Jan Cremer: ‘Het feminisme is aan mij voorbijgegaan’

Jan Cremer (79) is schrijver en schilder. Playboy spreekt hem naar aanleiding van zijn nieuwe boek Canaille over de verfilmingspogingen van zijn bestseller Ik Jan Cremer, zijn weerzin tegen fatsoensrakkers en zijn literaire aspiraties: ‘Ik schrijf begrijpbare porno voor het volk.’

Jan Cremer is bij leven een legende. Hij maakte zichzelf onsterfelijk met de onverbiddelijke bestseller Ik Jan Cremer uit 1964. Zijn reisavonturen vol drank, geweld en seks zorgden voor een schok in Nederland. De vrije jaren zestig waren na het verschijnen van dit boek pas echt begonnen. Na het succes van zijn debuut – er zouden wereldwijd zo’n twaalf miljoen exemplaren van zijn verkocht – vertrok Cremer naar Amerika. Hij nam zijn intrek in het vermaarde Chelsea Hotel in New York, waar hij vriendschap sloot met Bob Dylan en verloofd was met sekssymbool Jayne Mansfield. Tegenwoordig verdeelt hij zijn tijd over Parijs, Berlijn, Amsterdam en Umbrië. Playboy spreekt de nog immer schrijvende en schilderende kunstenaar in de galerie van zijn vrouw in Amsterdam.

Onlangs verscheen je nieuwe boek Canaille. Zit het publiek nog wel te wachten op nieuw werk van Jan Cremer?
“Dat denk ik wel, ja. Ik ben de meest gelezen schrijver van Nederland, al vanaf 1964 bestsellerauteur, en ik heb een hele schare lezers, nationaal en internationaal, die honger hebben naar mijn werk. Ik kan er nog steeds op rekenen dat ik in Holland ongeveer zestigduizend lezers heb die het nieuwe boek graag willen lezen. Dat is voor mijn doen weinig, vroeger had ik er zeshonderdduizend, maar voor tegenwoordig is dat veel.”

Kun je kort uitleggen waar het boek over gaat?
“Het gaat over de opkomst en ondergang van een beroemde primaballerina en de onmogelijke taak om voor het eerst van je leven een gezin te vormen. Ik trouwde in de jaren zestig met mijn grote liefde met wie ik een leven probeerde op te bouwen in New York. We kregen een dochter. Voor het eerst in mijn leven had ik een gezin. Ik had tot die tijd geen familie-ervaring. Ik was enig kind, mijn vader was al vroeg overleden, ik heb tot mijn veertiende altijd in tehuizen gezeten, ik was onopvoedbaar. In Amerika zag de toekomst er rooskleurig uit. Ik had alles wat ik wilde: een mooie vrouw, een lief kind, een prachtige ranch met paarden, honden, noem maar op. Dat ging natuurlijk mis. Onze relatie liep stuk. Op geld. Ik geef helemaal niets om geld, als ik geld heb dan geef ik het uit, maar dat was voor haar een probleem. Ze beschouwde haar zeven jaar met mij uiteindelijk als een one-night-stand en de dochter die daaruit voortkwam ziet mij als haar spermadonor. Ik heb met allebei geen contact meer.”

Ik kan me voorstellen dat dat lastig is.
“Je krijgt oorlog met je vrouw, die zet haar dochter tegen je op. Je dochter wordt je vijand, en vijanden, zo is mij geleerd, moet je op afstand houden. Dus dat is voorbij. Ik ben wat dat betreft een vrij harde figuur, misschien nog wel harder dan vroeger. Als iemand om wat voor reden dan ook mijn vertrouwen heeft geschaad, komt het nooit meer goed.”

Je hebt kisten vol met aantekeningen, waardoor je ook deze liefdesgeschiedenis tot in de kleinste details reconstrueert. Waarom heb je alles altijd bijgehouden?
“Ik heb mezelf op mijn veertiende de taak gesteld om mijn leven te beschrijven. Ik dacht: of mijn leven wordt helemaal niks, of ik schrijf gewoon op wat ik allemaal meemaak. Dat laatste heb ik dus gedaan. Ik beschrijf mijn leven als een soort vaart op zee, als een odyssee, als een zwerftocht, waarbij ik langs allerlei rotsen vaar. Als ik zo’n rots heb beschreven dan ben ik er voorbij, dan is het klaar, dan slaan de golven erover. Elk boek beschrijft zo’n rots. Ik heb er nog minimaal drie in mijn hoofd zitten.”

Hoe schrijf je precies?
“Op mijn Triumph Gabriele. Voltaire schreef al: schrijven is oorlog. Voor mij zijn de hamertjes van een schrijfmachine klauwen. Ik heb weleens een elektrische schrijfmachine geprobeerd, maar dat is veel te zacht. Computers zijn al helemaal niet aan mij besteed. Het moet kletteren. Ik schrijf zoals ik schilder: heel ruw. Met kwasten en troffels sla ik de verf op het doek, met mijn schrijfmachine hamer ik de letters in het papier. De inkt spat eromheen. Dat zie je met het blote oog niet, maar als je met een loep kijkt zie je dat geen enkele letter hetzelfde is.”

Krijg je genoeg erkenning voor je schrijverschap?
“In Amerika en Duitsland sta ik in allerlei encyclopedieën als zijnde een van de grote namen van de literatuur in Holland. Hier hebben de meeste collega-schrijvers nog nooit van mij gehoord. Het is misschien een beetje hetzelfde als met De Telegraaf: het is de grootste krant van het land, maar niemand heeft het ooit gelezen, begrijp je wel.”

Je hebt ook nooit een literaire prijs ontvangen.
“En dat moeten ze ook niet wagen. Dan berg je je maar, als je dat durft. Daar zijn ze nu te laat mee. Ik weet dat ik absoluut mijn best doe om goed te schrijven en mooi te schilderen. Ik sta nog steeds achter elk woord dat ik heb geschreven en elk schilderij dat ik heb geschilderd. En of nu een persoon mijn werk mooi vindt of een miljoen personen en of ze me daar nu een prijs voor geven  – het interesseert me in feite ook niet. Ik ben koninklijk onderscheiden, Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, en dat vind ik waardevol genoeg.”

Volg je de nieuwe lichting schrijvers?
“Nee. In Holland wordt de bestsellerlijst momenteel aangevoerd door literaire kwakzalvers. Daar ga ik mijn tijd niet aan besteden. Ik heb niets aan iemand die mooi kan schrijven, dat kan ik zelf ook wel, en dan nog beter ook. De schrijvers van tegenwoordig schrijven allemaal prachtige zinnen, maar ze hebben geen seconde in hun leven honger geleden, ze weten niet wat armoede is. Dan kun je ook niet goed schrijven. Ik moest altijd mijn eigen brood verdienen. Ik heb in de haven moeten werken, ik heb moeten varen, ik heb in een slachterij gewerkt. Dat is het doornige pad van de kunst. Ik schrijf alles op met hart en ziel, over wat ik heb meegemaakt en gevoeld, zo simpel is dat.”

Ik Jan Cremer is een iconisch boek. Wereldwijd zouden er twaalf miljoen exemplaren van zijn verkocht. Waarom is het eigenlijk nooit verfilmd?
“Ha, dat is een boek op zich, de talloze pogingen die zijn ondernomen om het boek te verfilmen, vaak niet door de minsten. Oliver Stone, nog steeds een vriend van me, wilde er zijn afstudeerfilm van maken. Dat was al in 1967. Francis Ford Coppola heb ik ook mee te maken gehad, maar die werd afgewezen, want die had een script ingeleverd dat helemaal niet liep. Een jaar later maakte hij The Godfather. Vorig jaar kregen we nog een verzoek van Johnny Depp. Die wil het ook gaan regisseren, maar daar hebben we nu al een tijd niets meer van gehoord. Ik moet je zeggen, ik heb altijd wel goed kunnen leven van de optierechten. Die worden dan voor een of twee jaar betaald en dan heb je toch een flink kapitaal in handen. En dan ben ik dus altijd blij als het weer niet doorgaat, want dan kunnen we de optie nog een keer opnieuw verkopen.”

Waar loopt het dan op stuk?
“Op het script. Het boek bestaat uit meerdere verhalen, speelt op verschillende locaties op de wereld, ik geloof wel twaalf. In woorden kun je makkelijk van Ibiza naar New York springen, maar in een film kan dat niet.”

In een serie wel.
“Nu we het erover hebben… We werden niet zo lang geleden benaderd door Netflix. Die willen er een serie van maken van twaalf afleveringen. Dat is natuurlijk wel een mogelijkheid, want dan hoef je niet telkens te springen tussen al die tijden en locaties, dan kun je dat per aflevering doen. Maar je weet hoe dat gaat: eerst is er enorm veel contact, dan hoor je een tijd niets meer en dan hoor je opeens weer wat. We zullen zien.”

Ik Jan Cremer werd van meet af aan omarmd door het volk. Eindelijk was er iemand die onverbloemd schreef waar het op stond. Je noemde jezelf ook ‘schrijver van het volk’. Zie je jezelf nog steeds zo?
“Ja. Letterlijk en figuurlijk. Ik schrijf begrijpbare porno voor het volk. Ik spreek ook als een van de weinige schrijvers de taal van het volk, omdat ik uit het volk voortkom. Ik leefde vanaf mijn vijfde jaar op straat en alles wat je daar leert… Er is geen betere universiteit dan de straat. De allerhoogste academische graad haal je op straat. Als je naar mijn vriendenkring kijkt, zijn dat ook nog steeds militairen, mariniers en politiemensen. Daar heb ik geen diepe gesprekken mee, maar ik voel me er wel bij thuis. Ik heb heel weinig kunstvrienden. Ik vind de kunstwereld een schijnheilige wereld, een hypocriete wereld. Een wereld van likken en buigen. Dat past niet bij mij.”

Zie je jezelf eigenlijk als een schrijvende schilder of een schilderende schrijver?
“Die vraagt wordt me altijd gesteld. Ik denk zo niet. Het is een doem als je geboren wordt als kunstenaar met meerdere talenten. Dat klinkt misschien dramatisch, maar het is zo. Want van kleins af aan heb je onrust in je, ik in elk geval. Elk kind is tot zijn vijfde een kunstenaar in de dop. Op school wordt dat eruit geslagen. Mensen die dat niet uit zich laten slaan, moeten een pad kiezen die enorme kronkels heeft en hobbelig is. Dat is een pad vol doornen. Er zijn er maar weinig die dat pad kunnen volhouden. Ik moet mijn hele leven al schrijven en schilderen. Ik hoop altijd dat ik op een dag geen zin meer heb om te schilderen of om te schrijven, maar ik krijg juist steeds meer zin om te schilderen en te schrijven. Mijn werk is mij heilig. Ik ben zeer gedisciplineerd, alhoewel mijn imago is dat ik dat niet ben. Ik kan nog steeds weleens flink doorzakken, de hort op gaan, dat hoort bij het leven, maar mijn werk is altijd nummer een geweest in mijn leven. Van jongs af aan. Eerst verf kopen, dan eten. Eerst schrijfpapier kopen, dan eten. Ik kan alleen niet tegelijk schilderen en schrijven. Daarom schilder ik in de zomer en schrijf ik in de winter. Voor de mensheid is het goed dat ik allebei doe, maar voor mijzelf niet. Het geeft heel veel onrust.”

Volgend jaar word je tachtig. Zie je daar tegenop?
“Waarom? Voor mij zijn het gewoon twee cijfers. Een acht en een nul. Ik heb altijd het idee, en dat klinkt misschien een beetje belachelijk langzamerhand, dat ik nog moet beginnen. Ik vind het ook heerlijk om dat gevoel te hebben. Als je dat gevoel niet meer hebt kun je beter meteen stoppen.”

Je denkt dus niet na over het onvermijdelijke einde?
Fel: “Nee man, ben je gek, helemaal geen sprake van. Natuurlijk niet. Ik ga door tot m’n honderdveertigste en daarna zien we wel verder. Leeftijd zegt mij niks. En tachtig… In mijn jeugd was ik altijd ondervoed. Veel kinderen waren ondervoed in die tijd. Ik was graatmager en oorlogswees en zat in een tehuis op de Veluwe. Daar mochten we altijd spelen voor het slapengaan. Op een gegeven moment kwamen er nieuwe pleegzusters. Ik was aan het stoeien met een jongen maar dat ging volgens een van die nieuwe zusters een beetje te ruw. Een andere zuster zei toen, en dat hoorde ik: ‘Laat hem maar, die haalt de zestien niet.’ Ik dacht: moet jij eens opletten, kreng, ik haal de zestien wel. En nu ben ik bijna tachtig. Nietzsche zei al: ‘Was mich nicht umbringt, macht mich stärker.’ Dat is mijn stelregel in het leven. Ik zie het leven als een eenmansguerilla. Je moet jezelf er doorheen tijgeren. Met het einde ben ik helemaal niet bezig, daar denk ik nooit aan. Ik heb daar ook helemaal geen tijd voor; ik moet aan het werk!”

Hij staat op en loopt naar de keuken. “Wil je ook een glas water? Of wil je liever een kop koffie?” Ik aarzel. “Of zullen we een biertje doen?” Dat klinkt beter. Hij komt terug met twee flesjes Pilsner Urquell.

Je bent een vrouwenkenner. Waar moet een goede vrouw volgens jou aan voldoen?
“Meestal zijn de vrouwen waar ik op val blond, hebben blauwe ogen, moeten tegen een stootje kunnen, goed in de keuken zijn en een goede kameraad zijn. Het belangrijkste is om een goede kameraad te hebben in je leven. Mijn Babette is mijn muze, mijn grote liefde. Ik ontkom er natuurlijk niet aan dat ik in mijn verleden andere grote liefdes ben tegengekomen, daar schrijf ik natuurlijk ook over, maar dat vindt ze niet erg. Je kunt je verleden niet uit de weg gaan.”

Zijn de vrouwen veranderd in vergelijking met vroeger?
“Nee.”

Niet? Ook niet door de feministische golven?
Spottend: “Die zijn aan mij voorbijgegaan. In mijn kring komen geen feministen voor. Een leuke vrouw is voor mij nog steeds gewoon een lekker wijf waar je een borrel mee kan drinken en waar je goed mee kan lachen en waar je de liefde mee kan bedrijven” Lachend: “Waar zijn ze anders voor zou ik haast zeggen.”

Is dat niet heel seksistisch? Je schrijft in een van je boeken bijvoorbeeld ook: ‘Een goede vrouw is onderworpen aan haar man, haar Heer en Meester’.
“Dat schrijf ik ook een beetje om te stangen, natuurlijk. Ik schreef ook dat een goede vrouw ’s ochtends als eerste opstaat en zingend in de keuken een lekker ontbijt klaarmaakt dat ze manlief op bed komt brengen met de krant opengevouwen op de sportpagina en ’s avonds in een korte rok en op hoge hakken de dampende piepers serveert. Dat vind ik nog steeds een mooi beeld. Dat is humor.”

Onlangs was er een nieuwe toneelbewerking van Turks fruit van Jan Wolkers. De makers vonden het boek achterhaald en hebben er een vrouwvriendelijker versie van gemaakt. Hoe kijk jij daarnaar?
“Dat kan toch helemaal niet? Ik doe niet mee aan die hysterie. Ik schrijf wat ik schrijven wil. Ik vind dat ik in de maat blijf, maar ik schrijf wel waar het op staat. Een lekker wijf is een lekker wijf. Ik schrijf gewoon wat het is en dat blijf ik doen. Turks fruit vond ik bij verschijning trouwens al achterhaald. Alles wat erin staat, staat al in Ik Jan Cremer.”

Herken je in deze tijd iets van de preutsheid van de jaren zestig?
“Er was helemaal geen preutsheid in de jaren zestig. Ik emigreerde in 1964 naar Amerika. Hier kwamen in die tijd de eerste pornoblaadjes op de markt en werd de vrije seks gepropageerd, maar daar was het moeilijk om een meid te vinden die niet meteen haar benen spreidde. Ik beschrijf in Ik Jan Cremer 3 hoe wild het daar toen was, vooral op seksgebied. Van hoog tot laag – iedereen was ermee bezig. Er waren meiden uit de beste families die in die tijd in pornofilms optraden. In de jaren zeventig is dat weer teruggedrongen. Mensen van die generatie gingen zichzelf profileren in de zakenwereld en wilden niet meer herinnerd worden aan hun verleden. Die nieuwe preutsheid zal tijdelijk zijn. Die hele #MeToo-beweging is te gek voor woorden. Kijk, uitwassen moet je bestrijden, met harde hand, voor de rest moet je niet te kleinzerig doen. Je moet schrijvers ook geen taboes opleggen, want dan maak je juist de taboedoorbrekers wakker. Als ik iets niet mag dan ga ik het juist doen. Dat zit in onze volksaard. Holland is ontstaan uit anarchisten. In 9 n. Chr. had je de Slag bij het Teutoburgerwoud. De mensen die we nu deserteurs noemen, degenen op vaandelvlucht, vluchtten westwaarts de moerassen in. Holland bestaat uit hels land. Daar komt de naam ook vandaan. De Germanen zeiden: laat die deserteurs maar creperen, die verdrinken toch wel in het moeras. Dat zijn de Hollanders. Wij zijn dus eigenlijk een volk van deserteurs. Die anarchie lijkt nu helemaal verdoofd.”

Je zei net dat je het verleden niet uit de weg kunt gaan. Betekent dat ook dat we het verleden van ons eigen land niet mogen verloochenen? Ik denk bijvoorbeeld aan de mensen die de naam van Jan Pieterszoon Coen uit het straatbeeld willen laten verdwijnen.
“Dat vind ik ook te gek voor woorden. Coen heeft ons land helpen opbouwen, of hij dat nu op een goede manier heeft gedaan of niet. Je kunt de historie niet gaan herschrijven of fatsoeneren. Dat kan gewoon niet. We moeten oppassen voor de fatsoensrakkers, voor de extremisten van het fatsoen. Je kunt daar eigenlijk maar een ding tegen doen: negeren. Als je ze geen aandacht geeft dan sterven ze uit. Maar kranten denken: goed nieuws is geen nieuws, dus de kranten teren erop. Als de kranten het zouden stilzwijgen dan bestaat die sfeer niet meer. Ik doe er in ieder geval niet aan mee. Wat ik al zei: een lekker wijf is bij mij nog steeds een lekker wijf. En als ze mooie tieten heeft dan schrijf ik dat ze mooie tieten heeft. De op fatsoen gedresseerde apen die dat niet willen lezen die doen hun ogen maar dicht.”

Je woonde twaalf jaar in het vermaarde Chelsea Hotel in New York. In Ik Jan Cremer 3 schrijf je daar uitgebreid over, onder meer over je vriendschap met Bob Dylan. Hoe is die ontstaan?
“Die leerde ik kennen via mijn boek. In New York heb je weinig boekhandels. Je hebt niet van die kleine winkeltjes zoals hier, er zijn maar een paar grote boekhandels, zoals die op Times Square. Daar stond mijn boek prominent in de etalage. Ik ging daar weleens naar binnen, ik woonde daar vlakbij, en leerde de jongen die die boeken verkocht kennen. Hij zei: ‘Weet je wie hier net de deur uit gaat? Tennessee Williams, met een doos boeken van je.’ Ik kende hem vaag als de schrijver van Cat on a Hot Tin Roof, dus dat klonk wel goed. Een paar dagen later kwam ik er weer. ‘Weet je wie hier net wegloopt met je boek?’, zei hij. ‘Bob Dylan. Dat is een folkzanger die heel beroemd aan het worden is. Hij heeft twee dozen van I Jan Cremer besteld.’ Een paar dagen later komt de manager van het hotel naar me toe en zei dat hij me aan iemand voor wilde stellen. Dat was Bob Dylan. We zijn bevriend geraakt, dat heeft ongeveer een jaar geduurd, toen was het over. De muziekwereld is mijn wereld niet. Ik ben met hem meegevlogen naar concerten, maar hij wilde teveel grip op mij krijgen, hij wilde dat ik overal mee naar toe ging. Maar ik moest schrijven en schilderen, natuurlijk. Ik had geen tijd om overal mee naar toe te gaan.”

Je zet hem neer als iemand die andere mensen misbruikt om de top te bereiken.
“Ik vond hem een rücksichtslose streber. Hij is een hele goede zanger en musicus, maar als persoon is het een rotzak. Ik ben eens met hem mee geweest naar een concert in Philadelphia waar zijn ouders ook waren. Hij begroette ze niet eens. Wat hij schreef kwam letterlijk uit de kranten en uit zijn rijmwoordenboek. Prima, maar dat hij daarvoor de Nobelprijs voor de Literatuur heeft ontvangen, is natuurlijk te gek voor woorden.”

Je schrijft ook dat je hebt meegewerkt aan een van zijn beroemdste liedjes, Visions of Joanna. Hoe zit dat precies?
“Ik heb die naam bedacht: Joanna. Dylan zocht een naam die Europees klonk en dat werd dus deze naam. Sad lady of the Low Lands gaat over mijn toenmalige vriendin Nico, de zangeres van The Velvet Underground. Later zijn daar andere dingen over geschreven, dat het over andere vrouwen gaat, maar het gaat over Nico. Zij schreef op haar beurt weer I’ll be your mirror van The Velvet Underground. Ik zat destijds in Californië voor filmrechten en zij zat in mijn atelier in het Chelsea Hotel en als we elkaar dan belden dan zei ze: ‘Don’t worry, I’ll be your mirror.’ Ik heb gezien dat ze dat nummer schreef. Dat wordt nu toegeschreven aan Lou Reed, maar dat is onterecht, dat heeft natuurlijk allemaal met rechten te maken.”

Het hoogtepunt van Ik Jan Cremer 3 is je vier maanden durende reis door Zuid-Amerika met je toenmalige verloofde Jayne Mansfield. Hoe ging dat?
“We leerden elkaar kennen door een publiciteitsfoto. Ik had Ik Jan Cremer aan haar opgedragen, dus toen er een Amerikaanse editie verscheen, gingen we samen op de foto. Ze hield me meteen vast en kon me niet meer vergeten. Daarom vroeg ze me mee op die publiciteitsreis door Zuid-Amerika. Lees het allemaal maar na. Ik kwam van het gekkenhuis New York in het krankzinnigengesticht Zuid-Amerika, begrijp je wel. Alles is gebaseerd op mijn aantekeningen uit die tijd. Alles klopt wat er staat.”

Toch klinken de verhalen je vertelt bijna te mooi om waar te zijn. Ze zeggen weleens dat je een fantast bent. Trek je je dat aan?
“Daar moet ik hartelijk om lachen. Ik heb altijd medelijden met hen die zo vol domheid zijn. Diezelfde mensen zeggen ook dat ik een fascist ben. Het is heel simpel: ik hoef niets te bewijzen, de historie zal het uitmaken. Alles wat ik schrijf is te verifiëren. Zoek het maar na.”

Onlangs verscheen je nieuwe boek Canaille. Zit het publiek nog wel te wachten op nieuw werk van Jan Cremer?
“Dat denk ik wel, ja. Ik ben de meest gelezen schrijver van Nederland, al vanaf 1964 bestsellerauteur, en ik heb een hele schare lezers, nationaal en internationaal, die honger hebben naar mijn werk. Ik kan er nog steeds op rekenen dat ik in Holland ongeveer 60.000 lezers heb die het nieuwe boek graag willen lezen. Dat is voor mijn doen weinig, vroeger had ik er 600.000, maar voor tegenwoordig is dat veel.”

Kun je kort uitleggen waar het boek over gaat?
“Het gaat over de opkomst en ondergang van een beroemde primaballerina en de onmogelijke taak om voor het eerst van je leven een gezin te vormen. Ik trouwde in de jaren zestig met mijn grote liefde, met wie ik een leven probeerde op te bouwen in New York. We kregen een dochter. Voor het eerst in mijn leven had ik een gezin. Tot die tijd had ik geen familie-ervaring. Ik was enig kind, mijn vader was al vroeg overleden, ik heb tot mijn veertiende altijd in tehuizen gezeten, ik was onopvoedbaar. In Amerika zag de toekomst er rooskleurig uit. Ik had alles wat ik wilde: een mooie vrouw, een lief kind, een prachtige ranch met paarden, honden, noem maar op. Dat ging natuurlijk mis. Onze relatie liep stuk. Op geld. Ik geef helemaal niets om geld, als ik geld heb dan geef ik het uit. Dat was voor haar een probleem. Ze beschouwde haar zeven jaar met mij uiteindelijk als een onenightstand en de dochter die daaruit voortkwam ziet mij als haar moeders spermadonor. Ik heb met allebei geen contact meer.”

Ik kan me voorstellen dat dat lastig is.
“Je krijgt oorlog met je vrouw, die zet haar dochter tegen je op. Je dochter wordt je vijand, en vijanden, zo is mij geleerd, moet je op afstand houden. Dus dat is voorbij. Ik ben wat dat betreft een vrij harde figuur, misschien nog wel harder dan vroeger. Als iemand om wat voor reden dan ook mijn vertrouwen heeft geschaad, komt het nooit meer goed.”

***

Krijg je genoeg erkenning voor je schrijverschap?
“In Amerika en Duitsland sta ik in allerlei encyclopedieën als zijnde een van de grote namen van de literatuur in Holland. Hier hebben de meeste collega-schrijvers nog nooit van mij gehoord. Het is misschien een beetje hetzelfde als met De Telegraaf: het is de grootste krant van het land, maar niemand heeft het ooit gelezen, begrijp je wel.”

Je hebt ook nooit een literaire prijs ontvangen.
“En dat moeten ze ook niet wagen. Dan berg je je maar, als je dat durft. Daar zijn ze nu te laat mee. Ik weet dat ik absoluut mijn best doe om goed te schrijven en mooi te schilderen. Ik sta nog steeds achter elk woord dat ik heb geschreven en elk schilderij dat ik heb geschilderd. Of nu één persoon mijn werk mooi vindt of een miljoen personen en of ze me daar nu een prijs voor geven – het interesseert me in feite ook niet. Ik ben koninklijk onderscheiden, Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Dat vind ik waardevol genoeg.”

Volg je de nieuwe lichting schrijvers?
“Nee. In Holland wordt de bestsellerlijst momenteel aangevoerd door literaire kwakzalvers. Daar ga ik mijn tijd niet aan besteden. Ik heb niets aan iemand die mooi kan schrijven, dat kan ik zelf ook wel, en dan nog beter ook. De schrijvers van tegenwoordig schrijven allemaal prachtige zinnen, maar ze hebben geen seconde in hun leven honger geleden, ze weten niet wat armoede is. Dan kun je ook niet goed schrijven. Ik moest altijd mijn eigen brood verdienen. Ik heb in de haven moeten werken, ik heb moeten varen, ik heb in een slachterij gewerkt. Dat is het doornige pad van de kunst. Ik schrijf alles op met hart en ziel, over wat ik heb meegemaakt en gevoeld. Zo simpel is dat.”

***

Je bent een vrouwenkenner. Waar moet een goede vrouw volgens jou aan voldoen?
Meestal zijn de vrouwen op wie ik val blond en hebben blauwe ogen. Ze moeten tegen een stootje kunnen, goed in de keuken zijn en een goede kameraad zijn. Het belangrijkste is om een goede kameraad te hebben in je leven. Mijn Babette is mijn muze, mijn grote liefde. Ik ontkom er natuurlijk niet aan dat ik in mijn verleden andere grote liefdes ben tegengekomen, daar schrijf ik natuurlijk ook over, maar dat vindt ze niet erg. Je kunt je verleden niet uit de weg gaan.”

Zijn de vrouwen veranderd in vergelijking met vroeger?
“Nee.”

Niet? Ook niet door de feministische golven?
Spottend: ‘Die zijn aan mij voorbijgegaan. In mijn kring komen geen feministen voor. Een leuke vrouw is voor mij nog steeds gewoon een lekker wijf met wie je een borrel kan drinken en met wie je goed kan lachen en de liefde mee kan bedrijven’ Lachend: ‘Waar zijn ze anders voor, zou ik haast zeggen.’

Is dat niet heel seksistisch? Je schrijft in een van je boeken bijvoorbeeld ook: ‘Een goede vrouw is onderworpen aan haar man, haar Heer en Meester’.
“Dat schrijf ik ook een beetje om te stangen, natuurlijk. Ik schreef ook dat een goede vrouw ’s ochtends als eerste opstaat en zingend in de keuken een lekker ontbijt klaarmaakt dat ze manlief op bed komt brengen met de krant opengevouwen op de sportpagina en ’s avonds in een korte rok en op hoge hakken de dampende piepers serveert. Dat vind ik nog steeds een mooi beeld. Dat is humor.”

Onlangs was er een nieuwe toneelbewerking van Turks fruit van Jan Wolkers. De makers vonden het boek achterhaald en hebben er een vrouwvriendelijker versie van gemaakt. Hoe kijk jij daarnaar?
“Dat kan toch helemaal niet? Ik doe niet mee aan die hysterie. Ik schrijf wat ik schrijven wil. Ik vind dat ik in de maat blijf, maar ik schrijf wel waar het op staat. Een lekker wijf is een lekker wijf. Ik schrijf gewoon wat het is en dat blijf ik doen. Turks fruit vond ik bij verschijning trouwens al achterhaald. Alles wat erin staat, staat al in Ik Jan Cremer.”

 

 

De smaak van… Ruud de Wild

Verschenen in Playboy 06 2019.

Ruud de Wild (50) presenteert elke werkdag tussen 16:00 uur tot 18:00 uur De Wild In De Middag op NPO Radio 2.

Sushi of stamppot?
Stamppot, omdat sushi inmiddels minder uniek is dan een ouderwetse stamppot. Ik vind het tegenwoordig trouwens heel moeilijk om aan goede en betrouwbare sushi te komen. Bij de meeste sushitenten is het echt te goor voor woorden. Als je weet wat je vreet dan stop je er gelijk mee.

Rembrandt of Vermeer?
Dan toch de grote meester, Rembrandt. Dat is de grootste held aller tijden op schildergebied. Ik bewonder hem onder meer om zijn schetsen en om zijn spannende manier van leven.

Geert Wilders of Thierry Baudet?
Ze staan allebei ver van me af, maar dan toch Geert Wilders, want die zegt tenminste nog dingen waar we om kunnen lachen. Thierry is een aardige gozer, ik kom hem vaak tegen en dan hugged hij me zelfs, maar ik vraag me soms echt af: gebruik je al die taaluitingen om indruk te maken op je vriendjes of probeer je mij een boodschap over te brengen?

Wat is het mooiste horloge ter wereld?
Een Rolex, gewoon de simpele variant. Geen diamanten, geen marktkoopmannengedrag aan mijn pols.

Wat is de mooiste auto ter wereld?
De auto waar ik in rijd, de Dodge Challenger. Er zijn heel veel meisjes die hem fotograferen. Als ik dat had geweten dan had ik hem vijf jaar eerder genomen. Hij schijnt voor te komen in Grand Theft Auto.

Wat is de beste plaat ooit gemaakt?
Africa van toto.

Bob Dylan of Mick Jagger?
Weet je wat jammer is van Bob Dylan? Al zijn goede platen zijn gezongen door iemand anders. Zelfs Duran Duran maakt van Lady, lady, lady een betere versie dan het origineel. Hij kan nu al helemaal niet meer zingen. Van Morrisson, daar wil je ook niet meer naar toe. Of Cat Stevens. Dat soort mensen moeten niet meer opgegraven worden. Laat ze gewoon lekker in het mortuarium.

Wat is het beste concert dat je ooit hebt gezien?
Ja, ik ben een paar keer mee geweest met U2, dus die keuze is niet zo moeilijk.

Wie is het grootste muziektalent van Nederlandse bodem?
Di-rect. De allerbeste nederlandse band ever. Alles klopt. De bezetting, de oprechtheid, eigenlijk alles wat een band moet hebben klopt bij ze. Het is pure rock-‘n’- roll, het zijn geen aanstellers, het zijn oprecht muzikanten. Marcel is natuurlijk een beetje een gekkie, maar alles wat hij doet, doet hij uit zijn hart. Niets is gestyled, dat vind ik zo cool.

Coen of Sander?
Ik denk dan misschien toch Coen, omdat… Nee, misschien ook wel Sander. Ik weet het niet. Ik ken ze allebei te weinig om daar een antwoord op te geven.

Nooit meer radiomaken of nooit meer schilderen?
In beide gevallen: nooit meer leven.

Wat vind je aantrekkelijk aan Olcay?
Alles, maar vooral haar oprechtheid en eerlijkheid. Zij is de eerlijkste vrouw die ik ben tegengekomen in mijn leven.

Wat is de meest irritante eigenschap van Olcay?
Die heeft ze niet.

Welk drankje drink je het liefst?
Gin-tonic.

’s Nachts kun je me wakker maken voor…
Gin-tonic.

Ik ga nooit van huis zonder…
Een flesje water.

Met welke overleden persoon zou je nog weleens een borrel willen drinken?
Met mijn moeder. Ze ging dood toen ik haar net de fax uit kon leggen, dus ik zou haar nog weleens een iPhone willen laten zien. Ik denk dat ze helemaal gek zou worden.

Welke collega mag wat jou betreft direct uit de ether verdwijnen?
Dat is niet aan mij. Er zit een knop op de radio.

Dit staat nog op mijn bucketlist:
Een wereldreis. Of die al op de planning staat? Daar laat ik me niet over uit.

Schrijversschrijvers

Van welke boeken kan een jonge schrijver iets opsteken? Nick Muller, derdejaars student Nederlandse Taal en Cultuur en redacteur bij HP/De Tijd, vroeg het vijf jaar geleden aan twintig literatoren. Onder meer Cees Nooteboom, Hanna Bervoets en Joost Zwagerman gaven advies. “Madame Bovary is een must read voor iedereen die ernst maakt met het schrijverschap.”

Verschenen in Absint, mei 2019.

Veel meer dan een knapzak met proviand en een viool had hij niet bij zich toen hij vertrok. Arnold Samuelson (1912 – 1981) had net zijn studie journalistiek afgerond aan de Universiteit van Minnesota, toen hij in het voorjaar van 1934 in de Cosmopolitan het inmiddels klassieke verhaal One Trip Across van Ernest Hemingway las. Hij werd er zo door gegrepen dat hij stante pede besloot om van zijn woonplaats Minneapolis naar het bijna tweeduizend kilometer verderop gelegen Key West te liften, de stad waar de toen al wereldberoemde schrijver resideerde. “It seemed a damn fool thing to do”, memoreert hij later in zijn boek With Hemingway: A Year in Key West and Cuba, “but a twenty-two-year-old tramp during the Great Depression didn’t have to have much reason for what he did.”

Samuelson zat een beetje vast. Hij had zijn studie afgerond, maar omdat hij weigerde om vijf dollar te betalen voor een diploma was hij niet officieel afgestudeerd. Voor de plaatselijke krant schreef hij af en toe een journalistiek stuk – al deed hij dat met lichte tegenzin. Hij wist zeker dat hij in de wieg was gelegd om grote meesterwerken te schrijven. Hij wilde niets liever dan schrijver worden, alleen het schrijven zelf lukte nog niet zo goed: hij wist niet hoe hij een verhaal op moest bouwen of hoe hij zijn personages leven in kon blazen. In een vlaag van jeugdige overmoed zag hij in de schrijver van het dan pas verschenen A Farewell to Arms zijn ideale leermeester en vertrok. Na een barre tocht – het laatste deel van de reis legde hij met gevaar voor eigen leven af op het dak van een goederentrein – kwam hij aan in Key West. De stad lag door de crisis op zijn gat. Veel sigarenfabrieken waren gesloten en veel vissers bleven aan land. Alleen de schrijvers bleven schrijven. Hemingway was aan het werk toen er iemand op de deur klopte. Hij deed open en vroeg geagiteerd: “What do you want?” Samuelson viel even stil. Hij had niet verwacht dat de schrijver zelf open zou doen. Hij nam een hap lucht, stelde zich beleefd aan hem voor en vertelde zijn verhaal: hoe hij werd getroffen door One Trip Across, dat hij zelf schrijver wilde worden en dat hij tweeduizend kilometer heeft gelift om de door hem bewonderde schrijver om advies te vragen. “Why the hell didn’t you say you just wanted to chew the fat?”, antwoordde een opgeklaarde Hemingway. “I thought you wanted to visit.”
De volgende middag was hij welkom voor advies. Hemingway zat op zijn veranda. Hij droeg een kakikleurige broek en een paar afgetrapte pantoffels en had The New York Times en een glas vuurwater binnen handbereik. Het gesprek werd al snel een college van meester tot leerling, herinnert Samuelson zich in zijn boek: “’The most important thing I’ve learned about writing is never write too much at a time’, Hemingway said, tapping my arm with his finger. ‘Never pump yourself dry. Leave a little for the next day. [-] The next morning, when you’ve had a good sleep and you’re feeling fresh, rewrite what you wrote the day before. When you come to the interesting place and you know what is going to happen next, go on from there and stop at another high point of interest. That way, when you get through, your stuff is full of interesting places and when you write a novel you never get stuck and you make it interesting as you go along’.” Ook adviseerde hij hem om veel klassiekers te lezen, omdat je zeker weet dat die de tand des tijds hebben doorstaan. Bij hedendaagse schrijvers is dat nog maar de vraag. Aan het eind van de middag – waar overigens de kiem werd gelegd voor een innige vriendschap – schreef de meester een leeslijst waar zijn gulzige leerling zijn voordeel mee kon doen. Op die lijst staan onder meer Oorlog en Vrede van Leo Tolstoj, Madame Bovary van Gustave Flaubert en Dubliners van James Joyce.

We maken een sprong in de tijd. Het is exact tachtig jaar later. Key West ligt door een economische crisis opnieuw op zijn gat – de geschiedenis blijft zich altijd herhalen. Een tweeëntwintigjarige, pas afgestudeerde journalist met schrijfambities leest het verhaal over de ontmoeting tussen Arnold Samuelson en Ernest Hemingway. Hij wil ook beter leren schrijven en bedenkt daarom een list. Voor het blad waarvoor hij werkt maakt hij een rubriek waarin hij twintig door hem bewonderde schrijvers om advies vraagt. Met welke boeken kan een jonge schrijver zijn voordeel doen? Het is als een literaire interviewserie verpakt, maar stiekem is hij zelf gewoon op zoek naar een duwtje in de goede richting. Tot zijn grote vreugde werkt iedereen mee. Verderop staat een selectie van de boeken die zijn genoemd; wie even googelt op ‘WritLit’ vindt alle adviezen en leeslijsten die destijds zijn gepasseerd.
Drie adviezen zijn hem bijgebleven. Jan Cremer zegt dat je als schrijver allereerst een rotsvast vertrouwen in jezelf moet hebben. “Ik vind dat elke schrijver de dwingende ambitie moet hebben om ‘de beste schrijver ter wereld’ te worden, anders moet je meteen de pen neerleggen, de schrijfmachine in de hoek gooien, de computer bij het grofvuil zetten en het schrijfgerei nooit meer aanraken. Geen valse bescheidenheid, weg met dat calvinistische vitriool. Geloof in jezelf, denk écht dat je de Nobelprijs waardig bent, en zet de champagne klaar ten tijde van de uitreiking (zoals een enkele schrijver doet.)”
Hanna Bervoets schrijft dat je alleen moet lezen wat je zelf goed vindt. “Laat je leeslijst alsjeblieft niet bederven door de opgelegde smaak van anderen. Lijstjes als deze moet je altijd wantrouwen: ze dienen niet zelden om de auteur van een belezen, kritisch danwel intelligent imago te voorzien. In mijn lijst staan tien boeken die ik mooi vond. Ga gerust verder in The Hunger Games als je ze niets vindt.”
Cees Nooteboom geeft ten slotte misschien wel het beste advies: volg je instinct. “Algemene, niet gevraagde raad aan de jonge schrijver: ga op reis. Neem een goedkoop vliegtuig naar een armzalige hoofdstad, ga naar het busstation en begin maar ergens. Ooit vroeg ik in een vlaag van jaloezie aan Rüdiger Safranski, die mij steeds verbijstert door zijn enorme belezenheid: ‘Wanneer heb je dat allemaal gelezen?’ Zijn antwoord: ‘Toen jij met al je reizen in het boek van de wereld gelezen hebt.’ Lees trouwens zijn biografieën van Nietzsche en Schopenhauer, daar kun je heel wat eigentijdse glorieboeken voor laten liggen. Tweede ongevraagde raad: lees poëzie. Poëzie waagt zich verder in het domein van de taal dan het meeste proza, daar kun je je voordeel mee doen. Ik las in de lijst van Joost Zwagerman: stijl is alles. Ik las ergens bij mezelf: ‘Stijl is het eerste dat bederft.’ Ook ik vind dat stijl belangrijk is. Maar stijl is niet alles. Schrijven is organisatie. En er is ook zoiets als ervaring van de wereld. Niet iedereen heeft daar evenveel van nodig. Volg je instinct.”

Die tweeëntwintigjarige, pas afgestudeerde journalist was ik. Na het maken van deze rubriek was er niets meer over van mijn schrijfambities. Ik vind mezelf niet de beste schrijver van de wereld en heb niet het idee dat ik de wereld kan veranderen met een nog te schrijven roman. Ik heb inmiddels redelijk wat gelezen, ook van de boeken die werden genoemd, en die leeservaringen sterken mijn idee. Bij elk boek dat ik dichtsla, denk ik: je moet wel erg hoogmoedig zijn om te denken dat je dit kunt overtreffen. Ik ben dus geen schrijver. Ook dat is een waardevolle les.
Arnold Samuelson bleek trouwens ook niet het literaire genie dat hij hoopte te zijn. Op internet is er nauwelijks iets over hem te vinden. Het enige wat rest zijn een handvol artikelen over zijn avontuurlijke trip naar Key West.
De meeste schrijvers zijn lezers, maar de meeste lezers zijn geen schrijvers. Het is een harde waarheid voor zachte jongenszielen zoals die van ons. Ik geloof ook niet dat je schrijver kunt worden; een schrijver ben je of je bent het niet. Als je een schrijver wilt worden dan ben je het blijkbaar niet. Hemingway wist altijd al dat hij een groot schrijver was. Daar helpt – om maar eens een andere grote schrijver te citeren – geen moedertjelief aan. /

Kaderteksten

Kees de Jongen (1923)
Theo Thijssen (1879 – 1943)

Remco Campert: “Een ontroerend boek over de dromen en de werkelijkheid van een Amsterdamse jongen. Helder en in ‘gewone’ taal geschreven, wars van de toenmalige literaire conventies. Dit boek kon wat mij betreft ook gisteren geschreven zijn.”

Madame Bovary (1856)
Gustave Flaubert (1821 – 1880)

Joost Zwagerman: “Een must read voor iedereen die ernst maakt met het schrijverschap. Van Flaubert leer je zorgvuldig en effectief formuleren; iedere zin uit dit boek staat er fier gebeeldhouwd bij. En wat is Emma Bovary nu eigenlijk voor een vrouw? Een smachtende romantische en zinnelijke vrouw of een eeuwig ontevreden zeurwijf uit de kleinburgerij? Allebei misschien – dat is het raadselachtige.”

Le premier homme (1960)
Albert Camus (1913 – 1960)

Nelleke Noordervliet: “Het eerdere werk van Camus opende in mijn tere jongemeisjesjaren een wereld van onafhankelijk denken en goed schrijven. De mens in opstand verwoordde begin jaren zestig voor mij precies mijn levensgevoel: het leven heeft geen zin of betekenis, maar laten we er iets rechtvaardigs van proberen te maken. [-] Le premier homme [-] is het verhaal van een jongen uit een achterbuurt van Algiers, die het tot winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur schopt. From rags to riches. Het is een met veel liefde geschreven portret van een familie en een gemeenschap die door de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd in een precaire positie terechtkwam.”

Villa des Roses (1913)
Willem Elsschot (1882 – 1960)

A.L. Snijders: “Terwijl ik Villa des Roses herlees, legt een beoefenaar van de vergelijkende literatuurwetenschap me uit dat je een Engelse roman van honderd jaar geleden zonder problemen kunt lezen, spelling en stijl zijn niet veranderd. Vergelijk dat eens met onze literatuur uit die tijd, hopeloos verouderd. Ik kijk naar Villa des Roses, in Rotterdam geschreven in 1909, de taal is nieuw gebleven, het boek is gisteren geschreven.”

Bezoek van een knokploeg (2010)
Jennifer Egan (1962)

Hanna Bervoets: Veelgeprezen én gehypte verhalenbundel over de Amerikaanse muziekscene, vooral fantastisch vanwege de stijl. Ieder hoofdstuk wordt verteld vanuit een ander perspectief, en volgens sommige recensenten slaat Egan steeds een compleet andere toon aan. Maar eigenlijk is dat niet zo. Je blijft Egan – als auteur – door de zogenaamd zo verschillende stijlen heen lezen; zoals je iemand nog steeds herkent wanneer hij zijn gezicht heeft geschminkt. Gelukkig maar, Egan schrijft intelligent maar met compassie voor haar hoofdpersonages, schakelt moeiteloos van slapstick naar sentiment.

Tegen de keer
(1884)
J.-K. Huysmans (1848 – 1907)

Jan Siebelink: “Ik las het voor het eerst als twintigjarige en mijn leven veranderde. Zo’n boek had ik niet eerder gelezen. Het voerde mij een wereld binnen die ik niet kende, die van het kwaad, de decadentie, het symbolisme. In deze roman wordt het kwaad geprezen, de mens tot op de bodem gepeild, worden de grenzen van de kennis verlegd, en dat alles in een werkelijk verblindende stijl die in Nederland min of meer aan Couperus doet denken.”

The Catcher in the Rye (1951)
J.D. Salinger (1919 – 2010)

Herman Brusselmans: “Salinger kan met een grote eenvoud de belangrijke thema’s des levens verwoorden, maar het is een bedrieglijke eenvoud: bijna niet na te doen. The Catcher In The Rye is het ultieme puberboek, maar overstijgt dat genre: eenieder kan er een les uit trekken. Deze les is dezelfde als die bij Reve: het leven is niks, maar we moeten erdoorheen.”

Rudi Fuchs: ‘Wat je niet kunt zeggen, kun je ook niet zien’

Kunsthistoricus en oud-museumdirecteur Rudi Fuchs (77) stelde de tentoonstelling Licht in kleur – Edgar Fernhout samen voor Museum Kranenburgh in Bergen (NH). Wat leest, luistert en ziet hij in zijn vrije tijd?

Interview in het juninummer van HP/De Tijd. (2019)

BOEKEN
“Ik lees heel veel door elkaar heen, maar het zijn meestal gedichten die ik lees. Daar krijg ik geen genoeg van. Gedichten hebben mij altijd geholpen om naar kunst te kijken. Mijn leermeester, hoogleraar Henri van de Waal, heeft mij geleerd: wat je niet kunt zeggen, kun je ook niet zien. Hij bedoelde daarmee dat je de taal los moet maken in je hoofd om onder woorden te kunnen brengen wat je ziet. En dat losmaken – dat heb ik van begin af aan zo gevoeld – doe je door gedichten te lezen. In allerlei talen. Zelfs ook talen die je niet begrijpt. Daardoor leer je klanken kennen. Je komt er ook achter dat een woord naast elk ander woord kan staan. Je kunt zeggen dat iets ‘strak rood’ is, ‘broeiend rood’ of ‘kokend rood’ – ik noem maar wat. Het kan alles zijn. Dat geldt ook voor kunstwerken. Elk kunstwerk kan naast elk ander kunstwerk hangen. Zie je trouwens dat schilderij dat daar hangt? Dat is van Arnulf Rainer. Ik kijk daarnaar zoals ik ook naar een zin kijk als ik aan het schrijven ben. Je kunt schrijven: ‘Het is warm vandaag’, ‘Vandaag is het warm’ of ‘Het is vandaag warm’. Zo kun je ook naar dit schilderij kijken. Dat zwart, valt dat nu of zweeft het? Of allebei tegelijkertijd? Of misschien is het wel zo dat het bruin valt en het zwart blijft hangen. Ik schrijf om te kijken en ik kijk om te schrijven.”

THEATER
“Ik zei net dat poëzie de woorden losmaakt die je kunt gebruiken om kunst te beschrijven, maar theater maakt de ruimte los die je kunt gebruiken om kunst te presenteren. Een gemiddelde museumzaal is strontsaai. Het is altijd wit. Ik ben als museumdirecteur een van de eersten geweest die de muren verschillende kleuren heeft gegeven, die schilderijen hoger en lager ging hangen en die het aandurfde om verschillende kunstwerken door elkaar heen te hangen. Ik weet nog dat ik in de tijd als directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven een zaal moest inrichten. Ik had een werk van Sol Lewitt aangekocht, ik had een grijs kwadraat van Charlton en daar moest nog iets bij. Toen heb ik daar een Mondriaan uit 1930 bij gehangen. Mijn collega’s vonden dat raar, hoe kun je dat doen, maar ik vond het gewoon mooi. Ik meende dat die werken elkaar juist verscherpten door ze naast elkaar te hangen. Niets is te gek. Kijk eens naar het schilderij van Arnulf Rainer waar ik het net over had. Dat hangt niet in het midden van de muur, dat hangt schuin boven de haard. Dat rode vierkant van Steven Aalders is bewust daar op de grond geplaatst. Dat vind ik wel leuk. Het spelen met dat ophangen en neerzetten, met die mise-en-scène, heb ik geleerd bij het theater. Eind jaren zestig kwam ik in contact met Jannis Kounellis. Via hem kwam ik in contact met regisseur Carlo Quartucci, de oprichter van theatergroep Camion. Samen met zijn vrouw Carla Tatò, die we altijd ‘La Spectacola’ noemden vanwege haar enorme bos haar, was hij drijvende kracht van het gezelschap. Ze speelden moderne theaterstukken van schrijvers als Luigi Pirandello en Samuel Beckett. Mijn rol was om af en toe iets voor het gezelschap te schrijven. Kounellis zorgde voor het beeld bij de voorstellingen, dat natuurlijk net zo belangrijk is als de tekst. Deze groep mensen had het idee dat ze een gezamenlijk kunstwerk maakten met taal, muziek, kleur, vorm en beeld. Al die verschillende kunstvormen versterkten elkaar.”

BEELDENDE KUNST
“Ik kom nog af en toe in het Stedelijk, maar met gemengde gevoelens. Er zijn een paar mensen van mijn oude team aan wie ik ben verknocht, maar die zie ik zo ook wel. Als ik daar kom, word ik met grote eerbied ontvangen, dat wel, maar het is me te stijf geworden, te formeel, ook de tentoonstellingen. Alles wordt wetenschappelijk dichtgespijkerd. Niets mag meer. Alles is verboden. Drie jaar geleden werd ik door het museum uitgenodigd om een tentoonstelling te maken waarin ik terugkijk op mijn loopbaan als museumdirecteur en tentoonstellingsmaker. Ik was daar aanwezig om de werken op te hangen, maar ik mocht ze niet aanraken – kunstwerken die ik nota 2 Locatie, Auteur bene zelf had aangekocht. Ik wist niet wat ik hoorde. Heb jij weleens een kunstenaar gezien die zijn eigen werk met 4 handschoenen aanpakt? Ik niet. Het depot is ook een probleem. Vroeger zat dat gewoon in de kelder van het museum. Als je iets nodig had, dan liep je even naar de kelder en dan haalde je het op – alsof je iets uit de ijskast pakt. Het depot is nu bij de westelijke haven. Daar moet je dus eerst al naartoe als je een werk wilt hebben, dan moeten die werken volgens de nieuwe kunstpolitie ook nog eens op allerlei manieren worden verpakt en gecontroleerd en vervolgens ook nog eens met speciaal vervoer naar het museum worden gebracht. Het duurt minimaal een week voor je een schilderij hebt. Ik vind dat oprecht een groot probleem. De ruimte waar toen die tentoonstelling werd gehouden, is nu een zaal waarin stukken uit het depot worden tentoongesteld. Beatrix Ruf (de toenmalig directeur van het Stedelijk – red.) had aan Rem Koolhaas gevraagd of hij metalen schuifwanden wilde ontwerpen zodat je een dynamische ruimte krijgt. Dat heet nu Stedelijk Base. De wanden blijken echter zo zwaar dat je ze nauwelijks kunt bewegen. En de werken die er hangen, hangen er al vanaf het begin. Vroeger veranderden we soms maandelijks de mise-en-scène, hier is die al twee jaar hetzelfde. Je kunt die zaal bij een volgend bezoek dus rustig overslaan.
“Ik heb zo veel kunstwerken gezien in mijn leven – ik heb bijna te veel gezien. Daarom ga ik ook niet zo vaak meer op reis. Het idee dat ik naar Parijs zou moeten… Wat moet ik daar doen? Ik heb alles daar al honderd keer gezien. Ik kan wel nog steeds ontroerd raken door kunst. Dat gebeurde onlangs bijvoorbeeld toen ik dat rode vierkant van Steven Aalders zag. Ik raakte ontroerd door de eenvoud van dat vierkant. Ik moet ineens denken aan een van de eerste ervaringen die ik met kunst heb gehad. Als jongetje van een jaar of veertien zag ik Compositie in wit en zwart van Piet Mondriaan voor het eerst. Ik begreep meteen dat het iets heel bijzonders was waar ik naar keek. De meeste mensen die er voorbijlopen, denken dat ze kijken naar een paar zwarte lijnen op een wit vlak. Het zijn geen lijnen. Het zijn rechthoeken. Van de witte rechthoeken is geen een hetzelfde. Ook de zwarte rechthoeken verschillen allemaal van lengte en breedte. Je moet kijken. Pas dan zie je het.”

De smaak van… Gerard Spong

Verschenen in Playboy 05 2019.

Mr. Gerard Spong (72) is een van de bekendste advocaten van het land. Tot en met eind mei is hij nog in diverse theaters te zien met zijn theatercollege In Vertrouwen.

Sushi of stamppot?
Stamppot.

Aardbeien of kersen?
Aardbeien. Goede, zoete aardbeien herken je aan de hoogte van het groene kroontje. Hoe hoger dat kroontje van de aardbei is verwijderd, des te zoeter de aardbei is. De Lambada is top.

Ik ga nooit van huis zonder…
Mijn horloge en mijn iPhone.

Wat vindt u de mooiste auto ter wereld?
Mijn Rolls-Royce Phantom VIII.

Wat vindt u het mooiste horloge ter wereld?
Breguet. Ik heb vier verschillende modellen die ik afwisselend draag.

Waar geeft u veel geld aan uit?
Aan de aflossing van mijn hypotheek.

Wat is het gekste dat u voor uw hond heeft gekocht?
Een tuigje en een riempje ter gelegenheid van (toen nog) Koninginnedag. Het was bij Koko von Knebel in de Reestraat. Ik had niet naar de prijs gekeken, maar toen ik wilde afrekenen bleek het godbetert €320 te kosten. Maar ja, ik vond hem zo mooi en het stond hem zo goed dat ik het maar heb gedaan, al voelde ik me wel een beetje afgezet.

Welk drankje drinkt u het liefst?
Ik drink weinig alcohol, maar als ik een keer iets drink dan is het een rode bordeaux.

Toga of harp?
Een toga is verplicht, daar kan ik niet onder uit, en harp spelen doe ik uit vrije wil.

Lilian Marijnissen of Rob Jetten?
Rob Jetten. Hij heeft mijn politieke voorkeur boven Lilian Marijnissen, want die is van een hele linkse partij en dat ben ik niet.

Wat is uw grootste ondeugd?
Mijn grootste ondeugd is mijn ongeduld. Ik ben zeer ongeduldig van aard, ik heb liever de dingen direct gedaan.

Wat is het grootste misverstand dat er over u bestaat?
Dat ik een griezel zou zijn. Dat zeggen heel veel mensen als ik weer eens over een bepaalde zaak in de publiciteit ben geweest. Ik krijg ook regelmatig e-mails van die strekking.

Welke zaak had u graag willen doen?
De zaak van Michael Cohen, de voormalig persoonlijk advocaat van Donald Trump die nu tegen hem getuigt. In die zaak staat allereerst de precaire verhouding tussen een advocaat en zijn cliënt centraal. Je ziet vaak dat advocaten het slachtoffer worden van het syndroom van – wat ik maar noem – to please the client. De vraag is dan: hoe ver ga je daar in. Heeft deze advocaat misdrijven gepleegd ter wille van zijn cliënt? Daarnaast is zijn voormalige cliënt nu de president van de Verenigde Staten. Een zittende president kan niet veroordeeld worden, maar er gaan nu ook stemmen op om de president niet boven de wet te stellen.

Door wie zou u zichzelf laten verdedigen: Peter Plasman of Theo Hiddema?
Peter Plasman, maar ik zeg er ook bij: het hangt af van het misdrijf waarvan ik beschuldigd word. Als ik beschuldigd zou worden van fraude en/of moord dan zou ik een andere keuze maken.

Dit is de meest bevallige actrice die ik ken…
Ik heb verschillende actrices die ik goed en bevallig vind, maar laat ik kiezen voor Hanna Schygulla.

Welk nummer heeft u als laatst ontdekt?
Ik was naar Eurovision In Concert 2019 in AFAS Live. Dat vond ik overwegend allemaal bagger, maar ik vond het liedje van Ierland wel leuk.

’s Nachts kun je me wakker maken voor…
Voor seks. (lacht) Nee, nee, dat is een grapje, want ik denk dat mensen mij helemaal niet wakker moeten maken ’s nachts. Zeker niet sinds ik sinds kort een fantastisch nieuwe boxspring heb. Daar slaap ik als een roos op.

Heeft u weleens iets strafbaars gedaan?
Jawel, ik heb weleens een keertje te hard gereden. Voor het overige ben ik geen misdadig persoon.

Heeft u weleens drugs gebruikt?
Ik heb in mijn studententijd weleens een joint gerookt. Daarna ook nog weleens een hele enkele keer, maar in de afgelopen 25 jaar niet.

Met welke bekende overleden persoon zou u nog weleens een borrel willen drinken?
Gerrit Komrij, met wie ik bevriend was. Ik zou hem zeggen dat ik nog steeds erg onder de indruk ben van zijn boeken.

Suits of The Good Wife?
The Good Wife. Suits is mij veel te zoetsappig. The Good Wife is in een aantal opzichten veel vileiner en een aantal advocatuurlijke dilemma’s komen veel beter uit de verf dan in Suits.

Welk programma mag van u per direct van televisie verdwijnen?
Dat is een hele moeilijke vraag, want ik kijk heel weinig televisie, dus ik weet het eigenlijk niet.

Frank Lammers: ‘Er wordt weinig gemaakt wat kloten heeft’

Frank Lammers (47) regisseert de rockopera Jumping Jack. Playboy spreekt de gezellige acteur over motorrijden, de nieuwe Netflix-serie Undercover en het filmklimaat in Nederland. ‘Er wordt weinig gemaakt wat kloten heeft.’

Interview uit met meinummer (2019) van Playboy. Lees het gehele interview hier.

Q1. Je regisseert de rockopera Jumping Jack over motorcoureur Jack Middelburg. Waarom precies over hem, niemand kent hem toch meer?
Nederland is best wel een motorsportland. Kijk naar iemand als Max Verstappen, wat hij allemaal losmaakt in het land. Kijk naar de Zwarte Cross – niet voor niets het grootste festival van Nederland. Kijk naar de TT in Assen, een van de grootste sportspektakels van het land, waar jaarlijks meer dan 100.000 mensen op afkomen. Toch hebben we al heel lang geen grote motorraces meer. De laatste drie grote motorcoureurs die we hebben gehad zijn Jack Middelburg, Boet van Dulmen en Wil Hartog. Jack Middelburg was in 1980 de laatste Nederlandse winnaar van de TT in Assen. Hij is dus met recht een legende. Daarnaast is het een charismatische man met een flamboyante levenswandel die zo ongeveer elk botje in zijn lijf weleens gebroken heeft en die – en daar verklap ik niets mee – niet heel fijn aan zijn eind is gekomen.

Q4. Je speelt een gezellige huisvader in de reclames voor de Jumbo, maar ook ’s werelds grootste xtc-handelaar in de nieuwe Netflix-serie Undercover. Zijn die rollen te combineren?
Ik heb daar van beide kanten nooit problemen mee gehad. Ik heb me altijd al in verschillende werelden bewogen. Ik vloog van het alternatieve toneelclubje op de middelbare school naar de lompheid van het voetbal en het elitaire van de tennis. Ik zat overal tussenin, maar was wel overal mezelf. Dat is namelijk wat ik goed kan: mezelf zijn.

Q9. Wat vind je van het huidige filmklimaat in ons land?
Er wordt weinig gemaakt wat kloten heeft, vind ik. Romantische komedies doen het commercieel goed, maar dat vind ik afschuwelijke films. Daarom werk ik graag in België. Daar worden nog films met een randje gemaakt. Neem een film als Rundskop. Had een Oscarnominatie. Zou in Nederland nooit gemaakt kunnen worden. Te zwart, te moeilijk, te heftig. Nederland houdt van makkelijk. Wij hebben Frans Bauer, zij hebben deus. Een van de beste dingen die ik ooit heb gemaakt is De Enclave, een serie over Srebrenica. Daar keken op primetime 15.000 mensen naar. Dat is minder dan niks. Het is een bekroonde serie, aan de kwaliteit lag het dus niet, maar mensen weigerden gewoon om ernaar te kijken. Ze wilden niet geconfronteerd worden met de ellende uit ons recente verleden.

Q10. Klopt het dat je ontdekt bent door Hollywood?
Ha, nou ja, ik loop daar sinds kort af en toe rond. Ik heb daar vorig jaar een film gemaakt, D-railed. Die gaat over een trein die onder water verdwijnt en dan komt er een monster en dat eet iedereen op. Hij is hier nog niet uit, maar hij draait al wel op verschillende filmfestivals. Er komt waarschijnlijk een nieuwe film aan, maar dat weet ik nog niet zeker. We’ll see what happens. Ik hoef ook niet zo nodig een carrière in Hollywood. Ik wil er best af en toe naartoe om een film te draaien, maar ik ga daar niet wonen. Amerikanen zijn wel leuke mensen om mee te werken. Ze zijn – zo is me opgevallen – heel erg complimenteus. Ik werkte samen met crewleden die ook samenwerken met Steven Spielberg. Ze kwamen naar me toe en zeiden: ‘I work with a lot of A-listers man, but you fucking knocked the ball out of the park.’ Dat is leuk om te horen. Als je iets goed doet, dan wordt dat ook benoemd. Hier zijn de mensen afgunstig. Wat dat betreft kunnen wij daar nog een hoop van leren.

Q16. Wat is het grootste nadeel van de roem?
Dat je overal wordt aangesproken. ‘Hé, Jumboooo!’ schreeuwen ze dan bijvoorbeeld. Ik kan daar zelf redelijk mee omgaan, maar mijn vrouw en dochter worden daar weleens gek van. Dat snap ik ook wel. Ik ga met carnaval ook niet meer naar Eindhoven. Dat gaat gewoon niet, dan word je helemaal gek. In die zin isoleert roem wel, al zou je denken dat juist het tegenovergestelde waar zou zijn.

Q17. Waarom wil je nooit vertellen hoeveel je verdient met de reclames voor Jumbo?
Omdat daarover praten alleen maar negativiteit oplevert. Ik schaam me nergens voor, ik denk ook dat ik krijg wat ik verdien, maar het roept alleen maar afgunst op. In Amerika krijg je complimenten als je op die manier je geld verdient als acteur, hier het tegenovergestelde.

Q18. Doe je weleens boodschappen bij de Albert Heijn? Nee.

 

Gerard Spong: ‘Mijn afvalligheid begon op mijn zestiende’

Strafpleiter Gerard Spong (72) staat in de theaters met zijn college-voorstelling In vertrouwen. Wat ziet, leest en luistert hij zoal in zijn vrije tijd?

Boeken
“Ik lees voor mijn werk natuurlijk de hele dag, maar dan vooral vakliteratuur. En ik lees veel kranten, dat kost ook de nodige tijd. ’s Avonds in bed lees ik niet; dan val ik meestal direct in slaap. Als ik lees, dan lees ik vooral hapsnap tussen de bedrijven door. Op dit moment heb ik drie boeken op mijn bureau liggen: de Ilias van Homerus, Hitlers Eliten nach 1945 van Brüder Grimm en De glijbaan van een president van Eric Daalder. De Ilias lees ik voor het eerst. Het is een waanzinnig interessant, maar ook heel moeilijk boek. Soms ben ik na drie pagina’s al doodmoe. Hitlers Eliten nach 1945 gaat met name over hoe Duitse nazirechters na de oorlog op allerlei mooie posten zijn terechtgekomen. Het verbazingwekkende is dat dit relatief open en bloot heeft kunnen plaatsvinden. Het is puur gissen waarom ze die mensen nooit hebben berecht. Ik denk dat er enerzijds behoefte was om een aantal hoofdfiguren van het naziregime schuldig te verklaren – denk aan de Processen van Neurenberg – maar dat anderzijds de amorfe nazimassa te groot was om juridisch aan te pakken. Het was dus de makkelijkste oplossing om het naziverleden van die rechters maar een beetje te verdoezelen. De glijbaan van een president is ook een heel mooi boek. Eric Daalder is een confrère van mij, hij was lange tijd advocaat in Den Haag. Later was hij landsadvocaat en sinds enkele jaren is hij bestuursrechter bij de Raad van State. Dit boek gaat over Nixon en Watergate. Er zijn natuurlijk ontzettend veel parallellen te trekken tussen Nixon en Trump. De leugenachtigheid is er daar een van. Nixon heeft misdrijven gepleegd, maar ik durf wel te stellen, althans het lijkt er heel sterk op, dat Trump wat dat betreft zijn gelijke is – alleen is het bij hem nog niet bewezen.”
“Er zijn drie schrijvers die ik bewonder: Gerard Reve, Gerrit Komrij en Willem Frederik Hermans. Reve bewonder ik onder meer om zijn boek Nader tot U. Ik heb in mijn huis drie prachtige handgeschreven gedichten van hem hangen die ik van hem cadeau heb gekregen toen ik zijn partner in een rechtszaak had bijgestaan. Komrij en Hermans hebben natuurlijk veel gemeen met elkaar. Ze hebben een buitengewoon scherpe pen en ze zijn voor de duvel niet bang. Dat trekt mij erg aan in hun werk. Ik voel me erg verwant met die twee; ik houd mij voor dat ik dezelfde normen en waarden hanteer.”
“Een boek dat mij in zekere zin heeft gevormd is Why I Am Not a Christian van Bertrand Russell. Het heeft ertoe bijgedragen dat ik me heb afgekeerd van het geloof. Mijn afvalligheid begon op mijn zestiende. Ik speelde drums in een bandje en we hadden een contract met de Oecumenische Kerk in Oegstgeest. Daarin stond dat we elke week gratis mochten repeteren in het patronaatsgebouw, maar dat we als tegenprestatie elke maand een concert moesten geven voor de jeugd uit de buurt. Dat deden we, maar op een gegeven moment kwam de pastoor naar me toe en zei: ‘U mag die liederlijke liederen van The Rolling Stones en dat soort bands niet meer spelen!’ Ik vroeg aan hem waarom dat niet mocht. Hij antwoordde: ‘U drijft daarmee de jeugd de bosjes in en daar doen ze allemaal vieze dingen.’ Ik vond dat een rare opmerking. ‘Dat is toch juist mooi, pastoor,’ zei ik, ‘dat ze in de bosjes verdwijnen? Daar heeft u uw leven aan te danken!’ Een jaar of vier later las ik dit boek en opeens zag ik de gedachten die ik over het geloof had onder woorden gebracht.”

MUZIEK
“Mijn favoriete componist is Gioachino Rossini. Ik heb mijn hele leven affiniteit gehad met klassieke muziek, maar vele jaren terug werd ik opeens gegrepen door zijn composities. Dat begon met de William Tell Overture. Ik vind dat werkelijk een prachtig stuk, dat overigens ook wordt gebruikt als soundtrack van A Clockwork Orange van Stanley Kubrick. Rossini heeft natuurlijk iets van Beethoven, maar het is Beethoven light. Zijn composities zijn veel lichter dan de zware werken van Beethoven. Tenminste, zo zie ik het. Misschien trap ik op de ziel van menig muziekliefhebber, maar dat moeten ze me dan maar vergeven. Een ander stuk waar ik naar kan blijven luisteren is het tweede pianoconcert van Rachmaninov. Ik heb dat leren waarderen door een vriendin op wie ik waanzinnig verliefd was en in een zeer romantische periode in mijn leven draaide ik dit pianoconcert dus veel. De eerste klanken brengen me nog steeds in vervoering en nemen me als het ware mee naar die tijd.”
“Ik ben totaal niet eenkennig wat betreft muziek. Ik ontdek nog steeds nieuwe muziek, zoals bijvoorbeeld laatst Hou je bek en bef me van Merol. Je moet durf hebben om zoiets te zingen en in die durf gaat een zekere artisticiteit schuil. Het kenmerk van iedere grote kunstenaar is dat hij of zij grenzen verlegt. Zij heeft de durf om met haar teksten die grenzen te verleggen. Daarom zie ik haar ook als een groot kunstenaar. Ik heb haar nog niet live gezien, maar wellicht komt het daar ooit een keer van. Ik ben sowieso niet zo’n concertganger. Ik ben niet zo lang geleden wel bij Sheila E. geweest in Paradiso en ik kom ook weleens in het Concertgebouw, maar ik heb geen abonnement. Zo’n abonnement vind ik muzikaal masochisme.”

Lees het gehele interview in het meinummer van HP/De Tijd. (2019)

 

Lykele Muus: ‘Er wordt neergekeken op schrijvende acteurs’

Lykele Muus (32) is schrijver en acteur. Deze week verscheen zijn tweede roman: We doen wat we kunnen.

 

Kun je kort vertellen waar het boek over gaat?
We doen wat we kunnen gaat over twee bevriende gezinnen met elk een dochter die een vakantiehuis delen aan zee. Tijdens aan van de vakanties krijgen de meisjes een quad-ongeluk. Het ene meisje belandt in een coma waar ze waarschijnlijk nooit meer uitkomt, het andere meisje heeft ogenschijnlijk niks. Later veranderen de verhoudingen en worden de ouders voor een onmogelijke keuze gesteld.”

Hoe kwam je op het idee voor dit onderwerp?
“Het boek gaat over ouderschap, maar ook over duurzaamheid van relaties en het jezelf opofferen omwille van de kinderen en omwille van het samenblijven met je partner. Na de geboorte van mijn dochter merkte ik dat ik heel erg was veranderd, maar ook de relatie met de moeder van mijn dochter was heel erg veranderd. Op een gegeven moment werkte het gewoon niet meer tussen ons. Het ideaal is dat mensen die een kind hebben bij elkaar blijven. Ik vind dat helemaal niet het ideaal. Een kind heeft meer aan een goede scheiding dan aan een slecht huwelijk. Mijn ex en ik dragen het co-ouderschap over onze dochter en dat werkt uitstekend. Ik denk dat het, als je allebei carrière wilt maken en een zware baan hebt met onregelmatige uren, bijna onmogelijk is om samen een kind op te voeden. Je wilt een goede partner zijn en een goede ouder zijn, maar je wilt ook dichtbij jezelf blijven en carrière maken. Daarnaast wil je je sociale leven onderhouden en af en toe ook een moment van rust inlassen voor jezelf. Dat is bijna ondoenlijk als je met z’n drieën onder een dak woont. In de situatie waarin wij nu zitten – dus met twee ouders die allebei een drukke baan hebben – is het co-ouderschap de beste oplossing. Toen mijn ex en ik aan familie en vrienden vertelden dat wij uit elkaar gingen, zei iedereen: ‘O, wat erg voor jullie, wat jammer dat het is mislukt.’ Iets is niet mislukt als het stopt. In het boek schrijf ik ook dat je altijd opnieuw kunt beginnen. En dat is ook waar. Zelfs als je kind wegvalt, hoe verschrikkelijk dat ook is, betekent dat niet het einde van de wereld.”

In het boek schrijf je: ‘Omringd door andere ouders is het not done om te laten merken hoe zwaar het ouderschap eigenlijk is.’ Wat vind je zelf het zwaarst aan het ouderschap?
“Het houdt niet op. Als je wakker wordt ben je een ouder, als je gaat slapen ben je een ouder – je bent altijd verantwoordelijk voor het leven van je kind en dat van jezelf. Je kind mag niet dood maar je mag zelf ook niet dood. Dat bepaalt wel heel erg hoe je in het leven staat. Voordat ik een kind kreeg was ik veel impulsiever. Ik was veel onverschilliger en veel sneller met oordelen, ik had toch niets te verliezen. Nu denk ik over alles drie keer na.”

“Een kind heeft meer aan een goede scheiding dan aan een slecht huwelijk”

Je debuteerde in 2016 met Eland. Van welke fouten uit dat eerste boek heb je geleerd?
“Bij je debuut heb je het idee dat je moet bewijzen dat je een boek kan schrijven, bij je tweede heb je het idee dat je moet bewijzen dat je een goedboek kan schrijven. Eland bevatte teveel passages die niets met het verhaal te maken hadden. Ik dacht: die grappige passage laat ik erin, want dan kunnen ze zien dat ik ook met humor kan schrijven. Nu heeft elke passage een functie. Het gaat niet meer om mij als schrijver, maar alles staat in dienst van het verhaal. Eland heb ik heel impulsief geschreven, zonder duidelijk plan. We doen wat we kunnen is meer doordacht. Dat komt ook omdat dit boek als filmscenario begon, waarvoor ik me onder andere heb laten inspireren door het toneelstuk Carnage van Yasmina Reza. Dat scenario was al klaar toen het werd afgewezen door het Filmfonds, waarna ik het heb omgewerkt tot een roman.”

Je bent naast schrijver ook acteur. Zit dat acteurschap het auteurschap niet in de weg, in die zin dat je wordt weggezet als die acteur die ook zo nodig moet schrijven?
“Jawel, heel erg. Soms lijkt het wel of je in Nederland maar op een manier bekend mag zijn. Waarom zou je alleen maar schrijver of acteur kunnen zijn en niet allebei? Herman Koch is toch ook ooit begonnen als acteur? In andere landen zijn de kunsten veel minder gescheiden. Hier is het: schoenmaker blijf bij je leest. Ik merkte dat voor het eerst bij het verschijnen van mijn debuut. Niemand wilde erover schrijven. En als er al iets over werd geschreven, dan werd het boek genoemd in een lijst met boeken die geschreven zijn door een acteur, waarbij er met geen woord over de inhoud werd gerept. Collega-schrijvers denken vaak dat het door je bekendheid makkelijker is om aandacht te krijgen voor je boek. Het tegendeel is waar. Het is juist veel moeilijker. Er wordt door mensen uit het boekenvak heel erg neergekeken op schrijvende acteurs. Precies wat jij zegt: daar heb je weer zo’n acteur die ook denkt dat hij kan schrijven. Ergens snap ik dat ook wel. Ik vind het als acteur ook heel erg kut wanneer ik auditie doe voor een rol en ik later te horen krijg dat die rol is vergeven aan presentator Jan Versteegh. Aan de andere kant vind ik ook dat je je talenten mag laten zien. Waarom mag een presentator die goed kan acteren niet in een film spelen? Dat geldt voor een acteur die goed kan schrijven ook.”

We doen wat we kunnen gaat over onmogelijke dilemma’s. Als we het daar dan toch over hebben: nooit meer acteren of nooit meer schrijven?
“Nooit meer acteren. Ik verdien mijn geld met acteren, want met het schrijven van een boek verdien je niet zoveel, maar als acteur werk je toch altijd in opdracht van een ander. Ik zou alleen over deze vraag twijfelen als ik zelf mijn films en toneelstukken mocht schrijven, maar dat is niet aan de orde. Toneel is trouwens ook een uitstervende kunstvorm, dus dat idee moet ik misschien sowieso loslaten. Een boek schrijven, ook al kost het drie jaar van je leven en levert het weinig op, is voor mij het summum. Je kunt je eigen verhaal vertellen. Niemand kijkt over je schouders mee en zegt wat je moet doen. Het geeft ontzettend veel voldoening om te schrijven. Een boek is ook tijdlozer dan een film of een serie.”

“Ik wil bombarderen met waterballonnen, of desnoods een bom van stront”

Wat vind je zelf de mooiste zin uit het boek?
“De laatste zin, maar die zal ik hier niet citeren, want dan verklap ik teveel. Wat ik ook een mooie zin vind: ‘Het grootbrengen van kinderen gaat meer over het voorkomen van verdriet dan over het creëren van geluk.’”

Op welke Nederlandstalige schrijver ben je jaloers?
“Ik ben op niemand jaloers, maar ik bewonder wel bepaalde talenten van sommige schrijvers. De toewijding van Peter Buwalda, de beeldspraak van Tom Lanoye. Ik moet altijd huilen om de personages van Jaap Robben en ik bewonder Maartje Wortel omdat ze zware filosofieën heel lichtvoetig kan opschrijven.”

Tot slot: op het huis van welke schrijver zou je een precisiebombardement uit willen laten voeren?
“Ha. Laat ik vooropstellen dat ik niemand dood wil hebben en dat ik ook geen huizen kapot wil maken. Ik wil bombarderen met waterballonnen, of desnoods een bom van stront. Er zijn een paar mensen die ik hartstikke irritant vind als schrijver, maar die als mens vast hartstikke aardig zijn. Mano Bouzamour bijvoorbeeld. Ik vind het onbegrijpelijk dat zo’n ijdeltuit zo onevenredig veel aandacht krijgt voor zijn boeken en ik vind het heel irritant dat hij zich dat ook zo laat aanleunen. Ik ben begonnen in Bestsellerboy, maar ik las de eerste pagina’s en had geen idee wat er stond. Wat een draak van een boek is dat.”

Kim Holland over porno, monogamie en seks in een ministerskamer

Kim Holland wordt volgende maand vijftig. Playboy ging alvast op verjaardagsvisite bij de koningin van de polderporno. Ze mag dan een monogame relatie hebben en als actrice met pensioen zijn, haar sex drive blijft onverminderd. ‘Mijn streven is nog steeds om drie keer per dag sex te hebben.

Meer lezen over Kim Holland over porno, monogamie en seks in een ministerskamer

De beste boeken die u nooit heeft gelezen (2019)

Wat is het beste boek dat niemand heeft gelezen? Net als voorgaande jaren vraagt HP/De Tijd aan in totaal honderd literatoren welk boek zij willen toevoegen aan deze bescheiden canon van het vergeten boek.

 

58. Het Geuzenboek (1979)
Louis Paul Boon (1912 – 1979)

Tom Lanoye: In genadeloze en korte hoofdstukken tekent ‘Boontje’ zowel de levenswandel van de machtigen als het lot en het weerwerk van ontelbare kleine zielen. Te weten: de water- en bosgeuzen van de zestiende eeuw, in hun strijd tegen de Spaanse bezetter en zijn vele collaborateurs. Het is een overweldigend en bijwijlen weerbarstig monument, door de hoeveelheid van de informatie en de onontkoombaar sterke stem van Boon — een verteller die maar nauwelijks zijn woede beheerst en die zijn misprijzen voor de toenmalige elites niet onder stoelen of banken steekt. (Waarom noemde men Willem ‘de Zwijger’? Boon pepert het ons met sardonisch genoegen in.)

Waarom is dit boek zo weinig bekend, zeker in Nederland? Ik was teleurgesteld, nee: verbolgen, dat in de mooie serie 80 Jaar Oorlog (NPO 2) niet minstens een paar fragmenten werden voorgelezen door presentator Hans Goedkoop. En zeker in deze tijden van hernieuwde godsdienstconflicten — die zoals altijd economische en geo-politieke belangen maskeren — zou dit meesterwerk de basis kunnen vormen van een onthutsende, spannende en leerrijke dramaserie.

Tot slot geef ik graag het motto van de meester zelf mee: “Zo wil dit Geuzenboek dan een soort bijbel zijn, waarin vastgelegd werd hoe de vromen en rechtzinnigen konden worden uitgeroeid door heerszuchtigen die het woord van Christus tot een godslasterlijk woord maakten, en in zijn naam duizenden en duizenden ombrachten door vuur en water, door strop en zwaard.”

59. Het Leven op Aarde (1934)
J. Slauerhoff (1898 – 1936)

Nelleke Noordervliet: Slauerhoff is vooral bekend als dichter. Zijn zwervend leven als scheepsarts en zijn vroege dood aan tuberculose weeft een waas van romantiek om zijn persoon. ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen. Nooit vond ik ergens anders onderdak.’ Tijdens dat betrekkelijk korte bestaan vond hij toch tijd om een paar romans te schrijven die als de pendant van het levensgevoel in zijn gedichten kunnen worden beschouwd. Het Leven op Aarde is daarvan een geweldig voorbeeld. Cameron, een Engelse marconist, heeft genoeg van het leven op zee en drost in China. Het is een geheimzinnig, moeilijk toegankelijk land. De sfeer is duister en chaotisch. Na wat vage pogingen te settelen neemt hij deel aan een louche expeditie met een onbekend doel naar een legendarische stad in het binnenland. Het reisgezelschap bestaat uit verschillende enigmatische figuren. Cameron is een buitenstaander die af en toe een verbond met een van de andere expeditieleden sluit. Wat er gebeurt, hoe lang ze onderweg zijn  het blijft allemaal raadselachtig. Eindelijk in de grote stad in het binnenland gearriveerd wordt het doe; van de expeditie duidelijk, wordt het gezelschap vastgezet, elk van de leden op een eigen plaats en ontstaat er conflict met de leiders van de gemeenschap. Cameron stelt executie uit door te beloven een toestel te ontwerpen dat het geluid van de wereld binnen zal brengen. Hij bouwt een radio-ontvanger. In een apotheose als in een rampenfilm wordt de stad overstroomd door kolkende rivieren. Cameron vlucht naar het ijzige hooggebergte en verder. De sfeer van Het Leven op Aarde grijpt je vast, de stijl is soms slordig soms hallucinant. Een Nederlandse roman van grote, internationale allure.

60. Zondagsrust (1902)
Frans Coenen (1866 – 1936)

Rob van Essen: Een volksbuurt, eind oktober, Amsterdam, omstreeks 1900. Een gezin wordt wakker. Vader, moeder en het dochtertje (van de moeder, niet van de vader) slaan zich binnenskamers de taaie zondag door. Een dag vol verveling, verwijten, kleine chantages, tijdelijke overwinningen, dierlijk gescharrel, hoogoplopende emoties, doffe berusting – uiteindelijk eindigt alles, altijd, in teleurstelling en frustratie. Iedereen loert op elkaar op die kleine etage, iedereen is uit op eigen gewin, in een decor van goedkope prullen en opflakkerende lusten, die niet zomaar worden bevredigd – want alles heeft zijn prijs. Tegen de avond komt dan ook nog de benepen en chronisch ontevreden grootmoeder langs, om te klagen en jenever te drinken. Hier en daar geeft Coenen zich over aan op de Tachtigers geïnspireerde woordknutselarij, daar moet je tegen kunnen, maar dan heb je ook wat: een boek van totale uitzichtloosheid. Bij Coenen geen verlichtende ironie, geen mededogen. Wurgender en genadelozer is er zelden geschreven.

61. Een nagelaten bekentenis (1894) 
Marcellus Emants (1848 – 1923)

Tessa de Loo: Het is me een raadsel waarom de roman Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants, die in 1894 verscheen, tot in onze tijd niet minstens even bekend is gebleven als bijvoorbeeld Eline Vere van Couperus. Schildert de laatste voor het eerst in onze literatuur de melancholie en depressiviteit van een jonge vrouw, die zoals de meesten van haar seksegenoten gevangen zit in een wereld van voorschriften, gedragscodes en verboden, Emants tekent met een nietsontziende pen het lege, liefdeloze huwelijk van zijn hoofdpersoon Willem Termeer met diens vrouw Anne. Met een fileermesje legt hij hun relatie bloot, even scherp als een moderne therapeut tegenover een echtpaar wier huwelijk niets meer is dan een lege huls.

De roman begint met de bedaarde mededeling van Termeer dat hij daarnet zijn vrouw heeft vermoord. Was het de logische consequentie van een uitzichtloze kwelling of heeft hij zijn verstand verloren? Met deze vraag zal hij, hoewel niemand vermoedt wat hij heeft gedaan, de rest van zijn leven blijven kampen. Dat een romanschrijver een dergelijke problematiek behandelde was in die tijd, waarin het zelfgenoegzame burgerdom de toon aangaf, revolutionair. Het boek stuitte dan ook voornamelijk op afkeuring en Emants ging erg gebukt onder dit gebrek aan begrip en erkenning. Wel vertelde hij in een interview dat hij overstelpt werd met brieven vol herkenning van lezers, die schreven: ‘Ik ben net zo…’ of ‘Mijn man is ook zo…’
Over de manier waarop zijn hoofdpersonen tot stand kwamen schreef hij: ‘Al mijn personages heb ik uit de werkelijkheid en daar ga ik zo ver in dat ik zelfs hun taalfouten in mijn taal opneem’.
Hij was een bewonderaar van het naturalisme van Emile Zola, maar deelde ook de kritische kijk op het fenomeen vrouw waar we Schopenhauer zo goed van kennen. Ook het feit dat hij vrijelijk over seksualiteit schreef schokte de brave burgerij en werd gezien als hoogst verwerpelijk.

Emants was zijn tijd ver vooruit en daarom voor ons, na ruim een eeuw vol politieke, maatschappelijke en culturele omwentelingen die inmiddels hun neerslag in de literatuur hebben gekregen, veel toegankelijker en boeiender dan voor zijn tijdgenoten. Zijn taal is vrij van overbodige stilistische hoogdraverij, nuchter en modern, maar met een onderliggende, sterk emotionele laag. Fascinerend om te lezen, nog steeds – opnieuw!

62. Veren (1994)
Veronica Hazelhoff (1947 – 2009)

Jaap Robben: Een van de boeken die direct mee verhuisde naar het plankje in mijn eerste studentenkamer was Veren van Veronica Hazelhoff. Voorin staat geschreven: ‘Voor onze lieve Jaap die nu naar de middelbare school gaat. Liefs, papa en mama.’ Dat was zes jaar voordien. Het was zo’n cadeau geweest waarbij ik vaak benadrukte dat ik er echt-heel-erg-blij mee was. Juist omdat het niet zo was.

Alle boeken die ik tot dan toe kende waren spannend of grappig. Maar dit was iets anders. Er zat iets onbegrijpelijks in dit boek. Terwijl het zo makkelijk las. Veronica Hazelhoff schreef boeken die fluisteren, tussen haar handen die ze als kommetjes tegen elkaar hield, verborg ze iets geheimzinnigs. Je mocht wel even kijken tussen de naden van haar vingers door. Haar geheimzinnigheid is niet zozeer spannend. Het is die van het niet helemaal begrijpen. De geheimzinnigheid die je op je hoede maakt, zoals stilte dat kan doen. Steeds las ik het opnieuw.

Dat was het boek waar uiteindelijk de rest van mijn boekenverzameling omheen groeide.

De tekst gaat onder de foto verder.

Een selectie van de boeken die dit jaar zijn gekozen. Beeldbewerking: Laura Muller

63. Het Revolverschot (1911)
Virginie Loveling (1836 – 1923)

Annelies Verbeke: Ik las dit boek onlangs. En schreef volgende passage over in een schriftje: ‘Wat wij met onze oogen zien, maakt ons niet blind voor het tweede gezichtsvermogen, den scherpzinnige en diepvoelende door een helsche macht verleend. Dat onverklaarbare doet ons raden wat niet gezegd wordt, gissen wat verborgen blijft, ontdekken wat onuitgedrukt of moedwillig verkeerd uitgedrukt, in ‘t brein en ‘t gemoed van de ons omgevenden opgesloten ligt. Het fluistert wantrouwen in, daar waar berusting natuurlijk schijnt.’

Dat tweede gezichtsvermogen en de veronderstellingen van mensen over elkaar en de werkelijkheid komen mooi aan bod in een roman over de oudste van twee zussen, de zorgende, opofferende, die met de eigen verbittering en jaloezie wordt geconfronteerd als haar jongere zus iets met de overbuurman blijkt te hebben, die ze zelf al als haar verloofde was gaan zien. Een interessant hoofdpersonage. Geraffineerd neergezette onderzoekingen van haar psyche en de duistere kanten van het mysterie. Verder noteerde ik de woorden ‘bloohartig’ (lafhartig, schuchter) en ‘reeuw’ (de geur van de dood).

64. De vrienden van vroeger (1955)
Esteban Lopez (1931 – 1996)

Arjan Peters: Als jongeman zat Esteban Lopez (1931-1996) een tijdje op Nijenrode, en hij werkte in de reclame. Uit die periode stamt zijn eerste roman, De vrienden van vroeger, geschreven toen hij 23 jaar was. Mooi hoor, die eenzaamheid, de afgunst op de gozer met lef (in het personage David herkennen wij de immer zelfverzekerde Heere Heeresma), en de met angst gekleurde eerste verliefdheden – zoals op het vriendinnetje dat in de deuropening van haar huis klaar staat met pingpongbal en batje, en vraagt: ‘Heb je lust mee te spelen?’ En dan zomaar tegen haar roepen: ‘Het is uit, ik heb geen zin je nog een keer te ontmoeten.’ Het balletje valt haar uit de handen en huppelt weg. ‘Ik bedacht dat haar wangen hoogrood waren en ik vond dat zij nu een spitse neus had.’ Ze smijt de deur dicht. Hij begrijpt niet wat hij heeft gedaan, en gaat maar naar de bioscoop. Balletje nog in de hand. Wat is het leven vreemd!
O, radeloosheid van de jeugd. Ik geniet.

65. Het verrotte leven van Floortje Bloem (1982)
Yvonne Keuls (1931)

Eveline Aendekerk: Het verrotte leven van Floortje Bloem van Yvonne Keuls is natuurlijk geen onbekend of ongekend meesterwerk, maar ik merk dat de jongere generatie dit juweel van een boek vaak niet meer kent. Daarom deze ‘preventieve’ keuze. Alleen al de titel vind ik werkelijk briljant. Die doet je toch snakken naar de inhoud? Mij zo’n 32 jaar geleden in elk geval wel. Dit boek is een van de eerste sociale romans in Nederland en fictie en werkelijkheid vormen er een hechte eenheid. Mooi vind ik dat de zogenaamde slachtoffers geen zielige figuren zijn. Het zijn in feite sterke figuren die in een ellendige situatie terecht zijn gekomen. Thema’s als leed en onmacht, angst, onwil en het grote gemis aan liefde, maar ook schuld en eigen verantwoordelijkheid worden met warmte behandeld. Heerlijk ook dat de tijdsgeest van de jaren 80 er zo in door klinkt; de net opgezette hulpontwikkeling, de softe vaktaal en de christelijke onderdrukking bij opvanghuizen.

66. Experimenten (1911)
Geerten Gossaert (1884 – 1958)

Martin Michael Driessen: Imponerend vormvaste en aangrijpende gedichten, door hemzelf en anderen getypeerd als ‘bezielde retoriek’. Sommige behoren al een halve eeuw tot mijn absolute favorieten, zoals Libera Nos, Domine (‘De wind woei om het eenzaam huis/In het laatste avonduur;/Toen lichtte een vreemde de klink der deur/En zat bij ’t open vuur.’)

Toen ik zestien was leek dichten als hij me het hoogst haalbare; dat veranderde, maar de bewondering en de dankbaarheid zijn altijd gebleven. Het kost misschien wat moeite hem vandaag de dag te lezen, maar dan heb je ook wat: hij staat bij  lange na niet zo ver van ons af als Bilderdijk of zelfs Boutens. Hij doet eerder aan Vasalis denken.

Intrigerend: op een gegeven moment gaf hij er gewoon de brui aan. Gerretson (dat was zijn burgerlijke naam) kreeg een goedgedoteerde baan bij de Shell en liet weten dat hij ‘geen tijd meer had voor een onmaatschappelijke activiteit als het dichten.’

Uit zijn enige bundel komt een man naar voren die zichzelf alleen kon of wilde prijsgeven in een uiterst beheerste en vaak archaïserende kunstvorm. Het effect is verpletterend. Hij laat zich nooit gaan. Hij weet wat hij doet. Het lijkt alsof hij zich niet wil laten kennen, maar na lezing van die formidabele verzen heb je er een vriend voor het leven bij.

Volgens mij is Geerten Gossaert is een van de grootste Nederlandse dichters.

67.
 Dood van een non (1961)

Maria Rosseels (1916 – 2005)

Kristien Hemmerechts:  De nonnen op mijn school hebben mij vaak op hoogmoed betrapt. Het was een verraderlijke zonde: je kon die begaan zonder dat je je ervan bewust was. Ook Sabine Arnauld, hoofdpersonage in Dood van een non maakt er zich schuldig aan, althans in de ogen van de zusters in het klooster dat ze wil betreden. De roman legt de absurditeit van die obsessie met hoogmoed bloot zonder het geloof of gelovige mensen belachelijk te maken. Auteur Maria Rosseels weet het evenwicht te bewaren tussen weerzin en respect. Wanneer je alle onzinnige ballast weg schraapt die het Katholicisme over de jaren heeft verzameld, blijft de poging over van de mens om een relatie met God aan te gaan. De lezer die erin slaagt het ontegensprekelijk gedateerde karakter van de roman te negeren, ontdekt een intelligente en fascinerende voorstelling van een verlangen dat – terecht of onterecht – ook vandaag onuitroeibaar blijkt.

68. De Metsiers (1950)
Hugo Claus (1929 – 2008)

Oek de Jong:  Ik heb de roman zojuist herlezen en vond hem opnieuw steengoed: een rauw en beklemmend verhaal, meesterlijk van psychologisch inzicht, compact geschreven, stampvol gebeurtenissen in krap honderd bladzijden. Ik heb het over het debuut van Hugo Claus: DeMetsiers. Hij schreef dit kleine meesterwerk op zijn negentiende. Verbazingwekkend dat een negentienjarige al zoveel van het leven had gezien en begrepen.

De Metsiers – een boerenfamilie in het Vlaanderen van vlak na de oorlog. In het dorp zijn de Metsiers ongewenst. De toegang tot de mis is hen ontzegd. Ze worden veracht en gemeden. Het is een familie van primitieve hartstochten waar geen rem op zit. Als negentienjarige bewoog Claus zich meteen op het niveau van de Griekse tragedie: moord, incest, onverzoenlijke haat, verblinding. Een allesoverheersende moederfiguur, aangeduid als de Moeder. Mon, die samen met de Moeder haar man Metsier heeft vermoord, en nu met haar leeft. Bennie, achterlijke jongen, en zijn halfzusje Ana, samen een liefdespaar. Jules, ooit ook een minnaar van de Moeder. Dat alles bij elkaar op een afgelegen hoeve. Broeieriger kan het niet. Twee Amerikaanse soldaten worden ingekwartierd bij de Metsiers. Indringers zijn het, vreemdelingen. Alle in de familie verzamelde haat richt zich op hen. Tijdens een eendenjacht in het nachtelijk moeras volgt de ontknoping.

Bijzonder is ook de vorm van de roman: 25 korte monologen van de Moeder, Mon, Ana, Bennie, Jules en Jim Braddok. Het werkt beklemmend.  Ik citeer als smaakmaker de meteen al zo dreigende eerste zin: ‘Een half uur het duister in staren, zinloos staren naar de weg, waarlangs de Vette Smelders moet komen’. Eenmaal gelezen, is het een verhaal dat je niet meer vergeet.

69. Mannekino (1968)
Sybren Polet (1924 – 2015)

Elke Geurts: Mannekino is een moderne klassieker over het negenjarige wonderkind Guido Jagt, dat almaar doet alsof hij zeer middelmatig tot regelrecht dom is, omdat hij erachter is gekomen dat hij als hij zijn intelligentie toont raar bevonden wordt. Maar Guido – die met z’n negen jaar in wezen een zeer sluwe zakenman is en volwassenen in het bedrijfsleven omkoopt, bedriegt en voor z’n karretje spant – heeft zich voorgenomen om op zijn tiende miljonair te zijn om de studie voor zijn vader te kunnen betalen. Zijn vader moest stoppen met studeren toen Guido geboren werd. Mannekino is onderdeel van de Lokienreeks van Sybren Polet, maar kan ook heel goed los gelezen worden. Het is fabelachtig goed geschreven, speels, fascinerend om te lezen, op iedere bladzijde verrassend, wendbaar, fantasierijk, geestig en dient heden ten dagen door iedereen verplicht gelezen te worden.

70. Nachtboek van een slapeloze (1988)
Patricia de Martelaere (1957 – 2009)

Saskia de Coster: Sowieso is een al dan niet overleden Vlaamse auteur in Nederland alsmaar meer een curiosum. In het geval van de zowel Vlaamse als ook nog eens geniale Patricia de Martelaere is dat doodzonde. Nachtboek van een slapeloze, voor het eerst verschenen in 1988, is een prachtig, toegankelijk en toepasselijk gitzwart boek. Een man is bij aanvang simpelweg gelukkig en toch stort hij nacht na nacht meer in. De slapeloosheid neemt hem en zijn lichaam volledig over. Van zijn neergang doet hij iedere nacht verslag, een jaar lang. Wie zijn nachtelijk dagboek leest, voelt de snaren van het universum trillen in iedere wanhopige poging van de hoofdpersoon om toch de voeten op de grond te houden en te geloven dat het gewone leven een bescheiden feest is. Zijn hele, vredige gezinsleven wordt hem zo steeds meer een gruwel. Dat is veel te kort gezegd de tragiek die in Nachtboek van een slapeloze op een totaal meeslepende manier, met een enorm naturel, verteld wordt. Een onontkoombaar boek om tja, van wakker te liggen.

Tekst gaat onder de foto verder.

Een selectie van de boeken die dit jaar zijn gekozen. Beeldbewerking: Laura Muller

71. De Verbeelding (1999)
Herman Franke (1948 – 2010)

Lykele Muus: Dit boek had net de AKO Literatuurprijs gewonnen en Trafalgar Square stond op de voorkant, dus ik nam het mee op reis naar London. Ik heb zowat meer van het boek dan van die reis onthouden. Kort daarna zag ik de film Magnolia, ook zo’n slim geconstrueerde mozaïekvertelling. Over Magnolia wordt nog steeds gesproken, maar van De Verbeelding heb ik nooit meer iets gehoord. Die vorm van vertellen werd een soort heilige graal voor mij. Vermoedelijk zal ik tot mijn dood blijven proberen zo’n verweven constructie te scheppen, nooit zal ik daar zo glansrijk in slagen als Franke. Onder het web van verbindingen ligt nog een web, en daaronder nog een. Daarboven de boodschap dat ieder mens op zijn eigen, vaak mooie, manier beschadigd is, maar dat het leven desondanks draaglijk wordt van de juiste balans tussen realiteit en fantasie

72. Tobias en de dood (1925)
J. Van Oudshoorn (1876 – 1951)

Maarten ’t Hart: In boekhandels zoek je vergeefs naar werk van J. van Oudshoorn. Een totaal vergeten schrijver? Het lijkt er wel op. En dan te bedenken dat Bordewijk ooit Tobias en de dood de grootste roman uit de Nederlandse letterkunde heeft genoemd. Frits Hotz was het daar geheel mee eens en heeft in enkele verhalen zelfs geprobeerd de sfeer van Tobias en de dood weer op te roepen, onder andere in het verhaal Zand en grind. Zoveel is intussen zeker: van de vier romans die Van Oudshoorn heeft geschreven – het onvolprezen Willem Mertens’ levensspiegel, het iets minder geslaagde Louteringen, het superieure Achter groene horren – loopt Tobias en de dood, hoe archaïsch-plechtig het taalgebruik soms ook uitpakt, het meest nadrukkelijk vooruit op een werk als Noorderlicht van Bordewijk en De donkere kamer van Damocles van W.F. Hermans. Anders dan in de drie andere romans is hoofdpersoon Tobias niet alleen maar een mislukking.  Hij houdt zich, hoewel slachtoffer van chantage, staande in een geheimzinnige, grimmige wereld. En in deze roman is zelfs voor eenmaal in het werk van Van Oudshoorn sprake van een superieur soort humor.

73. Het uur tussen hond en wolf (1987)
Maarten ‘t Hart (1944)

Elsbeth Etty: Van het grootse meesterwerk uit de Nederlandse literatuur, Max Havelaar (1860), kan niet worden gezegd dat het onbekend of vergeten is. Des te meer geldt dat voor Het uur tussen hond en wolf: een Multatuliaanse sleutelroman waarin Maarten ‘t Hart afrekent met een Amsterdamse Slijmering, die hem een trauma heeft bezorgd, vergelijkbaar met dat van Douwes Dekker in de zaak-Lebak.

In 1980 kocht ’t Hart van het geld dat hij verdiend had met Een vlucht regenwulpen een monumentaal pand aan de Amsterdamse Oudezijds Voorburgwal. Eén verdieping hield hij zelf, de overige verhuurde hij aan onder meer vertaler en journalist bij NRC Handelsblad Hans Bakx. Die ontpopte zich als wanbetaler en pleger van huisvredebreuk met behulp van gewelddadige krakers.

Het conflict tussen huisbaas en huurder eindigde na kostbare verbouwingen en eindeloze procedures voor de rechter. “De enige manier om nog iets van het geld terug te zien is over dit alles een boek te schrijven …’ zegt ’t Harts alter ego Melchior in de roman en dat voornemen resulteerde in Het uur tussen hond en wolf: een wraakoefening met smakelijke roddels over duidelijk herkenbare figuren uit de literaire en journalistieke wereld.

Natuurlijk haalt dit boek het niet bij Multatuli’s aanklacht tegen koloniale wantoestanden en de calvinistische Nederlandse koopmansgeest. ’t Hart identificeert zich met de schraperige Droogstoppel en hij bespot Bakx, in het boek figurerend onder de naam Koudvuur, omdat die dweept met de vrijgevige Multatuli.

De uitgeefgeschiedenis van Het uur tussen hond en wolf lijkt op die van Max Havelaar met uitgever Theo Sontrop in de rol van Jacob van Lennep. Om te voorkomen dat het boek wegens laster uit de handel zou worden genomen liet hij de straatnaam Oudezijds Voorburgwal veranderen in Marnixkade en stuurde hij het typoscript ruim vóór publicatie naar Bakx. Die stapte echter niet naar de rechter, maar maakte gebruik van ’t Harts tekst voor een tegenaanval: de vileine sleutelroman Midas’ tranen. Allebei hilarische boeken en nog immer actueel als het gaat over jaloezie en wraak in bepaalde milieus.

74. Het verstoorde mierennest (1916)
C.J.A. van Bruggen (1874 – 1960)

Max Pam: Wie Carrie van Bruggen was, weten de meeste Nederlandse lezers nog wel. Zij schreef Prometheus, dat zij zelf ‘een bijdrage tot het begrip der ontwikkeling van het individualisme in de literatuur’ noemde. Ook haar taalboek Hedendaagsch Fetisjisme zal misschien nog een belletje doen rinkelen, maar dan alleen omdat Renate Rubinstein ernaar verwees in haar pamflet Hedendaags feminisme.

Wie C.J.A. van Bruggen was, weet daarentegen niemand meer. Hij was de echtgenoot van Carry, en ook schrijver/journalist. Bijna al zijn boeken en stukken zijn vergeten, maar één roman verdient het om aan de vergetelheid ontrukt te blijven: Het verstoorde mierennest.

Het thema is tegenwoordig weer uiterst populair: de ondergang van de wereld. Het gaat over een mijnwerker, diep neergedaald in een Limburgse schacht, die merkt dat iedereen om hem heen gestorven is. Hij weet naar boven te komen en ziet dat hij de enige overlevende is van een verschrikkelijk ongeluk dat de aarde heeft getroffen. Jonathan Strong, want zo heet hij, is de Hollandse Robinson Crusoë. Een vrolijk boek is het niet, want het eindigt met doodslag en in snikkende puntjes… Maar het leert je wel hoe Nederland er honderd jaar geleden uitzag. Nederland was toen een prachtig land, jammer van al die doden die op straat lagen.

Van harte aanbevolen!

75. Laten we vader eruit gooien (1967)
Mary Dorna (1891 – 1971)

Sylvia Witteman: Het oprakelen van ‘vergeten’ boeken is hip, net als de teelt van ‘vergeten’ groentes: soms worden ze terecht weer van stal gehaald, maar soms ook begrijp je best waarom men ze ooit de rug toekeerde; neem nu bijvoorbeeld snijbiet, of Hugo Claus. Ik twijfel nog steeds over John Williams’ Stoner (die ik niet zozeer een tragische held vond als wel een lafaard), maar als ik van íémand zeker weet dat ze een comeback verdient is het Mary Dorna.

Geestig-ironisch, met een flinke dosis verdriet, beschrijft ze de zeden en gewoontes van de benepen bourgeoisie, waarin ze zelf honderd jaar geleden opgroeide, als lastig en opstandig kind; een soort Joop ter Heul from hell, met een strenge vader, een zachte moeder en een, volgens betrokkenen ‘onmaatschappelijke voorkeur’.

In de leukste van Dorna’s sterk autobiografische verhalen is de ‘ik’ een jonge tiener, die voortdurend ongewenste betrekkingen aanknoopt met mensen buiten haar milieu. De zus van het dienstmeisje, bijvoorbeeld, Nelly, die een ‘meisje van pleizier’ is, met ‘zulke prachtige kleuren rose op de wangen, en zulke rode lippen. (…) In de kamer bevonden zich nog een groot bed, een neger en een papegaai. De neger heette Jim, en toen Nelly over liefde sprak gaf hij haar een zoen in de hals. Voor het eerst van mijn leven begreep ik dat zoenen prettig kan zijn. Ik had een paar dagen tevoren een vreselijke proef doorstaan met een jongen – het was juist de tijd dat er over zoenen en nog veel griezeliger dingen op school gesproken werd – en in mijn nieuwsgierigheid probeerde ik het in het smalle straatje dat voor dergelijke experimenten bij onze school in trek was. ‘Jasses, het is net nat spuug’ was de verpletterende ontdekking voor mezelf en ook voor de beteuterde jongen. Maar de neger had zulke prachtige witte tanden en Nelly zag er zo beeldig perzikachtig uit – ik begon iets van de liefde te begrijpen.’

Annie (waarom moet dat M. G. er eigenlijk altijd tussen?) Schmidt en Simon Carmiggelt waren zwaar schatplichtig aan Mary Dorna. En ik ook. Liefst zou ik hier haar complete oeuvre citeren om u te overtuigen, maar daar is geen ruimte voor. Haar werk is niet meer in druk, maar op joodsebibliotheek.nl is het gratis te lezen. Begin maar met de bundel Laten we vader eruit gooien en concludeer zelf: een ten onrechte vergeten meesterwerk.

(Een uitgebreide versie vindt u hier.)