkte in de reclame. Uit die periode stamt zijn eerste roman, De vrienden van vroeger, geschreven toen hij 23 jaar was. Mooi hoor, die eenzaamheid, de afgunst op de gozer met lef (in het personage David herkennen wij de immer zelfverzekerde Heere Heeresma), en de met angst gekleurde eerste verliefdheden – zoals op het vriendinnetje dat in de deuropening van haar huis klaar staat met pingpongbal en batje, en vraagt: ‘Heb je lust mee te spelen?’ En dan zomaar tegen haar roepen: ‘Het is uit, ik heb geen zin je nog een keer te ontmoeten.’ Het balletje valt haar uit de handen en huppelt weg. ‘Ik bedacht dat haar wangen hoogrood waren en ik vond dat zij nu een spitse neus had.’ Ze smijt de deur dicht. Hij begrijpt niet wat hij heeft gedaan, en gaat maar naar de bioscoop. Balletje nog in de hand. Wat is het leven vreemd!
O, radeloosheid van de jeugd. Ik geniet.

65. Het verrotte leven van Floortje Bloem (1982)
Yvonne Keuls (1931)

Eveline Aendekerk: Het verrotte leven van Floortje Bloem van Yvonne Keuls is natuurlijk geen onbekend of ongekend meesterwerk, maar ik merk dat de jongere generatie dit juweel van een boek vaak niet meer kent. Daarom deze ‘preventieve’ keuze. Alleen al de titel vind ik werkelijk briljant. Die doet je toch snakken naar de inhoud? Mij zo’n 32 jaar geleden in elk geval wel. Dit boek is een van de eerste sociale romans in Nederland en fictie en werkelijkheid vormen er een hechte eenheid. Mooi vind ik dat de zogenaamde slachtoffers geen zielige figuren zijn. Het zijn in feite sterke figuren die in een ellendige situatie terecht zijn gekomen. Thema’s als leed en onmacht, angst, onwil en het grote gemis aan liefde, maar ook schuld en eigen verantwoordelijkheid worden met warmte behandeld. Heerlijk ook dat de tijdsgeest van de jaren 80 er zo in door klinkt; de net opgezette hulpontwikkeling, de softe vaktaal en de christelijke onderdrukking bij opvanghuizen.

66. Experimenten (1911)
Geerten Gossaert (1884 – 1958)

Martin Michael Driessen: Imponerend vormvaste en aangrijpende gedichten, door hemzelf en anderen getypeerd als ‘bezielde retoriek’. Sommige behoren al een halve eeuw tot mijn absolute favorieten, zoals Libera Nos, Domine (‘De wind woei om het eenzaam huis/In het laatste avonduur;/Toen lichtte een vreemde de klink der deur/En zat bij ’t open vuur.’)

Toen ik zestien was leek dichten als hij me het hoogst haalbare; dat veranderde, maar de bewondering en de dankbaarheid zijn altijd gebleven. Het kost misschien wat moeite hem vandaag de dag te lezen, maar dan heb je ook wat: hij staat bij  lange na niet zo ver van ons af als Bilderdijk of zelfs Boutens. Hij doet eerder aan Vasalis denken.

Intrigerend: op een gegeven moment gaf hij er gewoon de brui aan. Gerretson (dat was zijn burgerlijke naam) kreeg een goedgedoteerde baan bij de Shell en liet weten dat hij ‘geen tijd meer had voor een onmaatschappelijke activiteit als het dichten.’

Uit zijn enige bundel komt een man naar voren die zichzelf alleen kon of wilde prijsgeven in een uiterst beheerste en vaak archaïserende kunstvorm. Het effect is verpletterend. Hij laat zich nooit gaan. Hij weet wat hij doet. Het lijkt alsof hij zich niet wil laten kennen, maar na lezing van die formidabele verzen heb je er een vriend voor het leven bij.

Volgens mij is Geerten Gossaert is een van de grootste Nederlandse dichters.

67.
 Dood van een non (1961)

Maria Rosseels (1916 – 2005)

Kristien Hemmerechts:  De nonnen op mijn school hebben mij vaak op hoogmoed betrapt. Het was een verraderlijke zonde: je kon die begaan zonder dat je je ervan bewust was. Ook Sabine Arnauld, hoofdpersonage in Dood van een non maakt er zich schuldig aan, althans in de ogen van de zusters in het klooster dat ze wil betreden. De roman legt de absurditeit van die obsessie met hoogmoed bloot zonder het geloof of gelovige mensen belachelijk te maken. Auteur Maria Rosseels weet het evenwicht te bewaren tussen weerzin en respect. Wanneer je alle onzinnige ballast weg schraapt die het Katholicisme over de jaren heeft verzameld, blijft de poging over van de mens om een relatie met God aan te gaan. De lezer die erin slaagt het ontegensprekelijk gedateerde karakter van de roman te negeren, ontdekt een intelligente en fascinerende voorstelling van een verlangen dat – terecht of onterecht – ook vandaag onuitroeibaar blijkt.

68. De Metsiers (1950)
Hugo Claus (1929 – 2008)

Oek de Jong:  Ik heb de roman zojuist herlezen en vond hem opnieuw steengoed: een rauw en beklemmend verhaal, meesterlijk van psychologisch inzicht, compact geschreven, stampvol gebeurtenissen in krap honderd bladzijden. Ik heb het over het debuut van Hugo Claus: DeMetsiers. Hij schreef dit kleine meesterwerk op zijn negentiende. Verbazingwekkend dat een negentienjarige al zoveel van het leven had gezien en begrepen.

De Metsiers – een boerenfamilie in het Vlaanderen van vlak na de oorlog. In het dorp zijn de Metsiers ongewenst. De toegang tot de mis is hen ontzegd. Ze worden veracht en gemeden. Het is een familie van primitieve hartstochten waar geen rem op zit. Als negentienjarige bewoog Claus zich meteen op het niveau van de Griekse tragedie: moord, incest, onverzoenlijke haat, verblinding. Een allesoverheersende moederfiguur, aangeduid als de Moeder. Mon, die samen met de Moeder haar man Metsier heeft vermoord, en nu met haar leeft. Bennie, achterlijke jongen, en zijn halfzusje Ana, samen een liefdespaar. Jules, ooit ook een minnaar van de Moeder. Dat alles bij elkaar op een afgelegen hoeve. Broeieriger kan het niet. Twee Amerikaanse soldaten worden ingekwartierd bij de Metsiers. Indringers zijn het, vreemdelingen. Alle in de familie verzamelde haat richt zich op hen. Tijdens een eendenjacht in het nachtelijk moeras volgt de ontknoping.

Bijzonder is ook de vorm van de roman: 25 korte monologen van de Moeder, Mon, Ana, Bennie, Jules en Jim Braddok. Het werkt beklemmend.  Ik citeer als smaakmaker de meteen al zo dreigende eerste zin: ‘Een half uur het duister in staren, zinloos staren naar de weg, waarlangs de Vette Smelders moet komen’. Eenmaal gelezen, is het een verhaal dat je niet meer vergeet.

69. Mannekino (1968)
Sybren Polet (1924 – 2015)

Elke Geurts: Mannekino is een moderne klassieker over het negenjarige wonderkind Guido Jagt, dat almaar doet alsof hij zeer middelmatig tot regelrecht dom is, omdat hij erachter is gekomen dat hij als hij zijn intelligentie toont raar bevonden wordt. Maar Guido – die met z’n negen jaar in wezen een zeer sluwe zakenman is en volwassenen in het bedrijfsleven omkoopt, bedriegt en voor z’n karretje spant – heeft zich voorgenomen om op zijn tiende miljonair te zijn om de studie voor zijn vader te kunnen betalen. Zijn vader moest stoppen met studeren toen Guido geboren werd. Mannekino is onderdeel van de Lokienreeks van Sybren Polet, maar kan ook heel goed los gelezen worden. Het is fabelachtig goed geschreven, speels, fascinerend om te lezen, op iedere bladzijde verrassend, wendbaar, fantasierijk, geestig en dient heden ten dagen door iedereen verplicht gelezen te worden.

70. Nachtboek van een slapeloze (1988)
Patricia de Martelaere (1957 – 2009)

Saskia de Coster: Sowieso is een al dan niet overleden Vlaamse auteur in Nederland alsmaar meer een curiosum. In het geval van de zowel Vlaamse als ook nog eens geniale Patricia de Martelaere is dat doodzonde. Nachtboek van een slapeloze, voor het eerst verschenen in 1988, is een prachtig, toegankelijk en toepasselijk gitzwart boek. Een man is bij aanvang simpelweg gelukkig en toch stort hij nacht na nacht meer in. De slapeloosheid neemt hem en zijn lichaam volledig over. Van zijn neergang doet hij iedere nacht verslag, een jaar lang. Wie zijn nachtelijk dagboek leest, voelt de snaren van het universum trillen in iedere wanhopige poging van de hoofdpersoon om toch de voeten op de grond te houden en te geloven dat het gewone leven een bescheiden feest is. Zijn hele, vredige gezinsleven wordt hem zo steeds meer een gruwel. Dat is veel te kort gezegd de tragiek die in Nachtboek van een slapeloze op een totaal meeslepende manier, met een enorm naturel, verteld wordt. Een onontkoombaar boek om tja, van wakker te liggen.

Tekst gaat onder de foto verder.

Een selectie van de boeken die dit jaar zijn gekozen. Beeldbewerking: Laura Muller

71. De Verbeelding (1999)
Herman Franke (1948 – 2010)

Lykele Muus: Dit boek had net de AKO Literatuurprijs gewonnen en Trafalgar Square stond op de voorkant, dus ik nam het mee op reis naar London. Ik heb zowat meer van het boek dan van die reis onthouden. Kort daarna zag ik de film Magnolia, ook zo’n slim geconstrueerde mozaïekvertelling. Over Magnolia wordt nog steeds gesproken, maar van De Verbeelding heb ik nooit meer iets gehoord. Die vorm van vertellen werd een soort heilige graal voor mij. Vermoedelijk zal ik tot mijn dood blijven proberen zo’n verweven constructie te scheppen, nooit zal ik daar zo glansrijk in slagen als Franke. Onder het web van verbindingen ligt nog een web, en daaronder nog een. Daarboven de boodschap dat ieder mens op zijn eigen, vaak mooie, manier beschadigd is, maar dat het leven desondanks draaglijk wordt van de juiste balans tussen realiteit en fantasie

72. Tobias en de dood (1925)
J. Van Oudshoorn (1876 – 1951)

Maarten ’t Hart: In boekhandels zoek je vergeefs naar werk van J. van Oudshoorn. Een totaal vergeten schrijver? Het lijkt er wel op. En dan te bedenken dat Bordewijk ooit Tobias en de dood de grootste roman uit de Nederlandse letterkunde heeft genoemd. Frits Hotz was het daar geheel mee eens en heeft in enkele verhalen zelfs geprobeerd de sfeer van Tobias en de dood weer op te roepen, onder andere in het verhaal Zand en grind. Zoveel is intussen zeker: van de vier romans die Van Oudshoorn heeft geschreven – het onvolprezen Willem Mertens’ levensspiegel, het iets minder geslaagde Louteringen, het superieure Achter groene horren – loopt Tobias en de dood, hoe archaïsch-plechtig het taalgebruik soms ook uitpakt, het meest nadrukkelijk vooruit op een werk als Noorderlicht van Bordewijk en De donkere kamer van Damocles van W.F. Hermans. Anders dan in de drie andere romans is hoofdpersoon Tobias niet alleen maar een mislukking.  Hij houdt zich, hoewel slachtoffer van chantage, staande in een geheimzinnige, grimmige wereld. En in deze roman is zelfs voor eenmaal in het werk van Van Oudshoorn sprake van een superieur soort humor.

73. Het uur tussen hond en wolf (1987)
Maarten ‘t Hart (1944)

Elsbeth Etty: Van het grootse meesterwerk uit de Nederlandse literatuur, Max Havelaar (1860), kan niet worden gezegd dat het onbekend of vergeten is. Des te meer geldt dat voor Het uur tussen hond en wolf: een Multatuliaanse sleutelroman waarin Maarten ‘t Hart afrekent met een Amsterdamse Slijmering, die hem een trauma heeft bezorgd, vergelijkbaar met dat van Douwes Dekker in de zaak-Lebak.

In 1980 kocht ’t Hart van het geld dat hij verdiend had met Een vlucht regenwulpen een monumentaal pand aan de Amsterdamse Oudezijds Voorburgwal. Eén verdieping hield hij zelf, de overige verhuurde hij aan onder meer vertaler en journalist bij NRC Handelsblad Hans Bakx. Die ontpopte zich als wanbetaler en pleger van huisvredebreuk met behulp van gewelddadige krakers.

Het conflict tussen huisbaas en huurder eindigde na kostbare verbouwingen en eindeloze procedures voor de rechter. “De enige manier om nog iets van het geld terug te zien is over dit alles een boek te schrijven …’ zegt ’t Harts alter ego Melchior in de roman en dat voornemen resulteerde in Het uur tussen hond en wolf: een wraakoefening met smakelijke roddels over duidelijk herkenbare figuren uit de literaire en journalistieke wereld.

Natuurlijk haalt dit boek het niet bij Multatuli’s aanklacht tegen koloniale wantoestanden en de calvinistische Nederlandse koopmansgeest. ’t Hart identificeert zich met de schraperige Droogstoppel en hij bespot Bakx, in het boek figurerend onder de naam Koudvuur, omdat die dweept met de vrijgevige Multatuli.

De uitgeefgeschiedenis van Het uur tussen hond en wolf lijkt op die van Max Havelaar met uitgever Theo Sontrop in de rol van Jacob van Lennep. Om te voorkomen dat het boek wegens laster uit de handel zou worden genomen liet hij de straatnaam Oudezijds Voorburgwal veranderen in Marnixkade en stuurde hij het typoscript ruim vóór publicatie naar Bakx. Die stapte echter niet naar de rechter, maar maakte gebruik van ’t Harts tekst voor een tegenaanval: de vileine sleutelroman Midas’ tranen. Allebei hilarische boeken en nog immer actueel als het gaat over jaloezie en wraak in bepaalde milieus.

74. Het verstoorde mierennest (1916)
C.J.A. van Bruggen (1874 – 1960)

Max Pam: Wie Carrie van Bruggen was, weten de meeste Nederlandse lezers nog wel. Zij schreef Prometheus, dat zij zelf ‘een bijdrage tot het begrip der ontwikkeling van het individualisme in de literatuur’ noemde. Ook haar taalboek Hedendaagsch Fetisjisme zal misschien nog een belletje doen rinkelen, maar dan alleen omdat Renate Rubinstein ernaar verwees in haar pamflet Hedendaags feminisme.

Wie C.J.A. van Bruggen was, weet daarentegen niemand meer. Hij was de echtgenoot van Carry, en ook schrijver/journalist. Bijna al zijn boeken en stukken zijn vergeten, maar één roman verdient het om aan de vergetelheid ontrukt te blijven: Het verstoorde mierennest.

Het thema is tegenwoordig weer uiterst populair: de ondergang van de wereld. Het gaat over een mijnwerker, diep neergedaald in een Limburgse schacht, die merkt dat iedereen om hem heen gestorven is. Hij weet naar boven te komen en ziet dat hij de enige overlevende is van een verschrikkelijk ongeluk dat de aarde heeft getroffen. Jonathan Strong, want zo heet hij, is de Hollandse Robinson Crusoë. Een vrolijk boek is het niet, want het eindigt met doodslag en in snikkende puntjes… Maar het leert je wel hoe Nederland er honderd jaar geleden uitzag. Nederland was toen een prachtig land, jammer van al die doden die op straat lagen.

Van harte aanbevolen!

75. Laten we vader eruit gooien (1967)
Mary Dorna (1891 – 1971)

Sylvia Witteman: Het oprakelen van ‘vergeten’ boeken is hip, net als de teelt van ‘vergeten’ groentes: soms worden ze terecht weer van stal gehaald, maar soms ook begrijp je best waarom men ze ooit de rug toekeerde; neem nu bijvoorbeeld snijbiet, of Hugo Claus. Ik twijfel nog steeds over John Williams’ Stoner (die ik niet zozeer een tragische held vond als wel een lafaard), maar als ik van íémand zeker weet dat ze een comeback verdient is het Mary Dorna.

Geestig-ironisch, met een flinke dosis verdriet, beschrijft ze de zeden en gewoontes van de benepen bourgeoisie, waarin ze zelf honderd jaar geleden opgroeide, als lastig en opstandig kind; een soort Joop ter Heul from hell, met een strenge vader, een zachte moeder en een, volgens betrokkenen ‘onmaatschappelijke voorkeur’.

In de leukste van Dorna’s sterk autobiografische verhalen is de ‘ik’ een jonge tiener, die voortdurend ongewenste betrekkingen aanknoopt met mensen buiten haar milieu. De zus van het dienstmeisje, bijvoorbeeld, Nelly, die een ‘meisje van pleizier’ is, met ‘zulke prachtige kleuren rose op de wangen, en zulke rode lippen. (…) In de kamer bevonden zich nog een groot bed, een neger en een papegaai. De neger heette Jim, en toen Nelly over liefde sprak gaf hij haar een zoen in de hals. Voor het eerst van mijn leven begreep ik dat zoenen prettig kan zijn. Ik had een paar dagen tevoren een vreselijke proef doorstaan met een jongen – het was juist de tijd dat er over zoenen en nog veel griezeliger dingen op school gesproken werd – en in mijn nieuwsgierigheid probeerde ik het in het smalle straatje dat voor dergelijke experimenten bij onze school in trek was. ‘Jasses, het is net nat spuug’ was de verpletterende ontdekking voor mezelf en ook voor de beteuterde jongen. Maar de neger had zulke prachtige witte tanden en Nelly zag er zo beeldig perzikachtig uit – ik begon iets van de liefde te begrijpen.’

Annie (waarom moet dat M. G. er eigenlijk altijd tussen?) Schmidt en Simon Carmiggelt waren zwaar schatplichtig aan Mary Dorna. En ik ook. Liefst zou ik hier haar complete oeuvre citeren om u te overtuigen, maar daar is geen ruimte voor. Haar werk is niet meer in druk, maar op joodsebibliotheek.nl is het gratis te lezen. Begin maar met de bundel Laten we vader eruit gooien en concludeer zelf: een ten onrechte vergeten meesterwerk.

(Een uitgebreide versie vindt u hier.)

 

Schrijver Jan Cremer: ‘Het Boekenbal stelt niets meer voor’

Jan Cremer (78) is schrijver en kunstenaar. Vorige week verscheen Canaille – het derde deel uit zijn autobiografische Odyssee-cyclus.

Verschenen op de website van HP/De Tijd. 22 maart 2019.

Zeg, waar gaat het boek eigenlijk over?

“Het gaat over de opkomst en ondergang van een beroemde primaballerina en de onmogelijke taak om voor het eerst van je leven een gezin te vormen. Het vormen van een gezin is mislukt: de moeder beschouwde haar zeven jaar met mij als een one-night-stand en de dochter die daaruit voortkwam ziet mij als haar spermadonor. Ik heb met beiden geen contact meer.”

Canaille maakt onderdeel uit van uw Odyssee-reeks. Hoeveel boeken zitten er op dit moment nog in uw hoofd?

“Ik ben dagelijks actief: schilderen in de zomer en schrijven in de winter. Op dit moment schrijf ik dus vooral. In mijn huis in Italië. Tien jaar geleden ben ik begonnen aan Sauvage, dat wordt het vierde deel uit de reeks. Sauvagegaat over mijn tijd in Frankrijk. Ik heb ook nog twee andere boeken in mijn hoofd zitten, maar daar wil ik nog niet teveel over vertellen. Ik hou er niet van om de huid te verkopen voor de beer is geschoten. Ik wil in ieder geval nog een boek schrijven over mijn visie op de kunstwereld en dan met name over het stalinisme in de kunst. Je leest t.z.t. wel wat ik daarmee bedoel. Ik wil ook een boek schrijven over mijn tijd als grensbewoner, over de zeven jaar dat ik in een Saksische boerderij op de Duitse grens schreef aan mijn epos De Hunnen.”

Waar schrijft u mee?

“Met potlood en pen maak ik notities, maar mijn minnaressen zijn mijn typemachines, mijn Triumph Gabrieles. Daar wordt alles op geschreven. Waar ter wereld ik ook was, of het nu Parijs, de Tropen of de Noordpool was, ik had er altijd een bij me.”

Wat verdient u met dit boek?

“Net genoeg om het hoofd boven water te houden. Kijk, als je rekent dat ik een vol jaar aan een boek werk, minimaal acht uur per dag, dan houd ik niets over. Ik krijg geen beurzen of stipendia. Wat ik met een boek verdien gaat meteen op aan achterstallige schulden. Toen ik op de kunstacademie zat in Arnhem woonde ik in een souterrain. Ik schreef op de muur: ‘Kunst is hongeren’. Dat is het nog steeds.”

U gaat vanavond voor het eerst sinds lange tijd weer naar het Boekenbal. Waarom bent u al die jaren niet gegaan?

“Het Boekenbal was vroeger een hot item in Amsterdam. Er gebeurde weinig in de stad dus het was het hoogtepunt van het jaar. Het Boekenbal had allure. De koningin kwam, de ministers kwamen, vrouwen kwamen in avondkledij en mannen in smoking. Nu sta je tussen mensen in bloemetjesjurken en zelfgebreide truien. Soms zie je een praalhans in een duur pak, maar meestal is het net of de gasten zijn gekleed door het rampenfonds. Het Boekenbal stelt niets meer voor. Heel anders is dat in Amerika. Ik ben ook al tientallen jaren lid van de American Authors League, de Amerikaanse schrijversvakbondEen keer per jaar geven ze aan gala. Iedereen is daar in avondjurk of smoking. Er lopen honderden kelners rond met champagne en kreeft. Er zijn lezingen van wereldberoemde mensen, er treden fantastische sterren op. Hier sta je met een hand vol knopen in de rij voor een lauw biertje. En als je een knoop tekort hebt dan moet je terug. Dat is Holland.”

Wie hoopt u tegen te komen?

“Ik hoop vanavond tegen te komen mijn gewaardeerde collega’s, waarvoor ik veel bewondering heb en die ook veel bewondering voor mij hebben, en waar ik graag een gesprek op niveau mee wil voeren.”

En wie niet?

“De mensen die ik niet tegen hoop te komen zijn allemaal al dood.”

Wie is uw favoriete Nederlandstalige schrijver?

“Daar vraag je me wat.” Er valt een lange stilte. “David van Reybrouck. Dat is mijn favoriete schrijver van dit moment. Congo is echt een meesterwerk. Wereldliteratuur. Ik bewonder zijn directheid, zijn scherpheid, de prachtige zinnen die hij schrijft. Belgen zijn beter met taal dan Hollanders. Hij neemt je mee in een wereld waar je niet in mee getrokken wilt worden, maar je bent veilig bij hem en je zit de rit wel helemaal uit.”

Zijn er schrijvers die u tot uw vrienden rekent?

“Dat is altijd een heikel punt, want als je iemand vergeet, heb je daar weer ruzie mee de komende tien jaar, begrijp je?”

Laat ik het anders stellen: kunt u drie schrijvers noemen die u tot uw vrienden rekent?

“Gerard Reve, Willem Frederik Hermans en de enige andere oorspronkelijke en overgebleven De Bezige Bij-auteur Remco Campert.”

Op het huis van welke schrijver zou u een precisiebombardement uit willen voeren?

“Laat ik daar nog even over nadenken, voordat ik in de voetsporen treed van Bomber Harris.”