Peter van Straaten (1935 – 2016) over ‘Ik weet niet waar ik sterven zal’ van Multatuli

Tekenaar Peter van Straaten (1935 – 2016) over het gedicht ‘Ik weet niet waar ik sterven zal’ van Multatuli. Uit de bundel: Gedichten die mannen aan het huilen maken, 2015. Meer lezen over Peter van Straaten (1935 – 2016) over ‘Ik weet niet waar ik sterven zal’ van Multatuli

De culturele agenda van… Mart Visser

Couturier Mart Visser (1968) ontwerpt twee collecties per jaar en maakt ondertussen ook schilderijen, sculpturen en installaties – waarvan tot half november in Museum aan het Vrijthof in Maastricht een deel wordt tentoongesteld. Wat ziet, leest en luistert hij in de spaarzame vrije tijd die hem rest?

Meer lezen over De culturele agenda van… Mart Visser

Jeroen Krabbé over Pablo Picasso, Lady Di en Dirk Hannema

Jeroen Krabbé (1944) werkt deze hele zomer aan de televisieserie Krabbé zoekt Picasso. Ook is er in het Nationaal Holocaust Museum in Amsterdam een expositie te zien van schilderijen die hij maakte van zijn in Sobibor omgebrachte grootvader. Wat kijkt, ziet en luistert acteur, regisseur en kunstschilder Jeroen Krabbé? Meer lezen over Jeroen Krabbé over Pablo Picasso, Lady Di en Dirk Hannema

Erwin Olaf: ‘Ik wind me ontzettend op over de conservatieve islam. Vre-se-lijk’

Het werk van meesterfotograaf Erwin Olaf (1959) is gevierder dan ooit: een tentoonstelling in het Rijksmuseum, reizen naar Mallorca, Moskou en Hongkong. Terwijl zijn gezondheid steeds brozer wordt, neemt zijn engagement toe. ‘Ik vind dat we onze westerse waarden veel te snel te grabbel gooien.’  Meer lezen over Erwin Olaf: ‘Ik wind me ontzettend op over de conservatieve islam. Vre-se-lijk’

Zelfportret Dick Matena: ‘Ik leef in een wereld die niet meer de mijne is’

Hij leerde het vak in de tekenstudio van Marten Toonder, waar hij – eerst als volontair, later in vaste dienst en als freelancer – mee mocht tekenen aan onder meer de dagelijkse strip van Tom Poes.

In weekblad Prinses publiceerde striptekenaar Dick Matena (1943) voor het eerst een strip onder eigen naam: Polletje Pluim. In de jaren daarna werkte hij onder meer mee aan stripverhalen in weekblad Pep (De Argonautjes, Ridder Roodhart) en de Donald Duck (De Grote Boze Wolf, Tokkie Tor). Eind jaren zeventig krijgt hij internationale bekendheid door zijn nieuwe, realistische manier van tekenen waarmee hij beeldverhalen als Mythen heeft vormgegeven. Diezelfde stijl is terug te vinden in het werk waar we hem tegenwoordig vooral van kennen: zijn ‘verstrippingen’ van romans als De Avonden van Gerard Reve, Kaas van Willem Elsschot en Kort Amerikaans van Jan Wolkers.

Dit jaar zit hij 55 jaar in het vak. Museum Meermanno in Den Haag stelde een overzichtstentoonstelling samen: Dick Matena. Getekend leven. De tentoonstelling geeft in ruim tweehonderd originele tekeningen, schetsen en brieven een beeld van de omvangrijke carrière van ‘s lands bekendste striptekenaar.

Reden voor HP/De Tijd om Dick Matena te onderwerpen aan ‘zelfportret’: een klassieke serie vragen, gebaseerd op de vermaarde questionnaire van Marcel Proust.

Wat is uw huidige gemoedstoestand?
Na een hartinfarct, hartstilstand en hartoperatie is mijn gemoedstoestand: chronisch onrustig en bij vlagen wanhopig. De mentale nasleep is heviger dan de fysieke.

Wie zijn uw helden?
Helden heb ik teveel om op te noemen. In de sport, in de kunst, in het sociale leven – ik ben erg goed in bewonderen. Om er willekeurig een paar te noemen: Hans G. Kresse (de tekenaar van Eric de Noorman), de jonge Elvis en Olivier B. Bommel.

Aan wie ergert u zich?
Aan zelfingenomen mensen die alles wat ze overkomt aan roem, geld en succes vanzelfsprekend vinden. Dat is een eigenschap die vooral bij tv-diva’s veel voorkomt.

Lijkt u op uw vader?
Qua uiterlijk niet. Ik geloof sowieso ook dat je eerder gevormd wordt door het tijdsgewricht waarin je leeft en wat daarin gebeurt, dan door opvoeding en overerving. Al ontken ik het bestaan van genen natuurlijk niet.

Lijkt u op uw moeder?
Qua uiterlijk wel. Voor de rest: zie mijn vorige antwoord. Al vrees ik dat in dit geval via opvoeding een aantal van haar fobieën en angsten ook de mijne geworden zijn. Of via haar genen, vooruit dan maar.

Wat zijn uw dagdromen?
Dagdromen doe je als je jong bent en alles nog mogelijk is. Op mijn tweeënzeventigste kan ik moeilijk nog mijmeren over een toekomst die al geruime tijd achter me ligt.

Wat is uw grootste angst?
Laat ik ‘t maar op doodsangst houden. Want het is toch de angst voor het sterven dat je in leven houdt – je zelfs aan het leven doet vastklampen, ook al lijkt dat leven totaal uitzichtloos.

Bidt u weleens?
Net als iedereen roep ik God weleens aan. ‘Godallemachtig!’ ‘God sta me bij!’ Of: ‘Dat God je moge helpen, mij ontbreekt daarvoor de tijd!’ Als dat bidden is, dan bid ik regelmatig.

Heeft u ooit een mystieke ervaring gehad?
Nee. Ik ben even klinisch dood geweest, maar herinner me geen bijna-doodervaring. Geen tunnel met aan het eind een helder licht waar overleden dierbaren me hartelijk welkom heetten of zoiets. Alleen maar diepe duisternis, helaas.

Bent u aantrekkelijk?
Ooit geweest, toen de wereld jong was en iedereen mooi. Nu maak ik mezelf graag wijs dat ik van binnen mooi ben: geestig, aardig en charmant.

matena

Wat is uw definitie van geluk?
Gelukkig ben je altijd later, nooit op het moment zelf. Geluk is voor de weemoedigen. Geluk is voor zangers en dichters die nostalgisch kunnen wegdromen over vroeger en daar mooie teksten over schrijven, zodat wij die momenten van geluk ook nog even terug kunnen halen.

Waar schaamt u zich voor?
Toen ik jong was schaamde ik me voor alles. Van lieverlee werd dat minder en minder, en nu ik oud ben schaam ik me voor bijna niets meer. En een weekje in een ziekenhuis doet dat ‘bijna’ ook nog verdwijnen.

Bent u monogaam?
Ja, maar dat is ook niet zo moeilijk. De vrouw met wie ik al 41 jaar getrouwd ben, ziet er nog altijd uit als een filmster. Ze is lief als een engel en sexy is ze ook nog. Waarom dan vreemdgaan?

Wanneer heeft u voor het laatst gehuild?
Gisteren.

Hoe moedig bent u?
Wanneer ben je moedig? Een man, ik vond hem altijd een watje, sprong zijn zoon achterna toen die plots in de kolkende zee was verdwenen. Zou ik hem dat nadoen? Geen idee. Helaas zijn ze allebei verdronken. Voor zo’n man neem ik mijn hoed af.

Van wie heeft u het meest geleerd?
Er is altijd wel iemand van wie je iets opsteekt. Van je ouders, van leraren, van mensen die je al jaren kent, maar een opmerking van een toevallige passant kan ook blijven hangen. Ik kan onmogelijk een specifiek iemand noemen.

Welke eigenschap waardeert u in een vrouw?
Humor, gevatheid, ironie, intelligentie en dat gecombineerd met alles wat een vrouw fysiek aantrekkelijk maakt. (Kwijl, kwijl.)

Welke eigenschap waardeert u in een man?
Alles wat ik ook waardeer in een vrouw, maar dan zonder ‘alles wat een vrouw fysiek aantrekkelijk maakt’ natuurlijk.

Als u iets aan uzelf kon veranderen, wat zou dat dan zijn?
Mezelf een kop geven die mooi oud wordt. Zoals Gregory Peck die vroeger had, Sean Connery die nu heeft en, vrees ik, George Clooney die in de toekomst krijgt.

Hoe ontspant u zich?
Vroeger was dat met drank. En dan doordrinken tot net dat ene glas teveel, en ontspanning oversloeg in agressie.  Nu ik niet meer drink kom ik tot rust met obligate dingen: een boek, een film, televisiekijken en muziek.

Van wie houdt u het meest?
Van mijn vrouw en kinderen natuurlijk, en van mijn vrienden. En abstracter: van hen die mijn leven verrijkt hebben. Tekenaars, schilders, schrijvers, dichters, zangers – kunstenaars in het algemeen. En daar horen ook enkele topsporters bij, Johan Cruijff en Eddy Merckx in het bijzonder.

Gelooft u in God?
Dat zou ik graag willen. Leven en sterven zouden dan een stuk prettiger en makkelijker zijn.

Waaraan bent u het meest gehecht?
Nog altijd aan het leven en aan alles en iedereen die me dierbaar is, ook al sta ik met één been in de jaren vijftig en met het andere in het graf, in een wereld die niet van mij is maar van mijn kinderen en kleinkinderen.

Welk leed heeft u anderen berokkend?
Veel leed waar ik waarschijnlijk geen weet van heb, want onbewust doe je veel kwaad. Waar ik zelf het meest onder lijdt is het leed dat ik mijn kinderen uit mijn eerste huwelijk berokkend heb nadat ik scheidde van hun moeder, hoe onvermijdelijk die scheiding ook was. We hebben hen een jeugd ontroofd en dat is nooit meer goed te maken, helaas.

Wat beschouwt u als uw grootste mislukking?
Mijn eerste huwelijk.

Wanneer was u het gelukkigst?
Als ik terugkijk: tussen mijn dertigste en mijn vijftigste. Toen mijn kinderen nog klein waren, mijn werk floreerde, mijn tweede huwelijk gelukkig was en het leven in het algemeen goed.

Wat is de beste plek om te wonen?
Ik heb het in een aardig huis in een bos altijd het meest naar mijn zin gehad, maar mijn vrouw gedijt het best in Amsterdam. Een compromis zou dan zijn een huis in een Amsterdams bos, maar ja: vind dat maar eens.

Wie hoopt u nooit meer terug te zien?
Ik ontmoet dagelijks mensen bij wie ik denk: hopelijk zie ik hem of haar nooit meer terug. Maar als ik dan ‘s avonds naar bed ga, ben ik alweer vergeten wie het waren. Ik heb geen specifieke personen die ik nooit meer terug hoop te zien. Met het klimmen der jaren neemt de rancune af, merk ik.

Hoe is ongeluk te vermijden?
Ongeluk is niet te vermijden. Kleine en grote ongelukken, ze horen erbij en ze overkomen vroeg of laat iedereen. Ik heb mensen gekend die uitgesproken zondagskinderen waren, voor het geluk geboren, en die op het laatst van hun leven in een poel van ellende terechtkwamen omdat ze ook nog eens het ‘geluk’ hadden stokoud te worden, te oud zelfs, en uiteindelijk na een prachtig leven diep ongelukkig stierven.

Wat is uw devies?
Geen. Ik hou niet zo van tegeltjeswijsheden.

De tentoonstelling ‘Dick Matena. Getekend leven’ is tot en met 27 september 2015 te zien in Museum Meermanno in Den Haag. Meer informatie vindt u hier.

Dick Matena. Foto: Ringel Goslinga

 

Zelfportret Bennie Jolink: ‘Bekende Nederlanders, dat zijn publiciteitsgeile narcisten’

Exact veertig jaar geleden, op Hemelvaartsdag 1975, gaf hij zijn allereerste optreden ooit. Bennie Jolink, voorman van de Achterhoekse band Normaal, legde die dag de basis voor wat later de dialectpop zou worden genoemd. Nu, veertig jaar en talloze hits later, vindt hij het welletjes geweest. Zijn gezondheid laat het niet langer toe om nog veel op het podium te staan. Met onder meer een jubileumconcert, de 4CD-box 40 Joar Høken, een documentaire en een laatste ‘veldtocht’ nemen hij en zijn band afscheid van hun ‘anhangers’.

Voor HP/De Tijd reden om Bennie Jolink (1946) te onderwerpen aan een zelfportret: een klassieke serie vragen, gebaseerd op de vermaarde questionnaire van Marcel Proust.

Meer lezen over Zelfportret Bennie Jolink: ‘Bekende Nederlanders, dat zijn publiciteitsgeile narcisten’

Recensie: Jan Cremer is een schrijvende schilder, en niet andersom

Dit artikel is eerder verschenen op de website van HP/De Tijd.

“Jan Cremer is zonder twijfel een van de belangrijkste naoorlogse kunstschilders van Nederland”, zei directeur Ralph Keuning van Museum de Fundatie in Zwolle in de openingsrede voor de tentoonstelling Cremer in verf 1954 – 2014, “alleen heeft hij die plaats in onze kunstgeschiedenis nog niet verworven. Ik ben benieuwd of deze tentoonstelling daar verandering in brengt.”

Dat Jan Cremer (1940) als schilder miskend wordt, heeft hij grotendeels aan zichzelf te wijten. Zijn ‘onverbiddelijke bestseller’ Ik Jan Cremer (1964) maakte hem in een klap een van de beroemdste schrijvers van ons land. Maar de schilderende schrijver is van nature een schrijvende schilder, zoals ook de titel van zijn in 2000 verschenen monografie verklapt: I paint, I write, I paint. Het retrospectief Cremer in verf 1954 – 2014 toont de hoogtepunten uit zijn rijke schildersoeuvre. Van zijn allereerste schilderij Oerwoud tot zijn monumentale vijfluik La guerre Japonaise en zijn soms nog natte zeegezichten – voor het eerst sinds dertig jaar zijn zijn schilderijen weer bij elkaar gebracht.

Wie de tentoonstelling bezoekt, maakt een reis door het schildersleven van Jan Cremer. Die reis begint letterlijk en figuurlijk bij het schilderij Oerwoud, dat hij als veertienjarige branieschopper met wat van huis meegenomen kwasten, tubes verf en een bij het afval gevonden paneel in Parijs heeft geschilderd. Dat schilderij is duidelijk geïnspireerd op het werk van de CoBrA-groep. Het doet denken aan de vroege werken van Theo Wolvecamp en Karel Appel. Het schilderij is zijn eerste schrede in het kunstenaarschap, en meteen al niet de minste. Het rood, dat in zestig jaar tijd niet aan felheid heeft ingeboet, zuigt je werkelijk naar het doek toe. Opmerkelijk is dat de kleuren rood en zwart – die in het oeuvre van Jan Cremer een zeer belangrijke rol spelen – al in dit eerste werk dominant zijn.

La guerre Japonaise
Elke zaal – het retrospectief is opgedeeld in zes clusters – beslaat een periode uit het werk van Cremer: van zijn ‘Peinture Barbarisme’, de expressieve tulpenvelden die hij schilderde in New York en zijn latere zeegezichten – het hangt er. Het is ondoenlijk om elk cluster kort uit te lichten, daar is de tentoonstelling met ruim tachtig schilderijen te omvangrijk voor. Maar een werk dat in ieder geval niet onbesproken mag blijven, is het monumentale vijfluik La guerre Japonaise. Museumdirecteur Keuning noemt het ‘de Nachtwacht van de twintigste eeuw’. Nu is dat wel een heel joviaal compliment aan de schilder en het doek, maar dat dit het pièce de résistence is uit zijn oeuvre is, staat vast. Het is een schilderij dat je bij de kladden grijpt. In de eerste plaats al door de grootte: het doek is bijna zes meter breed en ruim anderhalve meter hoog.

La-Guerre-Japonaise-vijfluik-gemengde-technieken-op-doek-160-x-560-cm-1960

Dat is ook meteen het grote probleem van La guerre Japonaise: want waar laat je zo’n werk? Toen Jan Cremer begin jaren zestig naar New York vertrok, kon hij het schilderij uiteraard niet meenemen. Hij had het al eens proberen te verkopen voor het astronomische bedrag van een miljoen gulden, maar niemand – behalve het nieuwsgierige journaille – hapte toe. Of ja, toch wel. Er meldde zich één belangstellende: een excentrieke miljonair uit Canada. Hij was bereid de vraagprijs voor het vijfluik te betalen, mits de schilder hem zou beloven de komende tien jaar geen kwast meer aan te raken. Cremer: “Ik was in die tijd straatarm en toch sloeg ik de deal af. Die viezerik wilde mijn leven kopen.” Toen besloot hij het werk aan toenmalig vorstin Juliana te schenken. Als tegenprestatie zou zij alleen de huur van het depot moeten betalen. Met dit aanbod haalde hij de wereldpers, maar de koningin liet niets van zich horen.

In La guerre Japonaise, een sleutelwerk in zijn oeuvre, zit het kunstenaarschap van Jan Cremer vervat. La guerre Japonaise is oorlog – net als Cremer zelf. Letterlijk omdat het doek een weerslag is van de vele verhalen die hij tijdens zijn verblijf in een tehuis voor Indische spijtoptanten in Scheveningen heeft gehoord. Over de kampongs, de jappenkampen, en alle ontberingen die men daar heeft moeten doorstaan. Figuurlijk omdat de schilder altijd in gevecht is met het doek; met branders, teer en verf ging hij het te lijf. In een interview met NRC Handelsblad zei Cremer vorige week over het vijfluik: “Dit schilderij heeft letterlijk in brand gestaan. Net als de wereld. (-) Schilderen is oorlogvoeren.”
Die gestolde woede, dat statische geweld, voel je nog steeds als je er naar kijkt. De dikke klodders teer en verf zijn een fysieke uiting van de innerlijke woede en onrust van de schilder – zoals al zijn werk een fysieke uiting is van woede. Ook in zijn meer recente werken – de onstuimige zeegezichten waarmee hij, de eeuwige kunstnozem, op zijn oude dag aanhaakt bij de grote meesters uit de Gouden Eeuw – zie je die innerlijke onrust terug.

De overzichtstentoonstelling Cremer in verf 1954 – 2014 bewijst dat Jan Cremer met recht een van de grootste naoorlogse kunstenaars van ons land is. De manier waarop hij zich de afgelopen zestig jaar ontwikkeld heeft als kunstenaar, altijd op het allerhoogste niveau heeft gewerkt, is fenomenaal.

Jan Cremer gaat de geschiedenisboeken in als een schrijvende schilder, en niet andersom.

Het retrospectief Cremer in verf 1954 – 2014 is nog tot en met 23 augustus 2015 te zien in Museum de Fundatie in Zwolle.

???????????????????????????????

Kunstenaar herman de vries: ‘Ik heb mijn leven te danken aan lsd’

Hij schrijft zijn naam zelf altijd zonder hoofdletters, om ‘hiërarchieën te vermijden’. herman de vries (Alkmaar, 1931) is al meer dan zestig jaar actief als kunstenaar. In 1953 begint hij zich, als plantkundige van de Plantenziektekundige Dienst in Wageningen, bezig te houden met het maken van collages van gevonden materiaal. Blaadjes, steentjes, flarden van posters. Meer lezen over Kunstenaar herman de vries: ‘Ik heb mijn leven te danken aan lsd’