Eddy Posthuma de Boer: ‘Ik ben gezegend met twee geheugens’

Eddy Posthuma de Boer (1931) is al meer dan zestig jaar fotograaf. Hij bezocht meer dan tachtig landen en fotografeerde voor verschillende kranten en tijdschriften – onder meer voor de Haagsche PostAvenue en Time-Life. Hij publiceerde een groot aantal fotoboeken en had diverse tentoonstellingen. 

Meer lezen over Eddy Posthuma de Boer: ‘Ik ben gezegend met twee geheugens’

Theo Hiddema: ‘We leven in het decennium van de schijterigheid’

De markante strafrechtadvocaat Theo Hiddema (73) is sinds dit jaar ook Tweede Kamerlid. Welke boeken, films en andere kunstwerken hebben hem zoal beïnvloed?

Interview voor het kerstnummer van HP/De Tijd, 2017.

BOEKEN
“Ik kom van het platteland. Dat aardrijkskundige isolement leidt altijd een beetje tot beslotenheid van karakter. En als je dan ook nog een nakomertje bent, en je hebt alleen maar grote weiden en horizon om je heen, dan zoek je vertroosting. Dus ik begon pillen te lezen. De avonturen van Huckleberry Finn van Mark Twain vond ik schitterend. En Pieter Marits – Lotgevallen van een Transvaalschen boerenjongen van August Niemann, over een heldhaftige Zuid- Afrikaanse boer die tegen de Engelsen vocht. En P.G. Wodehouse. Als je die niet kent, dan moet je daar maar snel aan beginnen, want je leven is waardeloos als je die niet gelezen hebt. P.G. Wodehouse beschreef de Engelse hogere klasse. Vrijgezelle kasteelheren met immense vermogens die zich bij wijze van levensbesteding bezighielden met het fokken van kampioensvarkens – ik zeg maar wat. Maar zo verschrikkelijk humoristisch… Als ik mijzelf zou kunnen betrappen op enig gevoel voor humor, dan is het me door deze boeken aan komen waaien.”

MUZIEK
“Ik ben een allemansvriend. Ik sta open voor alle muzieksoorten. Van klassiek tot rock tot dance. Ik vind het zo jammer dat de gemeente in deze zone van Amsterdam een geluidsnorm heeft gesteld voor dancemuziek op rondvarende boten. Ja, je moet natuurlijk niet iedere dag van die muziek hebben, maar als er bijvoorbeeld Gay Pride was, vond ik het enig dat je in de verte dat gebonk hoorde aankomen. Dat gedreun resoneerde zo mooi tegen de gevels in de verte. De decibellen bouwden zich langzaam op – met de climax pal voor je deur. Een orgie van lawaai. Heerlijk. Maar dat mag niet meer van de ouwewijvenheren. (…) Duitse schlagers vind ik ook schitterend. Helene Fischer is een van mijn favorieten. De manier waarop ze met de Duitse taal omgaat, is buitenaards. Haar teksten zijn ware poëzie. En dan dat parelend stemgeluid. Ongekend prachtig. En ze mag er ook wezen. Het is een pretje om naar te kijken. Mijn favoriete nummer van haar is Wär’ heut’ mein letzter Tag. Ze bezingt hierin de immense liefde voor haar partner en die is allesomvattend. Als pardoes haar laatste dag zou aanbreken, dan zou dat geen probleem zijn, zingt ze, als hij maar bij haar is.”

FILM
“We leven in het decennium van de schijterigheid. Dat brengt met zich mee dat een heleboel kunstuitingen zich vrijwillig in dezelfde richting bewegen als de aanschouwers, en dan weet ik al dat ik daar niet door word geprikkeld. Vandaar ook dat ik die oude films kijk. Die zijn libertijns, onbekommerd. De films van komedielegendes W.C. Fields en Mae West zijn bijvoorbeeld totaal politiek incorrect. Heerlijk!
En wat kijk ik verder dan zoal? Te veel om op te noemen. Ik heb genoten van dat epos van Rainer Werner Fassbinder, Berlin Alexanderplatz. Les Choses de la vie van Claude Sautet vond ik een prachtige film, La terrazza met Vittorio Gassman ook. (…) Ik noem nog even Garrison Keillor, want je wilt de mensen toch ook vooruithelpen. Keillor heeft een vast theater in Saint Paul (Minnesota) waar wekelijks een show wordt opgevoerd met countryliedjes, hoorspelen, een detectiveserie à la Philip Marlowe van Raymond Chandler. Hij praat de boel aan elkaar en vertelt tussendoor achteloos wat verhaaltjes waarin hij het leven van de eenvoudige Midwest-bewoner beschrijft. Hij is een soort mengeling tussen Toon Hermans en Herman Finkers. De shows worden opgenomen en op meer dan vijfhonderd radiozenders uitgezonden. Ik luister er al meer dan dertig jaar naar. Robert Altman heeft, vlak voor hij stierf, nog een film over hem gemaakt: A Prairie Home Companion. Hij dacht: voor ik er niet meer ben, moet dit vastgelegd worden. Dit is uniek. Garrison Keillor speelt zichzelf. De countrysterren worden gespeeld door Meryl Streep, die prachtig kan zingen, Kevin Kline en Tommy Lee Jones. Gedurende de film ontwikkelen zich allerlei liefdesscènes en zie je wat er in zo’n theaterwereld gebeurt. Het is een prachtige film. Ik heb hem vier keer gezien. Een van de leukste verhalen die ik ooit heb gehoord is ‘The Wonder of Spring’. Het staat op Youtube. Keillor beschrijft daarin zijn eerste fysieke contact met een meisje. Hoe hij zich in een schoolbus tegen een meisje aandrukt omdat niemand naast hem wil zitten. Schitterend.”

Het gehele interview met Theo Hiddema is hier te lezen.

 

Erica Terpstra: ‘Kleintje Pils is mijn guilty pleasure’

In november zijn de voorlopig laatste afleveringen te zien van Erica op reis, het reisprogramma vanvoormalig VVD-politica Erica Terpstra (74). Wat leest, kijkt en luistert zij zoal in haar vrije tijd?

Interview voor HP/De Stijl, november 2017.

Boeken
“Ik ben ontzettend nieuwsgierig en wil altijd alles weten. Daarom lees ik ook zo graag. Dat begon als kind met boeken als De kinderkaravaan van An Rutgers van der Loeff. Op zaterdagavond zat ik dan naast de kachel op de grond te lezen. Naast mij stond een schoteltje met pelpinda’s, want dat was het enige wat je had. Het boek gaat over zeven kinderen die een gevaarlijke tocht ondernemen door het ruige landschap van Noord-Amerika. Daar kon je zo heerlijk bij wegdromen. Bijna zeventig jaar later doe ik dat nog steeds. Ik lees bijvoorbeeld heel graag de boeken van Redmond O’Hanlon. Naar het hart van Borneo en Tussen Orinoco en Amazone zijn mijn favorieten. Als ik dat lees, word ik helemaal gelukkig. In zijn boeken schrijft hij over zijn reizen, over de hitte en het ongemak en het ongedierte, maar ook over de prachtige ontmoetingen die hij heeft. Hij heeft ook een serie gemaakt voor de VPRO: O’Hanlons helden, waarin hij in de voetsporen van negentiende-eeuwse ontdekkingsreizigers treedt. Ik ben nooit zo dweperig met andere mensen, maar hem bewonder ik geweldig. (…)”

Beeldende kunst
“Ik raak elke keer weer ontroerd door De Denker van Rodin. Dat was al zo toen ik het beeld meer dan vijftig jaar geleden voor het eerst zag. Ik was voor mijn allereerste internationale zwemwedstrijd in Parijs. Normaal zie je, als je met een sportploeg ergens heen gaat, alleen de binnenkant van je vervoermiddel, je hotel en je sporthal. En dat is het dan wel. Ik had het geluk dat ik een samenstel vormde met Ada Kok, Ria van Velsen en Klenie Bimolt. We waren niet alleen de wereldtop, dat was al mazzel tot en met, maar hadden ook allemaal interesse in cultuur. Dat is ontzettend leuk. Dan ben je niet de enige die zegt: kom, we gaan vanmiddag tussen de trainingen door eens een museum in. En toen zag ik in het Musée Rodin De Denker dus voor het eerst. Het kwam meteen binnen. Ik weet niet precies waarom – misschien omdat er iets van dat contemplatieve in zit. Ik moest hem ook meteen even aanraken. Dat heb ik altijd gehad met beelden. Even contact maken. Een beeld heeft ook een ziel.”

Muziek
“Veel muziek hoor ik via de televisie. Als ik aan het werk ben, zet ik Stingray Brava op, waar vaak orkesten op te horen en te zien zijn. Waar ik wel echt voor ga zitten is Podium Witteman. Prachtig en heel toegankelijk. En ik kijk elke zondagochtend naar Vrije Geluiden op NPO 1. Ze hebben altijd goede muzikanten en nu ook een heel leuke presentatrice: Giovanca. Waar ik ook erg van hou, en dat mag je gerust een guilty pleasure noemen, is Kleintje Pils. Ik moet meteen denken aan Thialf en aan al die Olympische Spelen, waaronder die in Vancouver, waar ze geweldig sfeer hebben gemaakt. Ze zeggen dat ik hun grootste fan ben. Het kleine café aan de haven roept bij mij de meeste herinneringen op. Ik kan de tekst woordelijk meezingen. Toen ik zeventig werd, zijn ze als verrassing op mijn verjaardagsfeest komen spelen. En dat was zó leuk… Dat is ook een van die dingen die ik nooit zal vergeten.”

Het gehele interview is hier te lezen op Blendle.

Javier Guzman: ‘Ik heb me lange tijd verantwoordelijk gevoeld voor de dood van mijn vader’

Interview voor Playboy. November 2017.

In zijn nieuwe voorstelling Ga-Bie-Jer maakt Javier Guzman (40) korte metten met zijn driftkikkerimago. Hij stelt zich voor als de verlegen en bescheiden man die hij eigenlijk meent te zijn. Maar vals bescheiden is hij niet: dat hij tot ’s lands beste cabaretiers behoort, durft hij best te erkennen.

1. Reken jij jezelf tot de tien beste cabaretiers van Nederland?

Het is dat anderen het zoveel gezegd hebben, zowel critici als publiek, dat ik wel durf te zeggen dat ik tot de top tien behoor. Een aantal jaren geleden was ik van management veranderd en stond ik opeens tegenover een van de beste theaterboekers van Nederland. Hij keek me aan en zei: ‘Je weet nu wel tot welke categorie je behoort?’ Ik antwoordde zonder valse bescheidenheid: ‘Ik denk dat ik wel tot de vijftig beste cabaretiers van Nederland behoor.’ Hij keek me beduusd aan. ‘Vijftig? Je staat op dit moment in de top vijf van beste cabaretiers van ons land!’ Toen pleurde de tonic uit m’n poten. Ik was alleen maar bezig met spelen. Ik had daar totaal geen zicht op.

2. Zou je iets aan jezelf willen veranderen?

Ik zou me minder schuldig willen voelen. Ik voel me altijd schuldig. Over alles. Ik hoop dat ik het niet alleen op het toneel maar ook privé fijn zal hebben. Ik heb het nu fijner dan ik lange tijd heb gehad. Ik heb een hele lieve vriendin en ben steeds beter in balans. Ik heb het gevoel dat ik op een kantelpunt in mijn leven sta: ik vind steeds meer innerlijke rust, ik weet mijn tijd steeds beter in te delen en wordt steeds gelukkiger.

3. Wat is op dit moment het grootste verdriet in je leven?

De zelfmoord van mijn vader. In het laatste gesprek dat we hadden kregen we ruzie. Ik onderhield hem financieel en zei dat ik daar even mee zou stoppen. Dat het voor hem tijd werd om op eigen benen te gaan staan. En toen zei hij: ‘Dat kun je wel doen, maar dan maak ik er een eind aan.’ Ik dacht dat het gewoon bluf was. Want dat deed hij wel vaker. Bluffen. Maar dit was een van de weinige keren dat hij dat niet deed. Ik heb me lange tijd verantwoordelijk gevoeld voor zijn dood. En nog steeds. Daar komt dat altijd aanwezige schuldgevoel ook vandaan, denk ik.

4. In je voorstelling Ga-Bie-Jer stel je jezelf ‘opnieuw voor aan het publiek’. Wat is de grootste misvatting die onder dat publiek er over jou bestaat?

Na lang aarzelen: “Dat ik op het toneel net zo ben als in het echt. Ik denk dat mensen verwachten dat ik in het dagelijks leven een nietsontziende rauwdouwer ben, maar eigenlijk ben ik een heel bescheiden en verlegen man. Ik ben wel een enfant terrible maar dat zit hem niet in fysieke agressie”

5. Hoe kan het dan dat je meermaals in het nieuws bent geweest met vechtpartijen?

Dat berust allemaal op een misvatting. Van het eerste incident waarmee ik het nieuws haalde, die vechtpartij op de Zeedijk, was ik niet de agressor. Mijn broer en ik werden tot pulp geslagen en wij sloegen terug. Ik kreeg wel van alle kanten de schuld in de schoenen geschoven. Als ik al vecht, dan vecht ik voor mijn vrijheid. Ik ben nog nooit een vechtpartij begonnen. En de keren dat ik agressief was en iets moest het ontgelden, dan waren dat tafels en stoelen. Geen mensen.

6. Toch kwam je in 2013 weer in het nieuws omdat je cabaretier Martijn Koning bij zijn huis met een stroomstootwapen zou hebben bedreigd. Is dat dan verzonnen?

Lees het antwoord op deze vraag op Blendle.

 

Jan Cremer: ‘Er is een overvloed aan schrijvers en kunstenaars’

Op 17 november verschijnt het nieuwste boek van schrijver/schilder Jan Cremer: Sirenen. Reden voor HP/De Tijd om deze vroegere kunstnozem te spreken over het culturele klimaat in Nederland. Hij is onverbiddelijk: “Iedereen denkt tegenwoordig dat hij een boek kan schrijven en een schilderij kan maken.”

Cremer heeft niet veel op met collega-schrijvers: “Literatuur vind ik tijdverspilling. Ik denk vaak al op de eerste pagina: dat had ik veel beter kunnen schrijven. Ik heb ook niets met die krampachtige mooischrijverij die je vaak ziet. Jonge schrijvers leiden vaak een verwend leven. Daardoor blijven ze aan de oppervlakte. Je moet onheil en ellende, oorlogen en armoe hebben doorleefd om daarover te kunnen schrijven.”

“De schrijvers van nu komen vaak niet verder dan het beschrijven van de dop, terwijl je de noot moet kraken om een goed verhaal te vertellen,” vervolgt hij. “Ik zou heel makkelijk een prachtig boek kunnen schrijven waarvan de mensen al bij de eerste zin tranen in hun ogen krijgen. Dat is helemaal niet moeilijk. Maar dat wil ik niet. Ik schrijf kordaat en scherp. Zonder opsmuk. Dat is mijn stijl. Ik kan niet anders.”

‘Iedereen is tegenwoordig kunstenaar’

Ook gispt hij de hedendaagse kunstwereld: “Ik moet niet interessant gaan doen en zeggen dat ik graag musea bezoek, want dat is niet zo”, zegt hij verderop in het interview. “Ik ga meestal meteen op zoek naar de bar. Ik kom er wel, meestal met mijn vrouw, want die houdt er wel van, maar dan heb ik het na vijf minuten wel gezien.” (…) “Vroeger, als je het Stedelijk binnenliep, hing daar de geur van olieverf. Dat is niet meer.”

“Je komt in musea nauwelijks nog een olieverfschilderij tegen. ‘Schilderen is oorlog,’ heb ik weleens gezegd. Olieverfschilderen is een doek aanvallen. Dat is durf. Dat is de materie beheersen. Nu wordt er vaak voor de makkelijke oplossing gekozen. Als je naar een expositie gaat kijken van pas afgestudeerde studenten van de Rijksacademie, dan zitten er tussen die honderd studenten misschien twee van wie je zegt: dat zou weleens iets kunnen worden. Bij de rest ontbreekt de spanning.”

Cremer stelt dat de schilderswereld aan het inslapen is. “Er is ook een overvloed aan kunstenaars. Iedereen is kunstenaar tegenwoordig. Toen ik in 1958 in Den Haag begon met schilderen, woonden er dertig kunstenaars in de stad. We kenden elkaar allemaal. In Amsterdam waren dat er zestig. Die troffen elkaar elke avond in Café Eijlders. Nu wonen er niet zestig maar zesduizend kunstenaars in de stad en die staan allemaal aan de ruif. Hetzelfde geldt voor schrijvers. Toen Ik Jan Cremer in 1964 verscheen bij De Bezige Bij, waren dat allen serieuze schrijvers. Nu zijn er duizenden mensen die een boek denken te kunnen schrijven. Het is een andere wereld geworden.”

‘De Derde Wereldoorlog is begonnen’

Tot slot waarschuwt hij voor de gevaren van de vooruitgang: “Volgens mij onderschatten wij de gevaren van de nieuwe techniek. De Derde Wereldoorlog is twintig jaar geleden begonnen met de komst van internet. Hackaanvallen zijn aanslagen van nu. We zijn compleet afhankelijk geworden van techniek en daarmee geven we de vijand onze wapens in handen. Eén druk op de knop en geen vliegtuig vliegt meer, geen boot vaart meer, geen deur of raam gaat meer open.”

Cremer is niet blij met de komst van zelfrijdende auto’s en vliegtuigen zonder piloot. “Onze vrijheid wordt van ons afgepakt en we hebben het niet door. Wat is er aan te doen? Je zou elke werkloze een hamer en een bijl in handen kunnen geven om de computers in elkaar te slaan. Dat is meteen een oplossing voor het werkloosheidsprobleem.”

Het onverbiddelijke interview met Jan Cremer leest u in zijn geheel in het nieuwe nummer van HP/De Tijdof online op Blendle.

Dimitri Verhulst: ‘Alcohol is het vocht van de democratie’

Aan de vooravond van zijn theatertournee Godverdomse dagen op een godverdomse bol en vlak na verschijning van zijn dichtbundel Stoppen met roken in 87 gedichten een vrijmoedig gesprek met schrijver Dimitri Verhulst (44). Over het jammerlijke verdwijnen van de kroegcultuur, het onbegrijpelijke succes van Karl Ove Knausgård, geloofsfanatici en het vaderschap. ‘Ik ben een uitermate slechte en afwezige vader.’

Lees het gehele interview (acht pagina’s) in het oktobernummer van HP/De Tijd (2017) of op Blendle.

Drie zomers woont hij hier nu, op de tweede verdieping van een monumentaal pand in het centrum van Gent, en nergens voelt hij zich zo senang als op deze plek. Dimitri Verhulst is eindelijk thuis. Zijn appartement is opvallend ordentelijk ingericht. Hij woont, denk ik terwijl ik om mij heen kijk, zoals hij praat en schrijft: er staan weinig spullen, maar dat wat er staat, is mooi en staat er met een reden.

Wat doe jij in Gent? Je bent toch helemaal geen stadsmens?
“Ik heb bijna mijn hele leven buiten de stad gewoond, inderdaad. Ik heb ook vijftien jaar lang niet in mijn moedertaal gewoond. Ik heb me plots gerealiseerd hoe hard ik mijn taal heb gemist. Het Nederlands werd een abstract ding, terwijl het mijn werkmateriaal is, mijn grote liefde. En bovendien stelde ik vast dat ik, telkens wanneer ik naar deze stad afreisde, het moeilijk vond om weer weg te gaan.
Als ik een lezing had gedaan, wilde ik altijd nog even de kroeg in om mijn vertrek uit te stellen. Ik heb ooit weleens geschreven dat ik iemand ben die zwalkt tussen bindingsangst en verlatingsangst. Waarschijnlijk is dat wel het geval. Ik ben hier thuis. Het klinkt verschrikkelijk. Ik heb me er altijd tegen verzet om ergens thuis te zijn, maar hier ben ik het.”

Komt dat misschien ook doordat Gent bekendstaat om zijn fijne kroegen?
“Ik ga graag naar de kroeg, ja. Met mensen praten. Muziek maken. Samenleven. Wanneer wij wat vaker in de kroeg gaan zitten – wat ik iedereen aanbeveel, want ik vind dat onze kroegcultuur stervende is – geloof ik dat we de wereld kunnen verbeteren. In de kroeg praten mensen nog met elkaar. Dat heeft niks te maken met bezopen zijn. Ideeën hebben daar seks met elkaar. Daar vermenigvuldigen die ideeën zich ook. Als we nu allemaal wat vaker in de kroeg gaan zitten en wat minder op Facebook en Twitter, dan worden de goede ideeën groter en verspreiden ze zich.” Hij denkt hardop na: “Er zijn ook best wat culturen die alcohol verbieden. Het is wel opvallend dat culturen waar alcohol verboden wordt, ook de culturen zijn waar discussie niet geapprecieerd wordt. Alcohol is het vocht van de democratie. Samen eten is ook heel belangrijk. Alle godsdiensten hebben dieetvoorschriften. De joden vinden dat je dit moet eten en dat niet, van de moslims mag je dat wel eten maar dit niet. Ook de christenen, lees het Oude Testament, hebben iets te zeggen over wat wel en niet op ons bord mag liggen. Maar wat betekent dit in concreto: dat de drie godsdiensten niet samen aan tafel kunnen. De een moet wijn drinken om de Heer te gedenken, de ander mag geen alcohol. Hoe komen we dan tot een samenlevingsmodel? We mógen niet samenleven. De dictatuur van de godsdienst verbiedt het ons. De wereld wordt gered met eten en drinken. I am sorry. Ik heb niets tegen godsdiensten. Ik kan niet in iemand zijn kop gaan kruipen en zeggen: jij mag niet geloven. Ik heb ook geen enkel bewijs dat God niet bestaat. Maar de exponenten van dat geloof vind ik verschrikkelijk. En het fanatisme wordt ook erger met de dag. We dachten dat we er klaar mee waren.”

Interview in ‘De Taalstaat’

Op zaterdag 14 oktober 2017 sprak ik in het radioprogramma ‘De Taalstaat’ (NPO Radio 1) over mijn week in tweets. Ik vertelde presentator Jan Beuving onder meer waarom Spaanse Brabander van G.A. Bredero eigenlijk een heel modern stuk is, waarom A.L. Snijders de beste schrijver van ons land is en over de donderdagcolumn van Jonah Falke in De Gelderlander.

Terugluisteren kan hier: https://www.nporadio1.nl/de-taalstaat/onderwerpen/429044-de-digitaalstaat-nick-muller

Pieter Verhoeff: ‘Humor in literatuur wordt gewantrouwd’

Van regisseur Pieter Verhoeff (1938) gingen op het Nederlands Film Festival twee producties in première: de documentaire Echt Herman Koch en de speelfilm Tokyo Trial. Wat kijkt, leest en luistert deze cineast als hij niet met film bezig is?

Interview voor het oktobernummer (2017) van HP/De Tijd. Het gehele interview is hier te lezen.

BOEKEN
“Ik was in de beginjaren als regisseur nauw betrokken bij Jiskefet en ken Herman Koch zodoende goed. Omdat ik een documentaire over hem heb gemaakt, heb ik de afgelopen tijd alles van hem gelezen en deels herlezen. Het viel me weer op hoe ongelooflijk clever alles in elkaar zit. Die boeken zijn veel diepzinniger dan menigeen denkt. Het is interessant hoe hij bijvoorbeeld speelt met autobiografische gegevens. In Geachte heer M. zit een beschrijving van de begrafenis van de moeder van een vriendje van een van de hoofdpersonages, waarbij hij details van de begrafenis van zijn eigen veel te jong gestorven moeder heeft gebruikt. In Red ons, Maria Montanelli doet de vader van de hoofdpersoon het met een verschrikkelijke Amsterdam Zuidtrut. Ook uit het leven gegrepen. Herman schept er een sardonisch genoegen in om verwarring te scheppen. Hij is, bijvoorbeeld in interviews, even openhartig als dubbelzinnig. Griet Op de Beeck heeft hem eens gevraagd: ‘Als ik jouw boeken nu heel goed en grondig lees, leer ik jou dan echt kennen?’ Waarop hij aarzelend antwoordde: ‘Ja, ik denk het wel.’ Maar dan moet je wel zelf uitzoeken wat echt is en wat niet. Het is jammer dat hij als schrijver door de instituties niet serieus genomen wordt. Ik sprak een jaar geleden met een literatuurcriticus die zei: ‘Koch schrijft geweldig, maar hij zal nooit de P.C. Hooftprijs winnen.’ Als je niet ernstig bent, tel je niet mee. Humor wordt gewantrouwd.”

FILM
“We gaan eens per week met een groep mensen naar de film, waardoor ik de belangrijkste films die er door het jaar heen verschijnen wel zie. Laatst zijn we naar de documentaire over de schrijver James Baldwin geweest: I Am Not Your Negro. Prachtig gemaakt. Baldwin was een tengere zwarte man, die ook nog eens homoseksueel was. De film gaat over een nooit voltooid boek dat hij zou schrijven over zijn drie vermoorde vrienden Malcolm X, Medgar Evers en Martin Luther King. De maker van de film verbindt dat heel mooi met het racisme van nu. Genderbende van de pas aan de filmacademie afgestudeerde Sophie Dros vond ik ook een fantastische documentaire. Het gaat over een aantal mensen die noch man noch vrouw willen zijn. Ze spelen met hun identiteit. Er zit bijvoorbeeld een heteroseksuele jongen in die qua uiterlijk heel vrouwelijk is, maar wel naar het café gaat om met een biertje in de hand naar een voetbalwedstrijd te kijken. Doordat de scenes soms minutenlang duren en de camera niet beweegt, blijf je maar uitgedaagd worden om te kijken. Het is lang geleden dat ik zo’n goede documentaire heb gezien. En dan is het ook nog eens een debuut.
Get out vond ik ook een indrukwekkende film. Het gaat over een donkere jongen die bij zijn kersverse schoonouders op bezoek gaat en daar met open armen wordt ontvangen. Langzamerhand komt hij erachter dat ze iets macabers met hem van plan zijn. De film krijgt zo op den duur alle kenmerken van een horrorfilm, maar dat is het niet – het gaat hier om de horror van de verziekte samenleving. Die vermenging van maatschappijkritiek en horror is geniaal. Mijn favoriete film van de laatste jaren is Toni Erdmann (van Maren Abe), een Duitse film met Sandra Hüller in de hoofdrol. Het is geestig, warm, menselijk en realistisch. Het gaat over een man van in de zestig die een beetje mislukt is. Zijn carrière ging niet goed, zijn vrouw is bij hem weg en dan gaat zijn hond ook nog eens dood. Om opnieuw contact met zijn dochter te krijgen, die suggereert een succesvol leven te leiden als consultant voor een oliemaatschappij, reist hij haar achterna. Hij vermomt zich voortdurend, maar zij heeft al snel door dat hij het is en langzaam zie je haar ontdooien. Heel ontroerend, heel komisch ook, zonder dat het er dik bovenop ligt.
“Een film waar ik naar uitkijk is The Square, die dit jaar in Cannes de Gouden Beer heeft gewonnen, van regisseur Ruben Östlund. In zijn film Turist deed hij me door zijn statische shots en thematiek sterk denken aan de Japanse filmer Ozu. Allebei portretteren ze met lange shots het alledaagse familieleven. In Turist zien we een gezin op vakantie in de bergen. Als een lawine het terras waarop ze zitten dreigt te verwoesten, rent de vader weg. De lawine blijkt het terras echter te missen. Hij komt terug en doet alsof er niets aan de hand is, maar zijn vrouw en kinderen weten: papa heeft ons in de steek gelaten. En hoe ze dat verwerken, daar gaat de film over. De drie beste films die ik ken? Dat is lastig. Goede films zijn vaak films van mensen die je niet moet proberen na te doen. Die hebben zo goed begrepen wat een film moet zijn en wat je met een film kunt doen… Andrej Tarkovksi is zo’n regisseur. Zijn De spiegel en Stalker zijn verbazingwekkend. Of David Lynch met Blue Velvet. Toni Erdmann is toch ook wel mijn toptien van beste films binnengeslopen. Ik houd van deze films omdat ze van zo’n menselijkheid zijn, zonder de mens te idealiseren. De mens deugt niet, maar de pogingen van mensen om elkaar te bereiken, worden op een buitengewoon ontroerende manier gebracht.”

Ode aan Merleyn

Café Merleyn in Doetinchem, het café waar ik sinds mijn zeventiende bijna wekelijks kwam, sloot op 30 september 2017 zijn deuren. Voor De Gelderlander schreef ik een ode.

“De mens is een schemerdier”, schrijft bioloog Midas Dekkers in zijn nieuwste boek Volledige vergunning. “Zou je hem in een tuincentrum kunnen kopen dan stond er ongetwijfeld ‘halfschaduw’ op zijn etiket.” Het boek brengt een ode aan de bruine kroeg. Het ouderwetse dranklokaal dreigt namelijk langzaam maar zeker uit het straatbeeld te verdwijnen. Een hip koffietentje of een luxe bar komt er meestal voor in de plaats.
In de week dat dit boek verschijnt, sluit ironisch genoeg ook mijn stamkroeg zijn deuren. Oplopende lasten en teruglopende baten noopten de uitbater de tap dicht te draaien. Dit schemerdier heeft na vandaag geen drinkplaats meer. Een hele kudde schemerdieren raakt met mij ontheemd. We moeten noodgedwongen op zoek naar een nieuwe stam en een nieuwe kroeg.
Aan mijn vrienden, met wie ik hier vele jaren vele nachtelijke uurtjes heb doorgebracht, vroeg ik laatst wat ze het meest gaan missen aan Merleyn. “Het gebouw”, antwoordde de een. “De mensen”, zei de ander. “Het bier in ieder geval niet. Dat was er de laatste tijd niet te zuipen”, bromde een derde. De meningen waren kortom verdeeld.
Ik heb het gebouw altijd gezien als een metafoor voor de mensen die er komen: het is een vrijstaand pand aan de rand van de straat – een outsider. ‘Licht vervallen’ zou je daar nog aan toe kunnen voegen. De inrichting voldoet aan de belangrijkste kenmerken van een bruine kroeg: het is oud en doorleefd en nooit is er iets veranderd. De vloer is tot op de nerf versleten, de stoelen zijn gammel en in het toilet heb je dikwijls natte zolen. En dat is juist ook de charme van ons kroegje. Dekkers noemt dat morsige karakter in zijn boek heel mooi “een verzoening met de vergankelijkheid in een tijd dat alles wit moet zijn.” In één eikenhouten vloerplank van Merleyn zit meer sfeer dan in heel 22-24.
En dan de mensen. Allereerst is daar Suzan, ons baken in de nacht, de vriendelijke bardame zonder wie het café al jaren eerder zou zijn gesloten. Met haar aanstekelijke vrolijkheid verwarmt ze de hele kroeg. De vele paradijsvogels (eerder nachtdieren dan schemerdieren) die er rondfladderen gedijden het best als zij achter de toog staat.
Ook die zal ik missen: de schipper die uit angst voor heimwee de moed niet heeft om uit te varen, Ome Roon, die we jaren geleden hebben leren kennen toen hij een kerstbal aan zijn tepelpiercing hing en die jarige zwerver – wat is er van hem geworden? Jaren geleden kwamen we hem tegen. Op oudejaarsavond. Hij zat alleen aan de bar en we raakten aan de praat. Hij vertelde dat hij door een ziekte niet meer wist op welke dag hij jarig was en daarom zijn verjaardag maar op oudejaarsavond vierde. Hij had wat geld opzij gezet om het nieuwe (levens)jaar in een verwarmde kroeg in te luiden. Vlak voor sluitingstijd hoorden we een doffe dreun. De zwerver was straalbezopen achterstevoren van zijn kruk gekukeld. Twee mannen tilden hem naar buiten om hem weer bij zinnen te brengen. Daar verdween hij, toen ze even naar binnen waren om hun jas te pakken, als een dief in de nacht.
“Genot komt niet uit een glaasje”, lees ik in Volledige vergunning. In Merleyn was dat soms letterlijk waar. Het bier leek er af en toe wel bedorven. Aan de andere kant was dat ook niet de reden dat we daar kwamen. “Drinken kun je thuis ook, praten doe je de hele dag, je tijd kun je overal verdoen”, staat een paar regels verder, “maar in het café overvalt je een behaaglijkheid die je snel vrede met de wereld doet sluiten. Je versmelt. Voor je het weet lijkt het geluk toch binnen handbereik.” Geluk komt dan misschien niet uit de tap – een tap helpt wel. Waar de glazen worden gevuld worden de hoofden geleegd. Natuurlijk zijn er andere kroegen waar ik mijn genoegen kan zoeken, maar nergens voel ik me zo geborgen als in Merleyn. Geen fauteuil kan op tegen de gammele stoelen in Merleyn. Geen honderd barvrouwen kunnen op tegen Suzan. Geen speciaalbier kan op tegen het bier dat hier geschonken wordt. Ik voel me er thuis zonder het te zijn. Nog heel even. Als ik zondagochtend in de schemer naar huis fiets ben ik dakloos.