Hans Dorrestijn over Lars Jonsson, Stella Bergsma en Bartók

Op dit moment werkt hij aan een nieuwe theatervoorstelling en zit hij midden in de opnames voor een nieuw seizoen van het humoristische natuurprogramma Baardmannetjes. Op 19 juni eert het Amsterdam Kleinkunst Festival hem met een speciale avond in het Delamar Theater. Wat leest, luistert en ziet Hans Dorrestijn (76) als hij niet met cabaret of ornithologie bezig is? Een voorproefje.

BOEKEN
(…)
“Vroeger vond ik boeken over de natuur geen literatuur, maar daar ben ik van teruggekomen. De vlucht van de hommel van Dave Goulson vind ik bijvoorbeeld een meesterwerk. Goulson is een wetenschapper die zich met bijen bezighoudt en daar heel aanstekelijk over kan schrijven: hij weet beschrijvingen uit zijn jeugd te verweven met een informatief relaas over de bij. Je moet het maar kunnen. Ik ben op dit moment bezig in Schol in de Noordzee – Een biografie van de platvis en de Nederlandse visserij van Roelke Posthumus en Adriaan Rijnsdorp. Het boek staat vol met wetenschappelijke feiten. Meestal wordt dat ontzettend saai, maar zij verstaan de kunst om relatief veel droge informatie over de schol op een aantrekkelijke manier te brengen. Ik las gisteren dat de schol tot de zeventiende eeuw ‘de pladijs’ werd genoemd. Dat vind ik dan toch leuk om te weten. Lars Jonsson kan dat ook heel goed: droge informatie niet droog opschrijven. Neem zijn Vogels van Europa. Daarin worden alle vogels die hier voorkomen op een heel exacte manier beschreven, terwijl er toch gevoel in die beschrijvingen wordt gelegd. Neem de beschrijving van de barmsijs: ‘Grijs en bruin met pluizig kleed en iets toegeknepen ogen. Heeft korte, spitse, strogele snavel. Kleine zwarte kinvlek en een rode voorhoofds- en kruinvlek. Kleed: variabel. Mannetjes vaak met roze zweem op borst en flanken. In zomer karmijnrode borst en voorhoofd.’ Dat is toch prachtig? Toevallig heb ik in deze beschrijving een taalkundige fout ontdekt. Je zegt namelijk niet: karmijnrode voorhoofd. Dat is een verkeerde samentrekking. Maar dit terzijde.”
“O, en ik moet je nog even iets vertellen. Op het Boekenbal heb ik Stella Bergsma ontmoet. Ken je haar? Ik was moe en vroeg of ik naast haar mocht komen zitten. Dat mocht. En ik zou bijna niet met haar durven praten, want ze zag eruit als een gravin, ze had iets statigs en iets koels, maar op een gegeven moment vroeg ik dan toch maar waarom ze daar was. Ze antwoordde: ik heb net een roman gepubliceerd. Dat bleek Pussy album te zijn. Ik ga echt niet alle debuten lezen, maar ik had een voorgevoel dat dit een heel goed boek moest zijn. Ik heb het de week daarna meteen gekocht, want ik wilde niet dat ze het me zou geven, en ben steil achterovergeslagen. Baf. Mijn voorgevoel was goed. Die meid heeft op Willem Frederik Hermans-achtige wijze een geweldige downperiode in haar leven beschreven na een mislukte liefde. Ik heb me kapotgelachen, maar ben ook ontroerd geweest. En nu propageer ik dit boek. Omdat ik vind dat iedereen het moet lezen.”

BEELDENDE KUNST
“Ik ga al net zo weinig naar het museum als naar het theater, hoewel ik er bijna altijd mee bezig ben. Ik heb stapels kunstboeken waar ik graag in blader. Ik heb ook alle boeken van Joost Zwagerman op dat gebied met veel plezier gelezen. Americana bijvoorbeeld, met stukken over Rothko, Warhol, Pollock… Neem nu eens Jackson Pollock. Zie jij meteen dat dat geweldig is? Ik niet, maar Zwagerman wel. Hij is zeer overtuigend als hij daarover schrijft. Ik geloof hem meteen. Daaraan kan ik zien dat ik op dat gebied niets ben. In het herkennen van goede poëzie ben ik beter. Van een gedicht van Lucebert, waarvan anderen zeggen: wat staat daar in hemelsnaam, kan ik meteen de grootsheid zien. Omdat ik mezelf daarin heb geoefend. Maar als ik niet schoolgegaan was en niet allerlei artikelen had gelezen over het surrealisme, het dadaïsme en de experimentelen, dan was ik niet op eigen houtje tot de conclusie gekomen dat Lucebert een grote jongen is. In de moderne kunst vertrouw ik mezelf dus nog niet. De tekeningen van Lucebert vind ik niet heel mooi. Karel Appel snap ik ook niet zo goed. Ik zie het niet. Rik Wouters vind ik dan wel weer echt heel goed. Maartse sneeuw vind ik een van de allergrootste meesterwerken uit de kunstgeschiedenis van de Lage Landen. In het Kröller-Müller Museum, waar ook beelden van Rik Wouters staan, ben ik misschien wel twintig keer geweest. Met die mooie beeldentuin en die natuur eromheen… Ik heb daar de grote lijster nog voor het eerst gezien.”

(…)

MUZIEK
“Ik luister graag naar klassieke muziek en dan met name naar Stravinsky, wat ik vrij lichte muziek vind, maar ik luister ook graag naar het enorm strenge werk van Bartók. Twee tegenpolen zijn het. Een keer heeft Stravinsky een uitstapje gemaakt naar wat zwaardere muziek, toen hij in zijn Movements for Piano and Orchestra het twaalftoonstelsel even heeft omhelsd. Ik ben blij dat hij dat niet vaker heeft gedaan. Ik luister ook geregeld naar barokcomponisten als Vivaldi, Corelli en de hele troep. Ik ben er zelfs een beetje op aan het studeren. Ik wil namelijk zo graag het onderscheid tussen die componisten kunnen horen. Ik droom weleens dat ik in een quiz zit, dat ik dan een geluidsfragment hoor en nonchalant roep: ‘Dit moet van Locatelli zijn.’ Dat is mijn geheime ideaal. Maar het lukt alleen nog niet echt. Ik heb daar een veel te slecht geheugen voor.
“Laatst schoot ik een keer vol bij een klassiek stuk. Merkwaardig genoeg was dat bij een heel amateuristische opname van een deel uit de Matthäus Passion. Een amateuristisch vrouwenkoor begon te zingen en baf, ik zeilde zo weg. Raar is dat: ik heb uitvoeringen die wel tien keer zo goed zijn en waar ik het droog bij houd. Dat is dan blijkbaar te perfect. Juist die imperfectie van deze uitvoering maakte het zo menselijk. Bach vind ik echt onbegrijpelijk goed – o, o, o. Ik ben nu weer de Partita’s aan het spelen en die vervelen nooit. Wat een grootsheid. Ik snap niet hoe hij dat allemaal heeft kunnen componeren. Toen hij een jaar of vijftig was – hij was dus al behoorlijk lang bezig – vroeg iemand aan hem: hoe kunt u dit allemaal gecomponeerd hebben? En toen zei hij: ‘Ich habe fl eißig seyn müssen.’ Ik heb hard moeten werken.”

(…)

Lees het gehele interview met Hans Dorrestijn in het juninummer van HP/De Tijd (2017) of op Blendle.

Jörgen Raymann: ‘Nederland zou baat hebben bij een milde dictatuur’

Na jaren van succes belandde Jörgen Raymann (50) vorig jaar in een zwart gat. Hij kreeg tegenslag op tegenslag te verduren, maar krabbelde weer op en schreef er een boek over: Raymann zoekt raad. Twintig vragen aan de rasoptimist.

Het gehele interview met Jörgen Raymann leest u in Playboy #6, 2017 of op Blendle.

1. In je boek Raymann zoekt raad vertel je wat volgens jou de beste manier is om gelukkig te worden en positief in het leven te staan. Wat is de beste raad die jij zelf hebt gehad?
Zoals de Chinezen zeggen: ‘Als je haast hebt, ga dan even zitten.’ Toen mijn oudere zus Peggy in 1985 overleed, heb ik geen tijd genomen om haar dood te verwerken. Dat kwam later als een boemerang in mijn gezicht terug. Neem je tijd om een heftige gebeurtenis te verwerken, en ga dan pas verder.

5. In welke auto rijd je?
Ik rijd nu in een heel mooie tweedehands Volvo XC60. Hiervoor reed ik een Porsche Cayenne, maar die heb ik moeten verkopen.

7. Een paar jaar geleden stopte je met je typetje Tante Es. Stak het dat zij eigenlijk populairder was dan jijzelf?

Helemaal niet. Ik maak me geen illusies: Tante Es is altijd populairder geweest dan ik. De koek was gewoon op. In het begin, als ik dan de jurk aantrok, nam ze me helemaal over. Dan was ik Tante Es. Op een gegeven moment werd dat gevoel minder en daarom ben ik met haar gestopt. Maar ik ben haar dankbaar voor alle successen die ze me heeft gegeven. Die Porsche Cayenne had ik aan haar te danken.

8. Je noemde jezelf eens de excuusneger van de NPO. Had jij als je blank was geweest ook 16 jaar lang een latenightshow gehad bij de publieke omroep?
Ik ben ooit aangenomen bij de NPS omdat ze een donkere presentator zochten. Het was in de tijd dat diversiteit nodig werd op de televisie en ze moesten bij de publieke omroep een zwart programma maken. In die zin kun je zeggen dat ik een excuuszwarte was. Maar ik dacht ook: in het leven moet je soms opportuun zijn zonder je principes overboord te gooien. Ik ben toevallig om mijn huidskleur aangenomen, maar ik denk ook dat ik bewezen heb dat ik wat kan. Anders hadden ze me na een seizoen wel de laan uitgestuurd.

17. ‘Ik denk dat ik na mijn vijftigste wel de politiek in wil,’ zei je in een van je allereerste interviews. Je werd vorig jaar 50. Wat is er over van die ambitie?(Lachend) Als je jong bent zeg je wel vaker stomme dingen. Ik geloof dat de oplossing niet meer uit de politiek komt. Politici kunnen geen idealen meer hebben: als je met elkaar wilt regeren, moet je veel van je idealen opzij zetten. En dat werkt voor mij niet. (Spottend) Weet je wat Nederland nodig heeft? Een milde vorm van dictatuur. Een sterke leider die zegt: geen gelul, we gaan het zo doen. Iemand die niet links is en niet rechts en iedereen gelijk behandelt. Discrimineer je vrouwen, autochtonen of allochtonen? Dan moet je naar een heropvoedingskamp. Misschien moeten we dan ook een andere staatsinrichting overwegen, met een Ministerie van Geluk en een Ministerie van Wederzijds Begrip en een Ministerie van Bruggen Bouwen. Die ministerspost wil ik dan wel bekleden. Even zonder dollen: ik denk dat je op die manier een land heel aardig kunt leiden. Pas dan zou politiek voor mij werken.

 

Loes Luca over Hugo Borst, De Warme Winkel en Goran Bregovic

Loes Luca (1953) staat avond aan avond op de planken met het filmische toneelstuk Pilp Fuction, maar tussen de bedrijven door gaat ze graag naar de bioscoop, bezoekt ze een museum of draait ze plaatjes in haar eigen woonkamer, waar eigenlijk altijd wel mensen zijn.

Het gehele interview is te lezen op Blendle. Verschenen in het meinummer (2017) van HP/De Tijd.

BOEKEN
(…) “Mijn favoriete verhaal is De honderdjarige van Godfried Bomans. Als kind heb ik het eens helemaal uit mijn hoofd geleerd: ‘”’Is vader thuis?’, vroeg ik aan het oude mannetje, dat open deed. Hij knikte, en liet mij in een kamertje waar een nóg ouder mannetje zat, dat al bijna dood was. Haastig rukte ik een spreekhoorn van den wand en schreeuwde in zijn oor: ‘Wel gefeliciteerd!’” Ik heb het verhaal ook nog eens overgeschreven in een poëzieschriftje, dat ik als veertienjarige bijhield. Gedichten en verhalen die ik mooi vond schreef ik daarin op. Ik heb dat schriftje nog steeds. Er staan gedichten in van K. Schippers, Jules Deelder en Remco Campert, in een net meisjeshandschrift overgeschreven of met de typemachine overgetypt. Wat lees ik verder? Het dagboek van Hendrik Groen heb ik gelezen. Dat lees je zo weg. Een heerlijke mopperkont is dat. O! En Ma van Hugo Borst natuurlijk. Dat heb ik ook gelezen omdat ze me gevraagd hebben om zijn moeder te spelen in de op handen zijnde verfilming van het boek. Ik heb zelf een moeder van in de tachtig die er qua geheugen op achteruit gaat, dus ik heb wel feeling met de doelgroep. Of de film er ook daadwerkelijk komt, is nog even afwachten. Maar hoe langer ze wachten, hoe beter het is – er steeds minder schmink aan te pas te komen.”

THEATER
“Wat ik de laatste tijd allemaal heb gezien in het theater? Dan moet ik even mijn agenda pakken. Meestal ga ik kijken wat bevriende collega’s hebben gemaakt. De Warme Winkel speelt De Warme Winkel heb ik bijvoorbeeld gezien omdat Sofie Porro daarin meedanst, die ik in mijn hart heb gesloten nadat ik met haar heb samengewerkt. Het is een voorstelling over Pina Bausch. De dansers kunnen natuurlijk nooit wat de dansers van Pina Bausch kunnen, maar ze gaan wel zo tekeer dat ze – die keer dat ik kwam kijken – Sofie een arm uit de kom hebben gegooid. Dus die voorstelling moest toen even gestaakt worden. Ik ben ook naar De Marathon – de musical geweest. John Buijsman is daarin echt om op te vreten. Zo ontroerend. En ik ben ook naar Snorro, de gemaskerde held van het RO Theater geweest. Ik kende het verhaal al, ik heb in de versie gespeeld die zeven jaar geleden draaide, maar ik vond het toch weer heel leuk om te zien. Op sommige punten was de voorstelling beter, op sommige punten wat minder – maar dat doet er niet toe. Pieter Kramer heeft het geweldig geregisseerd.”

MUZIEK
“Ik vind het leuk om voor disc jockey te spelen als hier visite is. Ouderwets plaatjes draaien. Ik heb een hele kast vol muziek, allemaal op alfabetische volgorde, waarmee ik ze altijd aan het dansen weet te krijgen. Van Wilson Pickett tot The Ramblers en van Tino Rossi tot Roy Orbinson.”
“Mijn laatst aangeschafte plaat is er een van Wim Sonneveld. Die zie ik dan in een kringloopwinkel liggen en denk: die moet ik hebben. En wat heb ik nog meer gekocht? Eens even kijken. Yves Montand. The Beach Boys. Harry Belafonte, ha! Leuk voor mijn moeder. Bette Midler. Claude Nougaro. James Brown. O, Dr. John the Night Tripper! Die moeten mensen in huis hebben. En o! Goran Bregovic! Mijn lievelingsnummer is nummer vier op de cd Tales And Songs From Weddings And Funerals: Sex. Een soort moderne balkanmuziek is het. Daar kan ik niet stil bij blijven staan. En verder vind ik Ry Cooder zo geweldig omdat hij uit allerlei landen muzikanten heeft vergaard en daarmee nieuwe bandjes heeft geformeerd.”

Ivo van Hove: “We moeten af van het woord cultuursubsidie”

Topregisseur Ivo van Hove (1958) van Toneelgroep Amsterdam is als koning Midas: alles wat hij aanraakt, verandert in goud. Binnenkort gaat zijn voorstelling Obsession, met onder meer Jude Law en Halina Reijn, in première. Hij gispt het Nederlandse toneelklimaat. ‘Pas als je een acteur een Wilders-pruik opzet, wordt het herkend als politiek theater.’

Ivo van Hove is een van de meest vermaarde toneel- en operaregisseurs ter wereld. Zijn stukken worden gespeeld van West End tot Broadway. Hij regisseerde onder meer bij de Münchner Kammerspiele, de Comédie-Française, het National Theatre in Londen en op Broadway. Samen met David Bowie maakte hij, kort voor diens dood, de musical Lazarus. En de critici zijn bijna uitsluitend lovend over zijn werk.

Krijgt u nog weleens kritiek van de mensen met wie u werkt?
“Dat gebeurt dagelijks. Denk je dat dat niet zo is?”

Ik kan me voorstellen dat mensen onder de indruk van u zijn – ook al werken ze al jaren met u samen.
“Dat weet ik niet. Ik merk het in ieder geval niet. Dat komt ook omdat ik met beide benen op de grond sta. Iedereen die me kent, weet dat ook. Meestal ben ik de dag nadat ik een prijs heb gekregen gewoon weer aan het repeteren. Het werk gaat voor. En kritiek krijgen is meestal positief, het helpt je vooruit. Daar leer ik alleen maar van. Ik denk ook dat ik met de jaren veel toegankelijker ben geworden. Je wordt wat ouder.
“Je wordt wat wijzer. Je wordt wat empathischer. Ik heb geleerd te luisteren naar de mensen om mij heen en daarop in te spelen. Ik sta natuurlijk aan de andere kant van het leven: ik sta dichter bij mijn dood dan bij mijn geboorte. Dat heeft er wel veel mee te maken. Ik ben niet dag en nacht met de dood bezig, maar ik ben er wel van doordrongen dat ik zal sterven.”

De dood is – ook in uw nieuwste stuk Obsession – een belangrijk thema in uw werk. Heeft dat een speciale reden?
“Natuurlijk is ‘de dood’ een belangrijk onderdeel in veel toneelstukken, maar bij mij komt het wel erg sterk naar boven. En lang ook al. Ik denk dat het is terug te voeren tot twee gebeurtenissen in mijn leven. Een: de dood van mijn beste vriend. Hij was toen een jaar of zestien. We zaten op hetzelfde internaat. Hij is met z’n fiets verongelukt, ik weet niet eens de ware toedracht. Ik kon daar toen met niemand over spreken. Ik heb dat in mijn eentje verwerkt.”
“Zo’n rouwproces duurt toch zeker wel een jaar. Je kunt niet denken dat dat na een maandje wel slijt. Een ander beeld dat me altijd is bijgebleven, is de dood van mijn tante, de zus van mijn vader, die ik op sterven heb zien liggen. Ik was toen een jaar of veertien. Ze had longkanker. Ze rookte als een ketter. Die twee dingen, met name die vriend die ik verloren ben, op zeer jonge leeftijd, zullen er wel mee te maken hebben dat dat zo’n groot thema is geworden.”

Het gehele acht pagina tellende interview met Ivo van Hove is te lezen in het aprilnummer van HP/De Tijd (2017) of online op Blendle.

Tom Holkenborg (Junkie XL) over honderdurige werkweken, paniekaanvallen en biologische groenteshakes

Tom Holkenborg (49), beter bekend als Junkie XL, is zeer succesvol als filmcomponist. Na soundtracks voor onder meer Mad Max: Fury Road en Deadpool verzorgde de in LA wonende muzikant de filmmuziek voor Brimstone, de horrorwestern van Martin Koolhoven. Twintig vragen over honderdurige werkweken, paniekaanvallen, biologische groenteshakes en meer.

(Interview voor Playboy, april 2017.)

1. Wie is volgens jou de beste filmcomponist aller tijden?

Ennio Morricone. Ik vind zijn laatste werken niet zo speciaal, maar wat hij in de jaren zestig en zeventig heeft gedaan is echt te gek. In Once Upon a Time in America is hij op zijn best.

5. Hoeveel verdien jij per maand?
Ik heb geen flauw idee. Echt niet. Dat moet je aan mijn manager vragen. Geld interesseert me gewoon niet. Ik weet alleen dat ik verre van rijk ben en dat ik elke dag hard moet buffelen om mijn assistenten en nieuwe apparatuur te kunnen betalen.

7. Hoe ziet een gemiddelde werkdag er voor jou uit?
Die is elke dag hetzelfde. Ik word ’s ochtends om drie uur wakker. Dan zet ik een kop koffie en loop ik de studio in om de computers aan te zetten. Het eerste wat ik dan doe, is even de dag doornemen, gewoon om te kijken wat ik moet doen. Dan doe ik wat ademhalingsoefeningen en wat rek- en strekoefeningen – geen yoga, want ik heb een rughernia, maar het lijkt er wel op. Dan ontbijt ik met een biologische groenteshake en maak ik mijn eerste run tot half acht. Als ik mijn zoontje uit bed heb gevist, wat zakelijke telefoontjes heb gepleegd en met mijn inmiddels gearriveerde assistenten de dag heb doorgenomen, maak ik mijn tweede run tot half een. Na de lunch pleeg ik weer wat telefoontjes en maak ik een derde run tot half acht. Na het avondeten doe ik vaak nog een laatste run tot half elf en ga ik naar bed. Ik heb geen weekenden. Mijn assistenten ook niet. Iedereen werkt zeven dagen per week, zestien uur per dag.


19. Je ging een tijd gebukt onder ernstige paniekaanvallen. Hoe houd je die nu in toom?
Ik heb veel cognitieve gedragstherapie gevolgd. Dat is de meest succesvolle therapie om daar iets aan te doen. Het is wel een heel lange therapie. En het vergt ook veel zelfwerk. Je moet alle negatieve gedachten in je hoofd een voor een gaan vervangen door positieve gedachten en uiteindelijk kom je dan in rustiger vaarwater terecht. Als je dan een paniekaanval aan voelt komen, adem je wat langzamer en haal je de positieve gedachten er weer even bij. En dan ebt het zo weer weg.

Het gehele interview met Tom Holkenborg is te lezen in de papieren Playboy of op Blendle.

De culturele agenda van… Sander van de Pavert (LuckyTV)

Sander van de Pavert (1976) is vooral bekend van Luckytv, zijn veertig seconden durende bijdrage aan De Wereld Draait Door waar hij dagelijks zo’n tien uur aan werkt. Vanaf april staat hij in het theater met Lucky Live. Wat leest, kijkt en luistert hij als hij niet bezig is met het maken van satirische filmpjes?

Meer lezen over De culturele agenda van… Sander van de Pavert (LuckyTV)

Spiegelbeeld

‘Het zou weleens kunnen zijn’, oppert Geert Mak in een van zijn podcasts, ‘dat Donald Trump ten onder gaat aan Donald Trump. Dat hij knettergek wordt van zichzelf en dat hij simpelweg uit een dwangbuis uit het Witte Huis gevoerd moet worden. Ik wil daar wel een weddenschap op sluiten.’

Ovidius wist het al: voor een narcist is niets zo gevaarlijk als zijn spiegelbeeld.

In de documentaire A Strange Love Affair With Ego, waarin Ester Gould vier jonge vrouwen met een ongezonde hang naar aandacht en waardering volgt, poneert een van de geïnterviewden stellig: ‘Iedereen kan krijgen wat hij of zij wil. Krijg je dat niet, dan ben je een nul.’

De aanleiding voor de documentaire is de dood van Rowan Gould, de grote zus van de documentairemaakster, die, in de waan van haar eigen grootsheid, uit het leven stapte toen ze de door haar zelf opgelegde verwachtingen niet kon waarmaken.

Uit een brief van Rowan aan Ester citeer ik: ‘You said I’m not in the remotest sense important. It doesn’t really hurt. You just don’t get how the world works.’

‘Dan maar een fatsoenlijke muts’- interview met Lenette van Dongen

Groot interview met cabaretière Lenette van Dongen (1958) in HP/De Tijd 02, 2017. Hieronder staat een fragment. Lees het gehele interview in de papieren editie of op Blendle.

FRAGMENT

Over vrouwelijke cabaretiers bestaan – met
name onder mannen – nogal wat vooroordelen. Heb je daar in het begin van je solocarrière last van gehad?
“Nog steeds! Telkens wordt de vraag maar weer gesteld: waarom zijn vrouwen niet leuk? Terwijl ik avond aan avond voor volle zalen speel en mensen – ook heel veel mannen – bijna uit hun broek scheuren van het lachen. Ik antwoord op die vraag meestal: jij vindt blijkbaar vrouwen niet leuk. Ik vind veel mannelijke cabaretiers ook niet leuk. Dan denk ik: dat praatje kennen we nu wel. Bedenk eens wat nieuws. Ik kom elke voorstelling met een nieuwe vorm, maar bij mij blijft het volgens sommige mannelijke recensenten huis­tuin­en­keukencabaret. Best. Dan mis je blijkbaar waar het werkelijk om gaat. Ook in de cabaretwereld heerst veel seksisme.”

Waar blijkt dat nog meer uit?

“Ik zal je een voorbeeld geven. Mannelijke cabaretiers mogen vrouwen aan alle kanten vernietigen, maar als ik drie grappen over mannen zou maken op het niveau waarop zij grappen maken over vrouwen, zijn de rapen gaar. Dan ben ik die feminist die een beurt nodig heeft. En eerlijk is eerlijk: de vinnik in mijn voorstelling is natuurlijk ook een vrouw. Maar het is wel een archetype van mezelf.”


Welke cabaretier gaat daarin het verst?

“Ik vind het niet leuk om namen te noe­ men. Maar mannen die grappen maken over nonnen die in hun bek worden gescheten, vrouwen die verbaal worden verkracht…”


Hans Teeuwen.

Ze peinst. “Ik ga gelijk op de rem, merk ik.”

Waarom?

“Omdat ik het stom vind om over collega’s te praten. Maar oké. Neem Hans Teeuwen. Ik ben lang geleden afgehaakt, ik ken zijn nieuwe werk dan ook niet, maar het werk dat ik van hem ken is grof. Hij gaat onvoorwaardelijk overal dwars tegenin. Daar lachen mensen ongelooflijk hard om. Mensen die niet gevoelig zijn voor de context van die grappen, zullen denken: blijkbaar is asociaal gedrag normaal. En dat zie je dan weer terug op Twitter. En in de opkomst van het populisme. Als je dat soort normen en waarden ondersteboven ragt, denk ik: ja, unleash the beast. Ga je gang. Maar dan? Dan ben ik maar die muts die het liever wel netjes en fatsoenlijk houdt.”

Ze gaat door: “Vroeger had je gezag. Iedereen had respect voor de leraar, de agent en de overheid. In de jaren zestig is dat gezag aangetast. We mochten opeens jij en jou zeggen tegen die mensen. De jongeren in de jaren zestig hadden het aura van geweldige bevrijders, maar was het achteraf wel zo verstandig om dat gezag te ondermijnen? Ik snap dat het gevoel van bevrijding enorm groot geweest moet zijn, maar we hebben er ook een enorm groot goed mee verloren, namelijk het respect voor gezag.

En juist daar hebben we nu last van. Ik zou weleens iemand willen spreken die in de jaren zestig op de barricaden heeft gestaan. Of hij daar nog steeds zo trots op is, of dat hij denkt: misschien hebben we de gevolgen daarvan onderschat.

“Hans Teeuwen is razend populair. Hij gebruikt het breken van fatsoen als stijlelement. Als mensen zich kapotlachen om verbale verkrachtingen en nonnen die in hun bek worden gescheten, denk ik: ontwrichten en dan weer weg is natuurlijk wel heel makkelijk. Neem eens verantwoordelijkheid. Het is extreem onvolwassen allemaal. En daarmee ben ik dan ook meteen de ouwe lul van het verhaal. Fatsoen is op een gegeven moment een heel vies woord geworden. Ik heb het nooit een vies woord gevonden. Ik voel me altijd erg veilig in fatsoen.”

Wim Pijbes: ‘Van mij had Niña Weijers de Libris Literatuurprijs ook mogen winnen’

Wim Pijbes (1961) presenteert vanaf 22 maart de achtdelige tv-serie Panorama Pijbes, over het Nederlandse landschap gezien door de ogen van kunstenaars. Wat leest, luistert en kijkt de oud-directeur van het Rijksmuseum als hij niet beroepshalve met kunst bezig is?

Voorproefje uit het interview in HP/De Tijd 02, 2017. Het gehele interview leest u in de papieren editie of op Blendle.

Boeken
“Ik lees veel vakliteratuur. Ik probeer alles bij te houden wat over Nederlandse kunst wordt gepubliceerd. Ik lees ook veel kranten, binnen- en buitenlandse. Dan schiet het lezen van een boek er nog weleens bij in. Toen ik in 2014 voorzitter was van de Libris Literatuurprijs, was ik min of meer verplicht om veel te lezen. Ik heb niet alle 180 geselecteerde boeken even grondig kunnen lezen, maar wel de achttien van de longlist. Ik vond het niveau dat jaar erg hoog. Adriaan van Dis won uiteindelijk met Ik kom terug. Maar het was een lastige keuze. Wat mij betreft had De consequenties van Niña Weijers ook kunnen winnen. Weijers was een debutant en om die reden minstens zo interessant om te kiezen. Uiteindelijk kan er maar één winnen en hebben we met het mes op de keel voor Van Dis gekozen. Het was opvallend genoeg voor het eerst dat hij een belangrijke literaire prijs won. Niet dat we hem daarom die prijs hebben gegeven. Die gaat naar het beste boek en dat staat los van de statuur van de schrijver.”

Muziek
“Ik was diep onder de indruk van het concert dat Beyoncé afgelopen zomer gaf in de Arena. Dat was spectaculair goed. De show was overrompelend. Die vrouw is natuurlijk bloedmooi, die danseressen zijn keigoed en de muziek… daar heb ik eigenlijk nog het minste mee, maar jeetje, wat een show. Ik vind het ook interessant hoe zij zich afficheert. Het is een vrouw met een boodschap. Hoe zij vorig jaar tijdens de finale van de Superbowl een verwijzing maakte naar de Black Panthers en daarmee een statement maakte over het opgelaaide rassendebat in Amerika, vond ik heel sterk. Wat ik ook heel sterk vind, is de manier waarop ze beeldende kunst verwerkt in haar leven. Ze laat zich inspireren door kunstenaars. Als Andy Warhol nog had geleefd, zou ze hand in hand met hem gaan. En met Picasso trouwens ook. Ze heeft een artist’s eye. De clip voor Hold Up, waarin ze een autoruit inslaat, lijkt een op een gejat van Pipilotti Rist. Vergelijk die clip maar eens met het videokunstwerk Ever Is Over All. Het is een pastiche.”

Beeldende kunst
“Wat het beste museum is van Nederland? Het Rijksmuseum. Dat klinkt een beetje aanmatigend, maar nu het de wind van de recente verbouwing in de rug heeft, met de grootste collectie van het land, durf ik dat wel te zeggen. Wat mijn lievelingswerk is? Dat verschilt per dag. Misschien Huwelijksportret van Isaac Massa en Beatrix van der Laan van Frans Hals, waarop twee jonge mensen zich ter gelegenheid van hun huwelijk laten portretteren. Als je iedere dag door de zalen loopt, heb je een paar schilderijen die elke ochtend ‘goedemorgen’ tegen je zeggen: het communiceert, het kijkt terug. Dat noem ik goedemorgen-schilderijen. Dit werk van Hals is er zo een. Het hangt, als je de Eregallerij betreedt, meteen links. Toen ik Barack Obama mocht rondleiden, was dat ook het eerste schilderij dat ik aan hem liet zien. Het zelfbewuste Nederland van de zeventiende eeuw lacht je op pontificaal formaat – dat eigenlijk alleen voor koningen bedoeld was, maar daar trokken ze zich geen bal van aan – tegemoet.”