Özcan Akyol: ‘Ik ben afgehaakt met het lezen van boeken van mijn generatiegenoten’

Özcan Akyol (35) schreef het Boekenweekessay Generaal zonder leger en presenteert in de Boekenweek het televisieprogramma Dwarse Denkers. Wat leest, luistert en leest hij in zijn vrije tijd?

Lees verder Özcan Akyol: ‘Ik ben afgehaakt met het lezen van boeken van mijn generatiegenoten’

De 12 best gelezen interviews van 2019

Deze interviews zijn dit jaar het meest gelezen op deze website.

12. Sylvana Simons: ‘Ik kan me zelden herkennen in een kunstwerk’
Sylvana Simons over haar kunstbeleving. “Ik zou het heel gaaf vinden als een keer een zwarte cabaretier de Oudejaars doet.”

11. Jules Deelder: ‘Lang leve de dichter, maar waarvan?’
Op pad met Jules Deelder. Oesters en gin in overvloed. Deelder: “Is dat een parel of een tumor? Je weet ‘t maar nooit met die oesters. Het blijft een beetje een rare rochel.”

10. Maarten Spanjer over rentenieren: ‘Ik moet geen honderd worden, ook geen negentig, maar tachtig red ik misschien net’
Maarten Spanjer (66) schreef een boek met tragikomische verhalen over zijn jeugd. Ik ging een nacht op pad met deze meesterverteller. “Waarom begint iedereen toch altijd over Jeroen Krabbé met me?”

9. Danny Vera heeft nooit een hit gehad maar altijd volle zalen
Danny Vera heeft het meest succesvolle jaar uit zijn carrière achter de rug. Hij had zijn eerste echte hit (Rollercoaster) en speelde onder meer in AFAS Live. Begin dit jaar, voordat het grote succes hem ten deel viel, sprak ik hem over zijn carrière tot nu toe.

8. Kaj Gorgels: ‘Zelfoverschatting is een groot probleem in medialand’
Televisietalent Kaj Gorgels (28) presenteerde dit jaar onder meer Temptation Island VIPS en Expeditie Robinson. In dit interview vertelt hij onder meer over zijn haat-liefdeverhouding met de wereld van influencers en presentatoren: “Zelfoverschatting is een probleem dat veel mensen in de mediawereld hebben.”

7. Jan Cremer: ‘Het feminisme is aan mij voorbijgegaan’
Groot interview met Jan Cremer voor Playboy, onder meer over de verfilmingspogingen van zijn bestseller Ik Jan Cremer, zijn weerzin tegen fatsoensrakkers en zijn literaire aspiraties: ‘Ik schrijf begrijpbare porno voor het volk.’

6. Kim Holland: ‘Mijn streven is nog steeds om drie keer per dag sex te hebben’
Kim Holland werd dit jaar vijftig. Ik mocht op verjaardagsvisite bij de koningin van de polderporno. Het werd een gedenkwaardig gesprek.

5. Maarten ’t Hart over Multatuli, Charles Dickens en Theodor Fontane
Maarten ’t Hart (75) is de meest belezen man van Nederland. Voor het winternummer van HP/De Tijd maakte ik een acht pagina tellend interview met hem over zijn leesverslaving. ’t Hart: “Ik heb mijn hele leven verlezen.”

4. Rutger Hauer over het gedicht dat hem ontroerde 
Rutger Hauer (1944 – 2019) was een van de bekendste acteurs van ons land. In 2015 vertelde hij in de bundel Gedichten die mannen aan het huilen maken welk gedicht hem de tranen naar de ogen jaagt.

3. Johnny de Mol: ‘Ik weet niet of het medium televisie over tien jaar nog bestaat’ 
Het leven van Johnny de Mol (40) is de afgelopen jaren drastisch veranderd. Hij verliet de stad, trouwde met zijn grote liefde en werd vader van een zoon. In dit interview vertelde hij onder meer over zijn rock-‘n’-roll-verleden, de band met zijn vader en zijn avontuur met een shemale in Thailand.

2. Pierre Bokma: ‘Het toneel is aan het verdwijnen’
Pierre Bokma zegt dat het toneel gaat verdwijnen. Een van de oorzaken daarvoor zijn mensen zoals Arjen Lubach: “Lubach mag van mij best de theaters in, maar ik vind hem vermoedelijk op televisie honderd keer beter. Die mensen nemen de zuurstof weg voor de toneelcultuur.”

1. Raymond van Barneveld: ‘Ik speel alleen nog om een paar centen te verdienen’
Raymond van Barneveld (52) liet zijn laatste jaar als darter optekenen in het boek Game Over. Een gedroomd afscheid werd het niet voor de vijfvoudig wereldkampioen: onder meer zijn scheiding, een overval en tegenvallende prestaties gooiden roet in het eten. “Dit is het meest rampzalige jaar uit mijn leven geworden. Het is een grote nachtmerrie.”

Maarten ’t Hart over Multatuli, Charles Dickens en Theodor Fontane

Maarten ’t Hart (75) is de meest belezen man van Nederland. Door zijn leesverslaving heeft hij nooit tijd voor een bezoek aan een theater, een bioscoop of een concertzaal. In deze speciale editie van de maandelijkse rubriek ‘De culturele agenda van…’ vertelt de schrijver daarom welke boeken een blijvende indruk hebben achtergelaten en welke juist niet. “Ulysses van James Joyce wordt zwaar overschat.”

Lees verder Maarten ’t Hart over Multatuli, Charles Dickens en Theodor Fontane

Inez Weski over Doctor Zhivago, Francisco Goya en Midnight Cowboy

Mr. Inez Weski is een van ’s lands bekendste strafrechtadvocaten en werkt zeven dagen per week. Wat leest, luistert en ziet ze op de spaarzame momenten dat ze niet aan het werk is?

Verschenen in het novembernummer van HP/De Tijd. (2019) Lees het gehele interview hier.

BOEKEN
“Ik mag graag leesadvies geven. Drie boeken die ik vaak aanraad zijn
Dagboek van een gek van Nicolaj Gogol, Doctor Zhivago van Boris Pasternak en White Fang van Jack London. Dagboek van een gek is het verslag van een ambtenaar die door vreselijk liefdesverdriet opgenomen wordt in een psychiatrische inrichting. Door een dagboek bij te houden wil hij bewijzen dat hij niet krankzinnig is, maar omdat hij schrijft over allerlei waanvoorstellingen die hij heeft, bereikt hij juist het tegenovergestelde. Het boek gaat over leven in de wanen. Dat zie je misschien ook bij Het proces van Franz Kafka. Het verhaal is bekend: een man wordt zonder reden gearresteerd en raakt verwikkeld in een bizar juridisch proces. Er zijn verschillende interpretaties van dit verhaal mogelijk, maar mijn interpretatie is dat het proces helemaal in his mind speelt, het is een waanproces. Er zijn allerlei aanwijzingen die daarop wijzen.”
“Ik hou van verhalen over het harde leven, over de wisselwerking tussen mensheid en natuur, over onderlinge strijd en survival of the fittest. Doctor Zhivago verhaalt over de diepe tegenstellingen en sociale tragiek in Rusland in de periode tussen de Russische Revolutie en de Tweede Wereldoorlog. Ook de film vind ik prachtig. Omar Sharif, met die grote vochtige ogen en besneeuwde wimpers, brengt de diepe droefenis van dat verhaal fantastisch tot uiting. White Fang gaat ook over het harde leven. Het boek gaat over het ruwe leven van goudzoekers tijdens de Goudkoorts van Klondike. Honderdduizend mannen reisden in 1896 af naar Canada; van die meute kwamen zeventigduizend op de heenweg al om. Ik heb dit boek eens aangehaald in een strafzaak om aan te geven hoe zo’n bewustzijnsvernauwende goudkoorts de labiliteit van de mens in de hand werkt. Ik haalde de passage aan waarin de schrijver vertelt hoe de mannen hun paarden behandelden: ‘Men shot them, worked them to death and when they were gone, went back to the beach and bought more … Their hearts turned to stone—those which did not break—and they became beasts, the men on the Dead Horse Trail.’ De goudkoorts brandde kortom hun laatste restje geweten weg.”

BEELDENDE KUNST
“Mijn favoriete kunstenaar is Goya. Zijn werk heeft een enorme impact op mij gehad. Zijn schilderijen laten de systematische gewetenloosheid van de mensen zien. Binnenplaats met krankzinnigen blijft me daarom raken. Ik ben ook een groot bewonderaar van de surrealisten. De liefde voor het surrealisme begon denk ik rond mijn tiende. Ik herinner mij uit die tijd ook het zien van een grote Dalí-tentoonstelling in Rotterdam. Zijn zachte horloges staan me daar het meest van bij. In ons eigen land hebben we natuurlijk Carel Willink. Het surrealisme is in feite een escape uit de werkelijkheid, maar tegelijkertijd een sublimatie van het realisme. Daarom voel ik me er misschien wel zo door aangetrokken, maar ook de schoonheid van de werken spreekt me aan. Dat geldt ook voor de werken van M.C. Escher. Als je die werken van hem bekijkt dan is dat wel meer dan alleen een grafisch wonderstukje. Vorig jaar ben ik me voor een project in zijn leven gaan verdiepen en opeens snapte ik zijn werk veel beter. Escher en zijn familie waren namelijk voortdurend op de vlucht voor het gevaar. Dat zie je terug aan zijn werk: door middel van die systematische tekeningen leek hij orde te willen brengen in de chaos van zijn leven.”

FILM
Of Mice and Men en Midnight Cowboy vind ik twee icoon-achtige films. Of Mice and Men, naar het boek van John Steinbeck, zag ik als kind. De film gaat over twee seizoenarbeiders – twee broers – die rondreizen in de hoop op een beter leven. Onderweg vertellen ze elkaar wat ze allemaal gaan doen als ze eenmaal een eigen boerderij hebben gevonden. Het noodlot reist helaas met hen mee, want Lennie, de minst snuggere van de twee, vermoordt in al zijn domme kracht en liefde per ongeluk een vrouw en vindt daardoor zelf ook de dood. Midnight Cowboy gaat ook over twee losers die op zoek zijn naar een beter leven. Het betreft een cowboy (Jon Voight) die naar de grote stad trekt en als het ware wordt opgeslokt door het consumentisme van New York. Dan komt hij in aanraking met een sjaggeraar met een moeilijke voet (Dustin Hoffman). Ze dromen allebei van een beter leven en vertrekken met een bus naar het warme zuiden. En dan komt het Lennie-moment. In de laatste scène zitten ze in de bus. Jon Voight is aan het vertellen wat ze allemaal in het zuiden gaan doen. Als hij op een gegeven moment naar rechts kijkt, ziet hij dat Dustin Hoffman dood naast hem zit. Dat beeld en die boodschap vergeet je nooit meer. Eigenlijk geldt dat voor alle kunstvormen: de beelden en de boodschappen zetten zich in je hersenen en sturen je de rest van je leven in je emoties. Als je kinderen dat ontzegt, dan ontneem je ze eigenlijk een basis voor het denken.”

Paul Witteman over Simon Vestdijk, Erwin Olaf en J.S. Bach

Paul Witteman (72) presenteert een nieuw seizoen van Podium Witteman. Wat leest, luistert en ziet hij in zijn vrije tijd?

Verschenen in het oktobernummer van HP/De Tijd. (2019) Lees het gehele interview hier.

BOEKEN
“Ik ben dweperig van aard. Als ik een boek goed vind dan ga ik meteen alles van die schrijver kopen, ook als ik zeker weet dat ik dat boek nooit ga lezen, want ik vind dat je het op zijn minst allemaal moet hébben. Simon Vestdijk is een schrijver van wie ik bijna alles heb gelezen. Misschien heeft het met zijn muzikaliteit te maken dat ik van zijn werk houd. Vestdijk was namelijk een heel muzikale man; hij heeft veel geschreven over Bach. Er zijn mensen die zeggen dat hij saai is, maar ik vind hem juist heel erg geestig. Het kind tussen vier vrouwen is misschien wel zijn beste boek, al zijn De kelner en de levenden en Op afbetaling ook erg mooi. Zo’n schrijversobsessie duurt vaak een paar jaar en dan is het helemaal over. Dan raak ik weer verknocht aan een andere schrijver. Wie dat op dit moment is? Tommy Wieringa, al heeft die nog niet eens zo heel veel geschreven. Dit zijn de namen maakte veel indruk. Het gaat over vluchtelingen die van alle kanten bij elkaar komen en proberen te overleven. Wie gaat het redden? Dat is de vraag. Zijn stijl is trouwens ook schitterend. Je hebt bij hem nooit het idee dat je huiswerk moet doen.”
“Laatst las ik in De revisor een stuk van Thomas Heerma van Voss over W.F. Hermans waarin hij gehakt maakt van Au pair. Ik was het wel met hem eens, ik vond het ook een verschrikkelijk slecht boek, maar je moet het als jonge schrijver maar durven om de meest bewonderde schrijver van het land op zo’n manier aan te vallen. Dat bracht mij tot de vraag: wat als je op deze manier eens meer bewierookte schrijvers van toen opnieuw zou beschouwen en daar een serie van maakt? Misschien is dat wel iets voor HP/De Tijd. Laat een jonge schrijver die gevestigde namen eens op een kritische manier beschouwen en kijk of je genoeg argumenten bij elkaar kunt krijgen om postume karaktermoord – al is dat misschien een iets te zwaar woord – te plegen. Dat lijkt me heel interessant. Gerard Reve? Blijft die overeind? Zijn eerste drie boeken in ieder geval, maar zodra de jongensbilletjes erbij komen wordt het er niet beter op. Godfried Bomans? Ik weet het niet. Jeroen Brouwers? Die zeker wel.”

BEELDENDE KUNST
“Bijna iedereen – uitzonderingen daargelaten natuurlijk – heeft zijn culturele smaak aan zijn ouders te danken. Mijn ouders hebben mij ooit als vijf- of zesjarige meegenomen naar een Rembrandt-tentoonstelling in het Rijksmuseum. In die tijd was het katholieke geloof in ons gezin nog net op het randje van leidend. Ook in de culturele sfeer. Ik herinner me dat ik erg ontroerd raakte door de religieuze voorstellingen die daar hingen, zoals De heilige familie bij avond. Rembrandt ontroert op dezelfde manier als Bach: er gaat zo’n enorme warmte uit van zijn kunstwerken, zoveel mededogen met de mens, dat je je haast niet kan voorstellen dat hij die schilderijen alleen maar maakte om er geld mee te verdienen. Dat is waarschijnlijk ook niet zo, maar zeker weten zullen we dat nooit. Ik herinner me dat mijn ouders ook een tekening van Rembrandt boven de eetkamertafel hadden hangen. Het was een kopie van De drie kruisen. Ik ben ze nog steeds zeer dankbaar dat ze me daar allemaal mee in aanraking hebben gebracht. Ik heb in menig opzicht een verwaarloosde jeugd gehad, maar in cultureel opzicht niet.”
“De beste tentoonstelling van het jaar vond ik die van Erwin Olaf in het Gemeentemuseum in Den Haag. Ik heb eerlijk gezegd een beetje een getroebleerde relatie met Erwin Olaf. Een jaar of twintig geleden maakte hij voor de voorpagina van de VARA-gids een portret van mij en Marcel van Dam – de presentatoren van Het Lagerhuis. Hij wilde laten zien dat hij niet zomaar een fotograaf was, dus hij had onze gezichten verschrikkelijk overbelicht. We zagen eruit alsof we de volgende dag dood zouden neervallen. Ik heb toen gezegd dat ik het een weinig flatterende foto vond en hij werd me toch een partij kwaad… Hij was de kunstenaar en ik moest me nergens mee bemoeien. Hij heeft toen ook tegen mijn vaste grimeuze gezegd dat ze me voortaan extra bleek moest schminken. (Lacht) Een paar weken geleden heb ik hem gebeld om hem te feliciteren met die tentoonstelling. De meeste foto’s kende ik al, maar ik vond de collectie werkelijk bijzonder. Ik heb toen ook mijn nederige excuses aangeboden voor dat voorval en die heeft hij ook warm aanvaard.”

MUZIEK
“Zonder klassieke muziek zou ik een totaal ander leven lijden. Ik zou andere vrienden hebben gekozen, andere werkzaamheden hebben gedaan… Alles in mijn leven komt terug bij de liefde voor die muziek. Ook daar ben ik mijn ouders weer dankbaar voor. Zolang ik me kan herinneren ben ik namelijk met klassieke muziek in aanraking geweest. Zelfs toen ik bij mijn moeder in de buik zat moet ik al dagelijks muziek om me heen hebben gehad. Bij ons thuis werd heel veel gespeeld, wat weer een andere ervaring is dan muziek uit de radio horen. Mijn moeder en bijna al mijn broers speelden piano. Mijn hele jeugd werd daardoor door klassieke muziek beïnvloed. Ik heb mezelf weleens afgevraagd hoe ik zou zijn geworden als ik in een ander gezin was opgegroeid. Ik denk dat ik dan misschien helemaal niet van klassieke muziek had gehouden, maar dat is zo onvoorstelbaar dat ik dat niet kan geloven.”
“Bach staat bij mij op nummer een. De Matthäus-Passion heeft op mij als kind al een verpletterende indruk gemaakt. Er bestaat niets mooiers dan dat openingschoraal. Nog steeds ga ik elk jaar naar twee uitvoeringen. Zelfs als ik zou denken: nu weet ik het wel, wat onmogelijk is natuurlijk, zou ik die concerten nog bezoeken. Uit eerbied voor Bach, omdat je natuurlijk nooit zeker weet of je hem later nog eens tegen zal komen. Welke vraag ik hem dan zou stellen? Of hij bij zijn composities gebruik maakte van wiskunde. Daar is een discussie over in muziekland. Mijn broer Wim Witteman, die harmonie en solfège gaf op het conservatorium, doet analytisch onderzoek naar de wiskunde achter Bach. Ik kan het ook allemaal niet begrijpen, maar hij gelooft heilig in de mathematische symboliek die in zijn stukken verscholen zou liggen. Je moet het maar eens nazoeken. Hij heeft de Matthäus-Passion al geanalyseerd en is nu de Hohe Messe op dezelfde wijze aan het analyseren.”

 

 

Ronald Giphart: ‘Series hebben een grotere toekomst dan romans’

Ronald Giphart (53) komt eind september met een nieuwe roman: Alle tijd. Door welke schrijvers laat hij zich inspireren, welke muziek luistert hij al sinds zijn studententijd en welke series ziet hij het liefst?

Fragmenten. Het gehele interview is te lezen in het septembernummer van HP/De Tijd (2019) of hier via Blendle.

BOEKEN
“Philip Roth is mijn favoriete schrijver. Ik heb net American Pastoral herlezen, dat blijft een majestueus meesterwerk, maar zijn beste boek is denk ik Sabbaths Theater. Het gaat over een poppenspeler die een onstuimige verhouding krijgt met een vrouw en plotseling overlijdt die vrouw. Dat is een van de maffe dingen aan dit boek: opeens is die vrouw dood, zomaar, je leest er makkelijk overheen als je niet goed oplet. Daarna begint het boek pas echt. Sabbath had zo’n obsessieve seksuele relatie met haar dat hij naar haar graf gaat om zich af te trekken, maar als hij daar aankomt ziet hij een andere man staan die zich ook aan het aftrekken is. Hij begrijpt het niet. Had ze naast hem ook nog een andere minnaar? Dan komt hij erachter dat ze een heel leger aan minnaars had en raakt nog meer geobsedeerd door haar dan hij al was bij leven. Het is een fascinerend boek. Iets heel anders is Vallen is als vliegen van Manon Uphoff. Godverdomme, wat een boek is dat. Bert Natter zei tegen me: als we jong waren geweest en we zouden dit boek hebben gelezen dan zouden we meteen verkocht zijn voor de literatuur. Dit is een boek met dezelfde impact als Het verzonkene van Jeroen Brouwers of Nader tot U van Gerard Reve. Ik was er dagen kapot van. Vallen is als vliegen gaat over incest, al wordt dat woord niet echt gebruikt. De zus van de hoofdpersoon overlijdt en dat zet een soort maalstroom aan herinneringen in werking die lukraak door elkaar schieten. De stilistische brille van Manon is fenomenaal. Ik kan me niet voorstellen dat dit niet internationaal wordt opgepakt.”

BEELDENDE KUNST
“Ik mis het gen om me door kunst te laten raken. Ik ben ook dusdanig misantropisch dat ik me in een museum teveel aan andere bezoekers erger om van de kunst te genieten. Wim Kok zei eens dat hij Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue van Barnett Newman niet begreep totdat hij er een halfuur voor had gestaan en het schilderij bij hem binnenkwam. Ik zou mezelf niet eens kunnen dwingen om een halfuur voor een schilderij te gaan staan. Een bezoek aan een museum voelt voor mij altijd een beetje als een verplicht nummertje. In de tijd dat ik een theatershow deed met Bart Chabot bezochten we weleens een museum, maar ik ging dan vooral mee om hem een plezier te doen. Het Van Abbemuseum in Eindhoven, Boijmans van Beuningen in Rotterdam – ik heb het allemaal gezien, maar ik zou het potsierlijk vinden om mezelf een museumbezoeker te noemen. Ben ik dan nooit verpletterd door kunst? Jawel. David Hockney vind ik fascinerend. Ik zou niet snel naar een tentoonstelling van hem gaan, maar zijn schilderijen vind ik fantastisch. Dat hele hoge doek met die bomen vind ik van een tranentrekkende schoonheid. Kunst zie ik eigenlijk het liefst in fotoboeken. Ik heb zelf inmiddels een hele verzameling. Het allereerste fotoboek dat ik zelf kocht was van Robert Mapplethorpe – een van de inspiratiebronnen van Erwin Olaf. Ik woonde in mijn studententijd in een huis met een meisje die op haar kamer een hele grote foto van hem had hangen. Het was een portret van een grote zwarte man in een polyester suit die een enorme lul uit zijn broek had hangen. Ik was meteen gefascineerd. Ik vroeg haar eens waarom die foto daar hing. ‘Om de jongens die hier komen te intimideren’, antwoordde ze. Dat werkte inderdaad.”

FILM
“Ik besteed veel meer tijd aan het kijken van series dan aan het lezen van boeken. Ik denk ook dat series een grotere toekomst hebben dan romans. Is dat erg? Nee. Ik denk het niet. Lezen bevordert je empathische vermogens. Dat is waar. Het is bewezen dat gevangen die gestimuleerd worden om boeken te lezen empathischer worden en dat de kans op recidive afneemt. Lezen is cognitieve arbeid. Je moet beelden maken. Als je het woord ‘schrijver’ ziet dan heb je onbewust in beeld van een schrijver in gedachten. Bij een serie hoef je dat beeld niet zelf te maken. Daar is dus minder cognitieve arbeid voor nodig. Toch denk ik dat het volgen van een wereld in beeld je empathische vermogens ook versterkt – misschien iets minder intensief dan wanneer je leest, maar misschien ook iets laagdrempeliger. Ik was laatst op een middelbare school in een klas met leerlingen die voor hun leeslijst verplicht mijn boeken hadden gelezen. Ik ook van jou gaat een beetje over seksualiteit dus dan gaat het daar natuurlijk al snel over. Ik vroeg: wie kijkt er weleens naar Sex Education op Netflix? Drie meisjes staken hun vinger op. Je merkt dat daar toch meer aandacht voor is dan voor een boek. Sex Education vind ik trouwens een erg goede serie. Het gaat over een zestienjarige jongen wiens moeder een nogal excentrieke sekstherapeute is. Ze vraagt bijvoorbeeld voortdurend aan haar zoon: masturbeer je al? Van die vragen die je niet van je moeder wilt krijgen. Die jongen is een enorme nerd en nog maagd, maar omdat zijn moeder dat beroep heeft, komen al zijn klasgenoten bij hem met hun seksproblemen. En dan blijkt dat hij een soort gave heeft om die seksproblemen op te lossen. Easy vind ik ook erg goed. Het is een serie over normale mensen in een buitenwijk van Chicago. In de eerste aflevering volgen we een uitgeblust stel die hun seksleven proberen te verbeteren. Je denkt dat het verhaal in de tweede aflevering verdergaat, maar dan volgen we opeens totaal iemand anders. Later blijkt dat die persoon een heel klein personage was in de eerste aflevering. In de derde aflevering volgen we iemand die zowel in de eerste als in de tweede aflevering kort de revue passeerde. En ga zo maar door. Het acteerwerk is ook zo goed. Laatst las ik pas dat deze serie voor een groot deel is geïmproviseerd. De acteurs krijgen à la De vloer op een paar aanwijzingen en de rest moeten ze zelf maar bedenken. Dat pakt in dit geval erg goed uit. Ik ben er een paar keer echt ontroerd door geraakt. Iets grappiger maar wel uit dezelfde bron is Love. Het gaat over een getroebleerd meisje dat erg knap is maar vatbaar voor verslavingen en foute mannen. Een nerdachtige jongen wordt verliefd op haar maar zij niet op hem, totdat ze ziet dat hij toch wel erg leuk is ondanks dat hij zo’n ongelooflijke nerd is. De nerd die hem speelt is ook de nerd die deze serie geschreven heeft. Het is een feel good drama in optima forma. Het is in alles liefdevol, warm en menselijk. Peter Heerschop zou z’n vingers erbij aflikken.”

 

Sylvana Simons: ‘Ik kan me zelden herkennen in een kunstwerk’

Sylvana Simons (48) is de oprichter van de politieke partij BIJ1 en gemeenteraadslid in Amsterdam. Wat leest, luistert en ziet ze in haar vrije tijd?

Vier pagina tellend interview uit het dubbeldikke zomernummer van HP/De Tijd, juli 2019. Lees het gehele interview hier.

BOEKEN
“Een van de boeken die de laatste tijd veel indruk op me heeft gemaakt, is The Hate U Give van Angie Thomas. Het is een waargebeurd verhaal over een zestienjarig meisje dat in een zwarte wijk woont maar naar een witte school gaat. In haar buurt wil ze niet te wit overkomen, op haar school juist niet te zwart. Die spagaat, waarin veel jonge zwarte meisjes verkeren, wordt heel inzichtelijk gemaakt. Het boek maakte zoveel indruk omdat het perspectief waaruit het is geschreven voor mij zo herkenbaar is; er zijn namelijk weinig boeken die geschreven zijn vanuit het perspectief van een zwarte vrouw. Het boek heeft ook een universeel thema, waarmee ik niet wil zeggen dat wij hier dezelfde problematiek hebben als in Amerika, maar etnisch profileren staat ook hier op de agenda. Vorig jaar heb ik de film ook gezien. Ik begon na twee minuten te huilen en dat is niet meer gestopt. De reacties die ik achteraf hoorde, van zowel zwarte mensen als niet-zwarte mensen, is dat het verhaal een perspectief biedt dat ze totaal niet kennen en duidelijk maakt waar je tegenaan loopt growing up black. Ik denk dat literatuur, en kunst in het algemeen, een onmisbaar middel is om de wereld om ons heen te begrijpen. Kunst is in die zin van onschatbare waarde voor een gezonde samenleving.”

THEATER
“Ik hou van dans, ik hou van stand-up comedy en ik hou van toneel. Als het om dans gaat vind ik alles geweldig. Ik ben zelf natuurlijk danseres geweest en ga daarom zo vaak als het uitkomt naar het Nationaal Ballet. Niet zo lang geleden was ik met een vriendin naar een uitvoering van Cinderella. Wat ik heel mooi vond, is dat ze heel innovatief waren geweest met het decor en de effecten. Het stuk kwam daardoor echt tot leven. Aan het eind van het jaar ga ik naar Alvin Ailey American Dance Theater in Rotterdam. Dat is echt een jeugddroom die uitkomt om hen een keer te zien. Alvin Ailey is zo ongeveer de standaard voor elke zwarte danser. Ze brengen klassiek, modern en jazz en hebben een kwaliteitslevel dat echt ongekend is. Daarbij is het een all black gezelschap wat een hele bijzondere dimensie toevoegt aan de voorstellingen die ze maken. We zijn het niet gewend om all black klassieke dans te zien, we zijn het niet gewend om die – ik ga het toch maar zeggen – fysieke zwartheid te zien. Ik kijk hier dus echt al een jaar naar uit. Ik hou ook erg van black stand up comedy: ik ben een enorme fan van Chris Rock en ik moet altijd lachen om Trevor Noah. Amy Schumer vind ik soms leuk, maar ik kan me niet altijd met haar identificeren. Wat ik niet leuk vind daar kijk ik ook niet naar. Het is voor mij sowieso lastig om iets negatiefs te zeggen, want alles wat ik zeg is uitlokking, dus als ik nu ga zeggen wie ik niet leuk vind dan weet ik zeker dat er een backlash komt. Dat gezegd hebbende: ik heb nog nooit moeten lachen om de oudejaarsconferences van Guido Weijers. Ik zou het heel gaaf vinden als een keer een zwarte cabaretier de oudejaars doet. Mo Hirsi, een vriend van me, heeft het afgelopen jaar in de theaters als eerste allochtoon een oudejaarsconference gedaan. Ik hoop dat hij landelijk ook een kans krijgt. Ik ga ten slotte ook graag naar toneel. Vanavond ga ik naar de voorstelling Black Memories van Danstheater AYA, een voorstelling over ons koloniaal verleden. Ik merk wel dat ik vaak stukken op zoek waar ik mezelf in kan herkennen. Dat betekent in de praktijk dat ik naar kleinere theaters moet en stukken zie die korter lopen dan bijvoorbeeld de stukken van Internationaal Theater Amsterdam, waar ik me als zwarte vrouw niet zo vaak in kan herkennen. Dat had ik met kunst ook lange tijd, totdat ik de tentoonstelling Black is Beautiful zag in de Nieuwe Kerk. Voor het eerst werd de focus gelegd op de zwarte mens in de Nederlandse schilderkunst. Ik ga graag naar musea, maar ik kan me zelden herkennen in een kunstwerk. Bij deze tentoonstelling was het voor het eerst dat ik dat wel kon.”

MUZIEK
“Er zijn misschien wel twintig artiesten waar ik al meer dan dertig jaar naar luister, maar er is niemand in het bijzonder waar ik fan van ben. Prince is wel een favoriet. Die heb ik leren kennen toen ik twaalf was en die luister ik nog steeds. Hij was niet alleen muzikaal innovatief, maar ook iemand die het belang van vrije geesten propageerde. Michael Jackson was ook een favoriet, maar daar luister ik niet meer actief naar sinds ik die documentaire heb gezien waarin hij wordt beschuldigd van kindermisbruik. Laatst liep ik in de supermarkt en toen hoorde ik op de achtergrond zijn nummer Pretty Young Thing. Daar luister je dan toch met andere oren naar. Aan de andere kant hoorde ik laatst ook een nummer van hem van toen hij een jaar of acht was, maar daar had ik minder moeite mee. Ik dacht: hier mag ik nog van genieten, want hier was hij nog onschuldig. R. Kelly is een heel ander verhaal. Dat was ook een favoriet van mij, maar daar ben ik helemaal klaar mee. Ook hij raakte in opspraak omdat hij seks zou hebben gehad met minderjarigen. In beide gevallen ben ik ervan overtuigd dat er grensoverschrijdend gedrag heeft plaatsgevonden. Dat doet in zekere zin niets af aan de kwaliteit van hun muziek, maar ik vind het moeilijk om met die kennis van die muziek te genieten.”

Rudi Fuchs: ‘Wat je niet kunt zeggen, kun je ook niet zien’

Kunsthistoricus en oud-museumdirecteur Rudi Fuchs (77) stelde de tentoonstelling Licht in kleur – Edgar Fernhout samen voor Museum Kranenburgh in Bergen (NH). Wat leest, luistert en ziet hij in zijn vrije tijd?

Interview in het juninummer van HP/De Tijd. (2019)

BOEKEN
“Ik lees heel veel door elkaar heen, maar het zijn meestal gedichten die ik lees. Daar krijg ik geen genoeg van. Gedichten hebben mij altijd geholpen om naar kunst te kijken. Mijn leermeester, hoogleraar Henri van de Waal, heeft mij geleerd: wat je niet kunt zeggen, kun je ook niet zien. Hij bedoelde daarmee dat je de taal los moet maken in je hoofd om onder woorden te kunnen brengen wat je ziet. En dat losmaken – dat heb ik van begin af aan zo gevoeld – doe je door gedichten te lezen. In allerlei talen. Zelfs ook talen die je niet begrijpt. Daardoor leer je klanken kennen. Je komt er ook achter dat een woord naast elk ander woord kan staan. Je kunt zeggen dat iets ‘strak rood’ is, ‘broeiend rood’ of ‘kokend rood’ – ik noem maar wat. Het kan alles zijn. Dat geldt ook voor kunstwerken. Elk kunstwerk kan naast elk ander kunstwerk hangen. Zie je trouwens dat schilderij dat daar hangt? Dat is van Arnulf Rainer. Ik kijk daarnaar zoals ik ook naar een zin kijk als ik aan het schrijven ben. Je kunt schrijven: ‘Het is warm vandaag’, ‘Vandaag is het warm’ of ‘Het is vandaag warm’. Zo kun je ook naar dit schilderij kijken. Dat zwart, valt dat nu of zweeft het? Of allebei tegelijkertijd? Of misschien is het wel zo dat het bruin valt en het zwart blijft hangen. Ik schrijf om te kijken en ik kijk om te schrijven.”

THEATER
“Ik zei net dat poëzie de woorden losmaakt die je kunt gebruiken om kunst te beschrijven, maar theater maakt de ruimte los die je kunt gebruiken om kunst te presenteren. Een gemiddelde museumzaal is strontsaai. Het is altijd wit. Ik ben als museumdirecteur een van de eersten geweest die de muren verschillende kleuren heeft gegeven, die schilderijen hoger en lager ging hangen en die het aandurfde om verschillende kunstwerken door elkaar heen te hangen. Ik weet nog dat ik in de tijd als directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven een zaal moest inrichten. Ik had een werk van Sol Lewitt aangekocht, ik had een grijs kwadraat van Charlton en daar moest nog iets bij. Toen heb ik daar een Mondriaan uit 1930 bij gehangen. Mijn collega’s vonden dat raar, hoe kun je dat doen, maar ik vond het gewoon mooi. Ik meende dat die werken elkaar juist verscherpten door ze naast elkaar te hangen. Niets is te gek. Kijk eens naar het schilderij van Arnulf Rainer waar ik het net over had. Dat hangt niet in het midden van de muur, dat hangt schuin boven de haard. Dat rode vierkant van Steven Aalders is bewust daar op de grond geplaatst. Dat vind ik wel leuk. Het spelen met dat ophangen en neerzetten, met die mise-en-scène, heb ik geleerd bij het theater. Eind jaren zestig kwam ik in contact met Jannis Kounellis. Via hem kwam ik in contact met regisseur Carlo Quartucci, de oprichter van theatergroep Camion. Samen met zijn vrouw Carla Tatò, die we altijd ‘La Spectacola’ noemden vanwege haar enorme bos haar, was hij drijvende kracht van het gezelschap. Ze speelden moderne theaterstukken van schrijvers als Luigi Pirandello en Samuel Beckett. Mijn rol was om af en toe iets voor het gezelschap te schrijven. Kounellis zorgde voor het beeld bij de voorstellingen, dat natuurlijk net zo belangrijk is als de tekst. Deze groep mensen had het idee dat ze een gezamenlijk kunstwerk maakten met taal, muziek, kleur, vorm en beeld. Al die verschillende kunstvormen versterkten elkaar.”

BEELDENDE KUNST
“Ik kom nog af en toe in het Stedelijk, maar met gemengde gevoelens. Er zijn een paar mensen van mijn oude team aan wie ik ben verknocht, maar die zie ik zo ook wel. Als ik daar kom, word ik met grote eerbied ontvangen, dat wel, maar het is me te stijf geworden, te formeel, ook de tentoonstellingen. Alles wordt wetenschappelijk dichtgespijkerd. Niets mag meer. Alles is verboden. Drie jaar geleden werd ik door het museum uitgenodigd om een tentoonstelling te maken waarin ik terugkijk op mijn loopbaan als museumdirecteur en tentoonstellingsmaker. Ik was daar aanwezig om de werken op te hangen, maar ik mocht ze niet aanraken – kunstwerken die ik nota 2 Locatie, Auteur bene zelf had aangekocht. Ik wist niet wat ik hoorde. Heb jij weleens een kunstenaar gezien die zijn eigen werk met 4 handschoenen aanpakt? Ik niet. Het depot is ook een probleem. Vroeger zat dat gewoon in de kelder van het museum. Als je iets nodig had, dan liep je even naar de kelder en dan haalde je het op – alsof je iets uit de ijskast pakt. Het depot is nu bij de westelijke haven. Daar moet je dus eerst al naartoe als je een werk wilt hebben, dan moeten die werken volgens de nieuwe kunstpolitie ook nog eens op allerlei manieren worden verpakt en gecontroleerd en vervolgens ook nog eens met speciaal vervoer naar het museum worden gebracht. Het duurt minimaal een week voor je een schilderij hebt. Ik vind dat oprecht een groot probleem. De ruimte waar toen die tentoonstelling werd gehouden, is nu een zaal waarin stukken uit het depot worden tentoongesteld. Beatrix Ruf (de toenmalig directeur van het Stedelijk – red.) had aan Rem Koolhaas gevraagd of hij metalen schuifwanden wilde ontwerpen zodat je een dynamische ruimte krijgt. Dat heet nu Stedelijk Base. De wanden blijken echter zo zwaar dat je ze nauwelijks kunt bewegen. En de werken die er hangen, hangen er al vanaf het begin. Vroeger veranderden we soms maandelijks de mise-en-scène, hier is die al twee jaar hetzelfde. Je kunt die zaal bij een volgend bezoek dus rustig overslaan.
“Ik heb zo veel kunstwerken gezien in mijn leven – ik heb bijna te veel gezien. Daarom ga ik ook niet zo vaak meer op reis. Het idee dat ik naar Parijs zou moeten… Wat moet ik daar doen? Ik heb alles daar al honderd keer gezien. Ik kan wel nog steeds ontroerd raken door kunst. Dat gebeurde onlangs bijvoorbeeld toen ik dat rode vierkant van Steven Aalders zag. Ik raakte ontroerd door de eenvoud van dat vierkant. Ik moet ineens denken aan een van de eerste ervaringen die ik met kunst heb gehad. Als jongetje van een jaar of veertien zag ik Compositie in wit en zwart van Piet Mondriaan voor het eerst. Ik begreep meteen dat het iets heel bijzonders was waar ik naar keek. De meeste mensen die er voorbijlopen, denken dat ze kijken naar een paar zwarte lijnen op een wit vlak. Het zijn geen lijnen. Het zijn rechthoeken. Van de witte rechthoeken is geen een hetzelfde. Ook de zwarte rechthoeken verschillen allemaal van lengte en breedte. Je moet kijken. Pas dan zie je het.”

Gerard Spong: ‘Mijn afvalligheid begon op mijn zestiende’

Strafpleiter Gerard Spong (72) staat in de theaters met zijn college-voorstelling In vertrouwen. Wat ziet, leest en luistert hij zoal in zijn vrije tijd?

Boeken
“Ik lees voor mijn werk natuurlijk de hele dag, maar dan vooral vakliteratuur. En ik lees veel kranten, dat kost ook de nodige tijd. ’s Avonds in bed lees ik niet; dan val ik meestal direct in slaap. Als ik lees, dan lees ik vooral hapsnap tussen de bedrijven door. Op dit moment heb ik drie boeken op mijn bureau liggen: de Ilias van Homerus, Hitlers Eliten nach 1945 van Brüder Grimm en De glijbaan van een president van Eric Daalder. De Ilias lees ik voor het eerst. Het is een waanzinnig interessant, maar ook heel moeilijk boek. Soms ben ik na drie pagina’s al doodmoe. Hitlers Eliten nach 1945 gaat met name over hoe Duitse nazirechters na de oorlog op allerlei mooie posten zijn terechtgekomen. Het verbazingwekkende is dat dit relatief open en bloot heeft kunnen plaatsvinden. Het is puur gissen waarom ze die mensen nooit hebben berecht. Ik denk dat er enerzijds behoefte was om een aantal hoofdfiguren van het naziregime schuldig te verklaren – denk aan de Processen van Neurenberg – maar dat anderzijds de amorfe nazimassa te groot was om juridisch aan te pakken. Het was dus de makkelijkste oplossing om het naziverleden van die rechters maar een beetje te verdoezelen. De glijbaan van een president is ook een heel mooi boek. Eric Daalder is een confrère van mij, hij was lange tijd advocaat in Den Haag. Later was hij landsadvocaat en sinds enkele jaren is hij bestuursrechter bij de Raad van State. Dit boek gaat over Nixon en Watergate. Er zijn natuurlijk ontzettend veel parallellen te trekken tussen Nixon en Trump. De leugenachtigheid is er daar een van. Nixon heeft misdrijven gepleegd, maar ik durf wel te stellen, althans het lijkt er heel sterk op, dat Trump wat dat betreft zijn gelijke is – alleen is het bij hem nog niet bewezen.”
“Er zijn drie schrijvers die ik bewonder: Gerard Reve, Gerrit Komrij en Willem Frederik Hermans. Reve bewonder ik onder meer om zijn boek Nader tot U. Ik heb in mijn huis drie prachtige handgeschreven gedichten van hem hangen die ik van hem cadeau heb gekregen toen ik zijn partner in een rechtszaak had bijgestaan. Komrij en Hermans hebben natuurlijk veel gemeen met elkaar. Ze hebben een buitengewoon scherpe pen en ze zijn voor de duvel niet bang. Dat trekt mij erg aan in hun werk. Ik voel me erg verwant met die twee; ik houd mij voor dat ik dezelfde normen en waarden hanteer.”
“Een boek dat mij in zekere zin heeft gevormd is Why I Am Not a Christian van Bertrand Russell. Het heeft ertoe bijgedragen dat ik me heb afgekeerd van het geloof. Mijn afvalligheid begon op mijn zestiende. Ik speelde drums in een bandje en we hadden een contract met de Oecumenische Kerk in Oegstgeest. Daarin stond dat we elke week gratis mochten repeteren in het patronaatsgebouw, maar dat we als tegenprestatie elke maand een concert moesten geven voor de jeugd uit de buurt. Dat deden we, maar op een gegeven moment kwam de pastoor naar me toe en zei: ‘U mag die liederlijke liederen van The Rolling Stones en dat soort bands niet meer spelen!’ Ik vroeg aan hem waarom dat niet mocht. Hij antwoordde: ‘U drijft daarmee de jeugd de bosjes in en daar doen ze allemaal vieze dingen.’ Ik vond dat een rare opmerking. ‘Dat is toch juist mooi, pastoor,’ zei ik, ‘dat ze in de bosjes verdwijnen? Daar heeft u uw leven aan te danken!’ Een jaar of vier later las ik dit boek en opeens zag ik de gedachten die ik over het geloof had onder woorden gebracht.”

MUZIEK
“Mijn favoriete componist is Gioachino Rossini. Ik heb mijn hele leven affiniteit gehad met klassieke muziek, maar vele jaren terug werd ik opeens gegrepen door zijn composities. Dat begon met de William Tell Overture. Ik vind dat werkelijk een prachtig stuk, dat overigens ook wordt gebruikt als soundtrack van A Clockwork Orange van Stanley Kubrick. Rossini heeft natuurlijk iets van Beethoven, maar het is Beethoven light. Zijn composities zijn veel lichter dan de zware werken van Beethoven. Tenminste, zo zie ik het. Misschien trap ik op de ziel van menig muziekliefhebber, maar dat moeten ze me dan maar vergeven. Een ander stuk waar ik naar kan blijven luisteren is het tweede pianoconcert van Rachmaninov. Ik heb dat leren waarderen door een vriendin op wie ik waanzinnig verliefd was en in een zeer romantische periode in mijn leven draaide ik dit pianoconcert dus veel. De eerste klanken brengen me nog steeds in vervoering en nemen me als het ware mee naar die tijd.”
“Ik ben totaal niet eenkennig wat betreft muziek. Ik ontdek nog steeds nieuwe muziek, zoals bijvoorbeeld laatst Hou je bek en bef me van Merol. Je moet durf hebben om zoiets te zingen en in die durf gaat een zekere artisticiteit schuil. Het kenmerk van iedere grote kunstenaar is dat hij of zij grenzen verlegt. Zij heeft de durf om met haar teksten die grenzen te verleggen. Daarom zie ik haar ook als een groot kunstenaar. Ik heb haar nog niet live gezien, maar wellicht komt het daar ooit een keer van. Ik ben sowieso niet zo’n concertganger. Ik ben niet zo lang geleden wel bij Sheila E. geweest in Paradiso en ik kom ook weleens in het Concertgebouw, maar ik heb geen abonnement. Zo’n abonnement vind ik muzikaal masochisme.”

Lees het gehele interview in het meinummer van HP/De Tijd. (2019)